Supermarkt „De Vlijt”
door C. A. Donze-Servaas
„Nou, ja, 't zal op den duur wel moeten, ik heb geen andere keus." Bitter komen de woorden uit Hermans mond.
„Nee, dat is niet waar jongen, moeten is er niet bij", weerlegt moeder zacht. „Je vader en ik oefenen geen enkele dwang op je uit. Als je het zo erg vindt om die baan aan te nemen moetje het niet doen." „Baan", smaalt Herman, , , 't Is me nogal een baan ook."
„Zoiets kun je toch geen baan noemen? ", roept hij dan heftig als moeder geen antwoord geeft, , , 'k Zou zelfs niet eens weten wat ik zou moeten zeggen als iemand me vroeg wat voor werk ik deed. Hoe noem je zo iemand nu eigenlijk? Boodschappenbijvuller? Of vakkenvuller? Of.... of.... boodschappenjongen misschien? " Het laatste komt er bijtend uit. „En daar moet je dan zoveel voor geleerd hebben." Voor moeder kan antwoorden, gaat hij, gelaten nu, verder: „Ik weet wel watje nu zeggen wilt mam: „Later zul je misschien dit of dat, en je moet er maar veel om bidden." Maar daar schiet ik nu allemaal niets mee op." Hij springt overeind. „Toch ga ik het doen", beslist hij dan ineens. „Ik ben het beu om hele dagen te lopen lanterfanteren."
„Nou, nou, lanterfanteren", protesteert moeder. „Je doet anders karweitjes genoeg hoor."
„Ja, ja, ik ben een vlijtig mannetje", zegt Herman met een spotgrijns. „Alleen het brengt geen geld in het laatje, 't is al liefdeswerk."
Dan rekt hij zich lang uit en slaat met zijn hand op zijn borst: „Maar van nu af aan word ik een echte zakenman, let maar eens op „mijnheer de boodschappenbijvuller"!!"
Op de terugweg, van de supermarkt naar huis, ontmoet Herman mijnheer Van Leersum, zijn vroegere klasseleraar. Verrast stappen beiden af en drukken elkaar stevig de hand.
„Ha, die Herman, leuk je weer eens te ontmoeten", zegt mijnheer Van Leersum warm.
„Dat genoegen is wederzijds hoor. Ik vind het ook leuk u weer eens te zien", antwoordt Herman hoffelijk en hij meent het. Was „Leertje" niet altijd zijn lievelingsleraar?
„Hoe gaat het zo met je, heb je al werk? ", is de eerste vraag. Dan vertelt Herman in korte afgebeten zinnen hoe hij, na tientallen sollicitaties naar kantoren, banken en instellingen zojuist is aangenomen bij „De Vlijt" en afgezakt is tot boodschappenjongen.
„Ho, ho, Herman", valt Van Leersum hem dan in de rede. „Dat afgezakt is geen goed woord hoor! Je zult nu ander werk gaan doen dan je verwacht had, maar zeker geen minderwaardiger werk. In principe is ieder werk van gelijke waarde, Herman. Er moeten ministers, maar ook vuilnismannen zijn. Wat zouden die ministers moeten doen als er geen vuilnismannen waren? "
„Zelf hun vuilte wegbrengen natuurlijk", lacht Herman. Maar Van Leersum blijft ernstig: „Precies, denk daar maar eens goed over na. Jij had een zeker plan voor ogen, maar wie weet of de Heere niet heel andere plannen heeft met jou? "
't Viel mee! Dat moet Herman, na enkele maanden, eerlijk bekennen. O, zeker de eerste weken, waren moeilijk geweest. Vooral als er mensen in de supermarkt kwamen, die hij kende. Of jongens die wèl „aan de bak gekomen waren". Dan schaamde hij zich voor zijn witte jas en probeerde hen te ontlopen door vlug in een andere gang te duiken of weg te schieten naar het magazijn. Maar al gauw genoeg kreeg hij door dat dit onbegonnen werk was. Toen hij eens wilde wegduiken voor een kennis, was hij in een volgende gang boven op Piet van Dijk gebotst, een oudklasgenoot van hem. Op diens: „Nee, maar, Herman, jij hier? ", was hij rood tot achter zijn oren geworden en had hij wat onsamenhangend gestameld over: „geen werk naar mijn zin kunnen krijgen". In plaats van uitgelachen te worden, zoals hij eigenlijk verwachtte, had Piet hem een riem onder het hart gestoken, door te zeggen, dat hij het zelf ook helemaal niet zo gek zou vinden om in een supermarkt te gaan werken. „Jij hebt hier tenminste een
heleboel afleiding met al die mensen om je heen, als je daar dat muffe kantoor bij vergelijkt, waar ik werk. Van de vroege morgen tot de late avond saaie, droge rapporten tikken en hele dagen tegen het nog drogere gezicht van mr. Van Saften aan moeten kijken, poeh!!" Overdreven had Piet een zware zucht geslaakt. En al had Herman best begrepen dat Piet zo gepraat had om hem wat op te monteren, toch had hij een ondertoon van waarheid beluisterd in Piets betoog en was er iets van dat saaie-droge-kantoor in zijn gedachten blijven hangen. Na die ontmoeting met Piet ontliep hij dan ook niemand meer. En toen na een korte tijd iedereen wist dat Herman van Damme bij supermarkt , , De Vlijt" werkte, was hij er door en begon hij warempel plezier in zijn werk te krijgen.
„Zegjongeman, kun jij me soms vertellen waar ik een busje peper kan vinden? " Vragend kijkt een al wat bejaard heertje Herman aan. Vrouw ziek - moet nu boodschappen doen - is dit niet gewend - taxeert Herman direkt.
„Bij de kruidenafdeling, mijnheer", antwoordt hij hem dan. „En waar is de kruidenafdeling? ", houdt het heertje aan. „Ik loop wel even met u mee", zegt Herman bereidwillig. „Volgt u me maar." Behendig loodst hij de man door de drukte heen naar het kruidenvak.
„Wilt u zwarte of witte peper? " „Eh.... geef maar witte."
Uitbundig bedankt het heertje als Herman hem het busje overhandigt. „Graag gedaan, hoor", lacht Herman, „en als u iets niet kunt vinden vraagt u het maar." Even kijkt hij de man nog na. Dan haast hij zich terug naar het vak waar hij koffie aan het bijvullen was.
In de volgende weken wordt Herman nog verschillende malen door het heertje aangeklampt. Soms kan hij iets niet vinden, maar soms is hij zo maar verlegen om een praatje. Hij blijft dan een poosje bij Herman staan terwijl deze de vakken bijvult. Geduldig hoort Herman zijn verhalen aan. Ongemerkt ontstaat er een soort band met de man, zodat hij af en toe ook wel eens iets van zichzelf loslaat. De gesprekken duren tot de dozen leeg zijn. Dan verontschuldigt Herman zich met: „Sorry, mijnheer, 't is gezellig, maar ik moet weer verder."
„Natuurlijk jongeman, het werk moet doorgaan hè? ", haast het heertje zich te zeggen, waarna hij met afgemeten pasjes zijn weg vervolgd.
Het is op een donderdagmorgen dat het heertje aan Herman vertelt, dat hij van zijn taak ontheven is en zijn vrouw voortaan de boodschappen weer zal doen.
„Nou, mijnheer, dat is dan fijn voor uw vrouw, maar ik zal ons praatje toch missen hoor", zegt Herman.
„Dat vind ik heel sympathiek van je gezegd, jongeman", prijst het heertje.
„Hé, Herman, of je even op het kantoor wil komen." „Ik? ? ? ? " Hermans gezicht is één groot vraagteken als hij aan zijn kollega vraagt: „Waarom? "
„Ja, hoor eens, dat heb ik natuurlijk niet gevraagd", zegt de ander.
„Ja, binnen!", klinkt het na Hermans bescheiden klopje op de deur.
Wat onzeker stapt Herman binnen en staat dan oog in oog met het heertje. Deze doet net of hij Hermans verbazing niet ziet en wijst met een joviaal gebaar naar een stoel. „Ga zitten, jongeman". Verbluft volgt Herman dit bevel op. Dan ziet hij pas dat er nog enkele heren rond de tafel zitten.
Dan onthult het heertje dat hij de eigenaar is van diverse supermarkten van „De Vlijt". Om een gedegen en objektief inzicht te krijgen van de zaak en tevens van het personeel had hij enkele weken de winkel doorkruist zonder bekend te maken wie hij in werkelijkheid was.
„Ik ben onder de indruk gekomen van je vriendelijkheid en hulpvaardigheid, jongeman. Uit de gesprekken die we gevoerd hebben, weet ik datje heel wat meer in je mars hebt dan voor watje nu doet. Mijnheer Snijders, de tegenwoordige bedrijfsleider, gaat volgend jaar met pensioen en nu is mijn vraag of je genegen bent om een opleiding te volgen zodat je na verloop van tijd zijn plaats kunt innemen. Natuurlijk behoef je hier niet direkt te beslissen, jongeman", stelt hij Herman gerust, als hij diens verbijsterd gezicht ziet. „Je denkt er maar eens over na".
Even is het heel stil in het kantoor van supermarkt „De Vlijt". Dan staat Herman op en steekt zijn hand uit naar de eigenaar van de zaak. „Ik behoef er niet over na te denken, mijnheer, ik neem uw aanbod met beide handen aan "
„Wie weet of de Heere niet heel andere plannen heeft met jou", deze zin gonst steeds door Hermans hoofd als hij naar huis fietst. Die avond ligt hij heel lang geknield voor zijn bed.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1987
Daniel | 32 Pagina's