Daar waar gedachten stilstaan
Kort verhaal
„Vader, vader "
In de duisternis van de nacht staat ze naast zijn bed. Het bed kraakt zacht als Donlaar zich onrustig in de slaap beweegt. Het dringend fluisterstemmetje van z'n tienjarig dochtertje is nog niet bewust tot hem doorgedrongen.
Rillend van kou schudt ze zachtjes aan zijn arm. „Va!"
Geschrokken schiet de man rechtop in bed. „Tilda, waarom slaap je niet? "
, .Ik droomde zo raar!" Als een klem sluiten zich haar vingers om de zijne. „Over de zee, vader, ik móét naar zee." „Kind, 't is nacht, hoe kom je erbij, je hoort te slapen."
Onrustig gaat nu haar ademhaling. „Papa, tóé nu."
Verwonderd knipt Donlaar het bedlampje aan om z'n kleine in het gezicht te zien. De ernst in het kindersnoetje treft de harde zakenman. Ze hééft iets.
„Hoe was je droom Tillie, mooi of bang, of...."
„Raar papa, raar en mooi." „Hóé raar...., hóé mooi? "
Hulpeloos haalt het meisje de schouders op. Timide klinkt het: „Dat weet ik nou juist niet meer, maar ik hoop zo dat ik het weer weet, als ik de zee zié. Gaat u echt niet mee? "
„Tilda, het is nu donker, je zou toch niet veel zien. Papa moet morgen weer hard werken, en jij moet naar school. We moeten heus gaan slapen."
Als hij de teleurgestelde ogen ziet, voegt hij eraan toe: „Zodra het kan. ga ik met jou naar zee. En nu naar je kamer."
De raadselachtige blik van het kind, laat de vader niet los als ze zich zonder woorden heeft afgewend om hem alleen te laten. Wat heeft dit kind?
Na het overlijden van zijn vrouw stortte hij zich in 't zakenleven alsof dat z'n één-en-al was. Tilda kon altijd bij de buurvrouw terecht als ze uit school kwam. Morgen tóch maar eens vragen wat zij van Tilda denkt.
Een drukke werkdag is voorbij als Donlaar de klopper bij de buren op de deur doet vallen.
„Ha, Donlaar, kom verder. Je dochter heeft net 't eten binnen. Voor jou dus wél de hond in de pot."
„Geen probleem Henken. op de zaak zijn ze heel goed voor me. D'r zou geen hap meer bij kunnen. Maar schikt het jullie als ik er even in kom voor een praatje wat betreft Tilda? " Een gastvrij handgebaar. Buren uit duizend, denkt Donlaar en even is er zo'n dankbaar gevoel in z'n binnenste.
Tilda zit met de rug naar hem toegekeerd uit het raam te kijken als hij binnenkomt. „Zo dochter, zie 'k je ook weer eens? ", buigt hij zich over haar heen. Licht kust ze hem terug. „Dag vader.".... Dan staren haar ogen weer in de wijde verte van het Veluwe-landschap.
Opmerkzaam slaat hij het strakke gezichtje even gade. Dan verbreekt mevrouw Henken haar verstarring. „Kom Tilda, je moest maar eens bij de meisjes gaan kijken, ze zijn boven aan 't sjoelen." Licht onwillig verwijdert Tilda zich uit de huiskamer.
, , 'n Sigaret? " „Nee, dank je...., zeg, hoe vinden jullie Tillie de laatste tijd? "
„Tja, we zien haar maar zo kort en erg spraakzaam is ze nooit geweest, 't Lijkt me een zelfstandig kind, dat zich er stilletjes doorheen zal slaan. Heb ik het trouwens goed dat u 's morgens voor zessen al de deur uitgaat? "
„Ja, 't is druk op de zaak en voor Tilda zet ik altijd het ontbijt vast klaar, met een briefje erbij om goedenmorgen te wensen. Wat dat betreft kan ze zich wel redden. Maar verder heb ik weinig hoogte van haar. 'k Zie haar te weinig. Bepaalde reakties van haar bevreemden me nogal." „Ons ook, " peinst mevrouw Henken. „Ze heeft het de laatste tijd nogal eens over de zee. Pas vroeg ze mijn man en mij afzonderlijk, hoe wij de zee vonden. De gespannenheid waarmee ze ons antwoord in
zich opnam, was opvallend. Verder is ze veel alleen. Als ik haar voor 't eten ga halen, zit ze meestal in je huiskamer te lezen. Ook nogal eens in de grote Bijbel." „Komt ze niet direkt uit school naar jullie toe? " Verbaasd kijkt Donlaar z'n buren aan. „Dat was toch afspraak? "
„Ze wil het niet. Ze kan prima met Lettie en Jelle overweg, maar ze wil lezen, 'k Heb ook niet de indruk dat ze haar verdriet zit te koesteren. Na het vaatwassen is ze meestal ook weer gauw weg. 'k Wil haar niet dwingen. Het ene kind is nu eenmaal meer op zichzelf dan het andere."
„Toch bevalt het me niet." Donlaar strijkt moe over de ogen. „Een kind van haar leeftijd hoort te spelen en te lachen."
„Lach jij zoveel Donlaar? Nee immers? 'k Denk dat ze wat van d'r vader heeft en bovendien.... 't Is nog geen jaar geleden van je vrouw. Zo'n kind heeft tijd nodig. Jij verwerkt je verdriet op de zaak. Zij doet het op haar manier. Geef haar wat ruimte en " Onderzoekend ziet hij z'n buurman aan „Misschien wat meer tijd en aandacht? "
Een klop op de deur verstoort het gesprek. „Mag ik de sleutel papa, ik wil naar huis. Dag tante Martje, dag oom Sjaak."
Als de deur achter haar is dichtgevallen, wil het gesprek niet meer vlotten. Met een hoofd vol gedachten begeeft ook de vader van het kind zich met een korte groet huiswaarts.
„Zou je niet eens naar bed gaan Tilda.'t Is bij achten."
„Mm", klinkt het zacht. Traag tikt de grote hangklok de minuten voorbij. De tafel waaraan Donlaar zit, ligt bezaaid met stencils, boeken en kladpapier. Het werk voor het komputerbedrijf neemt hem weer volledig in beslag. Dat realiseert hij zich ineens; als de klok een reeks van tien slagen laat horen, en hij Tilda nog stil op de bank ziet zitten.
Boos op zichzelf drinkt hij z'n inmiddels koud geworden koffie op. Henken heeft gelijk. Tilda schiet er bij in. „Tilda!"
Met een schok klapt ze een dik boek dicht. Ze kijkt hem aan alsof ze uit een andere wereld komt. „Ja, ik ga al."
Maar het boze woord dat ze van vader verwachtte, blijft uit. „Nee, kom eens hier met dat boek. wat boeit mijn dochter in de dikke Van Dale? "
Ze schokschoudert. „Gewoon, kijken wat alles betekent." Haar antwoord maakt hem ineens bewust van z'n dubbele taak. Die van vader èn moeder. Kon Marja nu maar even weerkeren. Voor dit kind, dat zichzelf nu voor hem sluit als het boek dat ze zojuist dichtklapte. Kon zij maar even komen, met de juiste woorden toegang vindend tot het kinderhart. Tevergeefs zoekt hij woorden. Z'n blik rust op het zware boek waarmee ze in de handen staat. Er zit een vel papier tussen de bladzijden. „Geef 'es hier dat boek, anders ga je in bed vast verder lezen."
Na een korte aarzeling trekt ze het papier ertussenuit, reikt hem het boek aan en wenst hem goedenacht.
„Kan er geen nachtzoen meer af? "
Ongeduldig, geprikkeld, komt ze naar hem terug. In een flits ziet hij dat het vel papier gevuld is met haar ronde kinderhandschrift. Hoe snel zijn blik ook gaat. slechts drie woorden worden voor hem leesbaar: de aarde bedekt
Vannacht nog zal ik weten, neemt hij zich voor. Het is half één als hij z'n werkopdracht afheeft, de tafel heeft klaargemaakt voor het ontbijt en zich naar de slaapkamer begeeft. De deur van Tilda's kamertje staat op een kier. Geruisloos duwt hij de deur open. In het licht van de ganglamp gaan zijn ogen zoekend over het witte tafelblad van haar bureautje. Daar is niets dat op het vel papier lijkt. In het laatje of kastje misschien? Het laatje schuift soepel open. Maar het openen van het kastje geeft een korte klik. Tilda draait zich om in bed. maar slaapt toch door. Even voelt hij zich een inbreker die niets vindt.
Hij kijkt neer op het slapende kind. En dan ontwaart hij onder haar kussen wat hij zocht. Een kleine punt papier steekt er net onderuit. Voorzichtig trekt hij het weg en loopt zacht naar z'n eigen slaapkamer.
Daar leest hij ontroerd het innerlijk van z'n eigen kind: „Zee, wie ben je? Waarom heb ik altijd alleen maar plaatjes van je gezien? Waarom was ik ziek als de klas met schoolreis naar zee ging? Waarom moet papa altijd zoveel werken? Moeder, waarom doet papa dat? Waarom wil ik naar de zee? Het heeft met ü te maken moeder, vast! Waarom zijn hier zoveel bomen? Daardoor lijkt u zover weg moeder. Waar bent u nou? Ik wil weten hoe de zee is en nu ga ik lezen in papa's dikke boek, bij „zee": dat is: uitgestrektheid zout water die het grootste deel van de aarde bedekt. Er staat nog „oppervlakte" tussen.
Ik weet niet wat dat is, en papa werkt, dan mag ik niet praten. Nou praat ik maar met u hè? Op mijn papier. Moeder, wat heeft de zee nou met u te maken? In dit boek staat: „uitgestrektheid". Wat is dat precies? Volgens mij moet ik dat woord weten. Er staat een heleboel over de zee in dit boek. De meester leert ons in woordenboeken woorden zoeken. Dat is nog
wel moeilijk, maar ik kan het al een beetje. Zee: het water van de zee is zout en niet drinkbaar. Ja. dat wist ik. en dat heeft niets met u te maken. Snapte papa mij nou maar. De zee klotst voort in eindeloze deining (Kloos). Wie is Kloos? Papa rekent en schrijft. Ik zal hem niet storen. Maar als ik „eindeloze deining" lees, dan kan ik niet meer denken.
Ik lees ook in dit boek dat er in de Bijbel iets over de zee staat: en zee van ramp (Ps. 32 : 3). Voor ik ga slapen wil ik dat nog lezen. Weet u mama, dat ik al heel veel in de Bijbel gezocht heb? De Heere heeft de zee gemaakt, ik had gedacht dat Hij er in de Bijbel wel meer over vertellen zou. Maar de Bijbel is zo dik. Zo moeilijk. Toch snap ik steeds meer en tegelijk steeds minder. Hoe kan dat nou? Wat is het hart der zee? Kan een zee bloed worden, want in Openb. 8 vers 8 staat: et derde deel der zee is bloed geworden. Heeft een zee drie delen, of nog meer? "
Een grote kras over het papier geeft de plaats en tijd aan waarop hij z'n meisje ruw uit haar gedachtenwereld rukte. In bed moet ze zijn verder gegaan. Het handschrift is verder beverig, soms met grote halen, maar toch goed leesbaar: Ps. 32 : 3 .... Dies zal tot U een ieder van de vromen in vindenstijd met ootmoed smekend komen. Een zee van ramp moog' met haar golven slaan, hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan U was vroom hè moeder? U ging naar God. Maar wat is nou een zee van ramp? Is dat een heleboel oorlog? Nou aan zo'n zee denk ik niet, dat weet ik zeker. Want oorlog heeft niets met ü te maken.
In Psalm 46 zie ik opeens: Laat vrij het schuimend zeenat bruisen, d' ontroerde waat'ren hevig ruisen Moeder, nü is het weer dat woordje „vrij". „Vrij", „uitgestrektheid" en „eindeloze", dat zijn woorden, waarbij ik niet weet waarom ik niet verder kan denken. Nu ga ik maar slapen. Vader komt me niet meer toedekken. Tóch was hij niet boos "
Verstild en roerloos blijft Donlaar enkele minuten op de rand van z'n bed zitten. Tillie, Tillie, ik denk dat ik wéét wat je zoekt. Maar je gedachten willen verder dan hun reikwijdte
Na het papier weer op dezelfde plek teruggestopt te hebben, legt Donlaar zich ter ruste, met het vaste voornemen de volgende dag vrij te vragen.
't Is woensdagmiddag als een blauwe Renault de snelweg Anrhem - Utrecht - Den Haag opdraait, en al gauw grote snelheid maakt. De twee inzittenden wisselen weinig woorden. Toch geniet het meisje naast de bestuurder zichtbaar. Wanneer boven de weg de borden „Noorderstrand" verschijnen komen de tongen pas los.
, , 't Duurt nu niet lang meer of je ziet de zee Tilda!" „Hoe laat is het? " „Bijna drie uur, 't was een hele rit hè? Je moeder. Tilda, was altijd bang voor het autorijden en reizen op welke manier dan ook.... Daarom ben je hier nog nooit geweest." En weer vult hem de blijvende verbazing, dat Marja juist door een auto-ongeluk de dood moest vinden.
„Vond ze de zee wel mooi? " „Pa? "... „Wat zegje Tilda, ik dacht even aan iets anders." Haast schuldig kijkt hij haar even van opzij aan.
„Vond ze de zee wel mooi, al wilde ze er nooit heen? " „Of ze de zee mooi vond", mijmert Henk Donlaar.... en dan knikt hij. „Vast wel Mathilda, ze leek op jou, ze genoot het meest in de stilte van de natuur in onze bossen. Wanneer ze de zéé eens van dichtbij gehoord en gezien had, zou ze mischien haar angst voor het reizen ervoor hebben overgehad, om de uitgestrektheid van het water te genieten."
Oplettend kijkt hij bij deze woorden het gezichtje aan en ziet precies wat hij verwachtte. De auto is inmiddels een „P" opgereden. Met een ruk keert ze haar hoofd af van het duinlandschap dat ze, al pratende, in zich opnam. „Papa, „uitgestrektheid", wat is dat precies? "
„Stap maar eens uit, Tilda, straks zul je het met eigen ogen zien!"
Tilda's haren wapperen, en de gure novemberwind doet Donlaars jack bollen. Innerlijk gespannen lopen beide mensen zwijgend voort over het smalle duinpad, ieder vervuld met eigen gedachten. Mathilda, denkt Donlaar, zojuist noemde ik haar weer Mathilda. In een namenboek las hij eens de betekenis van haar naam: krachtige strijdster! Ze strijdt met het onvermogen van haar bevattingsvermogen, schiet het door hem heen. Dan is daar voor hen, in de diepte, die onmetelijke watermassa, kolkend en ruisend, en een koude kinderhand bergt zich in de zijne. Zeker een kwartier staan ze daar, zonder woorden. De uitdrukking op Tilda's gezicht doet Donlaar zwijgen. Bang om de loop van haar gedachten te verstoren.
Als hij na verloop van tijd weer kijkt naar de kleine gestalte naast hem. ziet hij hoe stille tranen langs haar wangen afdruppen.
„Mathilda.... is het dan niet mooi? " Als een bescherming is daar vaders hand op haar schouder. Ze snikt niet, en door het gebulder van de wind klinkt helder haar stem: „Vader, het is zo mooi, zo groot, zo
wijd! Dit is uitgestrekt. Er komt geen einde aan die zee, papa, ziet u dat? Is dat nou een eindeloze deining? Al die golven? "
, .Snap je nu ook het woordje eindeloze? Of kun je nóg niet verder denken? "
Een schok vaart door haar heen. Hoe weet papa dat ze , , Papa, ik snap er nog maar ze weinig van. Wél weet ik nu weer mijn droom! Kunt u me helpen? "
Haar vinger wijst nu naar de verre horizon. , , Daar ergens lijkt de zee wel op te houden. Komt daarna een ander deel van de zee? Vader, nu ik de zee zie, snap ik wel veel wóórden beter, maar ik dacht dat er iemand zou zijn!"
„Waar bèn je naar op zoek? " Zacht gaat zijn hand door haar warrige haar, en groot staan haar ogen in de zijne: „Vader waar is moeder? Eens vertelde u mij dat zij in de eeuwigheid is. De eeuwigheid houdt toch nooit en nergens op? De zee óók niet! Dat zag ik op de plaatjes, dat zag ik in mijn droom en dat zie ik nu Maar, toen ik droomde, was móéder bij de zee! Als dan bij de zee de eeuwigheid is, waarom is moeder dan nergens te zien? "
„Mathilda toch, jij zoekt de plaats waar moeder is, en die plaats zul je in dit leven op aarde nooit vinden. De eeuwigheid is zonder einde, de zee lijkt slechts zonder einde, maar aan de overkant ligt weer een ander land. Dat land zie je hiervandaan niet, omdat de aarde rond is en het land ver weg. Niets op deze aarde is zonder einde!" Niet begrijpend staart ze over de wijde en woelige vlakte. Als op afspraak dalen ze het duin af richting strand.
Voor de vloedlijn staan ze stil.
Vragend kijkt Donlaar z'n dochtertje aan. Wel begrijpend dat alles zeer verwarrend voor haar moet zijn.
„Wat is dan de eeuwigheid, vader? Ik geloof dat ik helemaal niet snap hoe iets zonder einde er dan uitziet."
„Dat is ook heel moeilijk te begrijpen Tilde, voor elk mens, ook voor je vader. We leven nu in de tijd. Eigenlijk is de tijd van ons léven het eerste stukje van de eeuwigheid dat we beleven. Die tijd houdt voor ons allen eenmaal op. Eens zal de klok de laatste minuut van ons leven wegtikken. Daarna komt voor elk mens een leven, waarin geen klokken meer tikken, omdat er dan geen tijd meer bestaat.
In dat leven ben je óf voor altijd^elukkig, óf voor altijd ongelukkig, daarover heb ik je wel eens meer verteld. Maar aan dat leven zal nooit een einde komen."
„Maar waar vader, waar is dan de eeuwigheid? " „Mathilda! Moeders lichaam is nog op aarde, maar haar ziel is bij God. Bij Hem is eeuwigheid!"
„Maar God is toch overal? Is moeder dan óók overal? " „Nee, Tilda, een mens is nooit met God te vergelijken. Voor moeder was een plaats bereid in de hemel en waar dat precies is, dat is voor ons nog verborgen. Maar, daar waar onze gedachten stilstaan moet Gód een plaats krijgen. Zijn gedachten zijn veel hoger dan de onze!"
Nee, alles snappen doet Tilda nog niet. Tóch is ze blij. Blij, dat haar vader naast haar staat en haar gedachten weet. Blij dat ze nu weet, dat zij niet de enige is voor wie raadselen bestaan
, , 't Wordt schemerig, meisje.... Een beetje tevreden zo? " Dankbaar knikken is het enige antwoord en langzaam wenden zij zich af van het roerig zeegezicht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 januari 1987
Daniel | 32 Pagina's