JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

't Is geen kunst om van je geld af te raken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

't Is geen kunst om van je geld af te raken

vraaggesprek met de heren G. Roos en ir. A. Waaijenberg van het deputaatschap Bijzondere Noden

9 minuten leestijd

door G. P. P. Hogendoorn

Sinds enkele jaren wordt in onze gemeenten de Noodklok verspreid. Dat is een uitgave van het Deputaatschap tot Hulpverlening in Bijzondere Noden. Kunt u iets vertellen over de doelstelling en de geschiedenis van dit deputaatschap?

Daarvoor moeten we een flink aantal jaren terug, en wel naar de oorlogsjaren. Van verschillende kanten werd er toen spontaan hulp geboden aan oorlogsslachtoffers. Zo ging er vanuit Rijssen hulp naar het door het bombardement getroffen Rotterdam. Direkt na de oorlog stelde onze Generale Synode een „commissie tot hulp aan oorlogsslachtoffers en verwoeste kerken" in. Uit deze kommissie is ons deputaatschap ontstaan. Onze naam geeft ook aan wat het doel is: hulpverlening bij bijzondere noden, al was in de beginjaren niet duidelijk omschreven wat dit precies inhield. De hulpverlening was voor een groot deel gericht op hulp aan noodlijdende kerken en bijstand wanneer gemeenteleden bijzondere ongevallen overkomen waren. In en na 1953 was er natuurlijk daadwerkelijke hulpverlening aan de getroffenen door de watersnood. In 1962 werd er hulp verleend aan de getroffenen door de polioepidemie. Zo is in de loop der jaren ons deputaatschap steeds meer spontaan opkomende akties vanuit onze gemeenten gaan kanaliseren.

Het lijkt me dat de nadruk in de loop der jaren verschoven is van binnen-naar buitenlandse hulp. Kijk maar naar de jongste Noodklok. Hoe komt dat?

Die verschuiving is er inderdaad, al was er ook vroeger wel aandacht voor het buitenland. Toen in 1965 de Hongaarse Opstand plaatsvond en duizenden vluchtelingen ook naar ons land kwamen, werd voor hen geld ingezameld. Er kwam oog voor vervolgde en in armoede verkerende geloofsgenoten in het buitenland. In de zestiger jaren nemen het aantal akties toe: India, Pakistan, Biafra, Peru. De Generale Synode van 1971 verruimt daarom de opdracht en stelt vast dat er ook hulp over de landsgrenzen geboden moet worden. Hoe dat zo gekomen is? Door de media zijn we steeds meer gekonfronteerd met noden, vaak schrijnend. De welvaartsstijging maakte het ook gemakkelijker iets bij te dragen aan het lenigen van veel nood. Ook de aktiviteiten van een stichting als Woord en Daad zijn erg stimulerend geweest.

U noemt Woord en Daad. Zo zijn er meer, vaak interkerkelijke, organisaties die goed werk doen in het buitenland. Kan het deputaatschap zich niet beter beperken tot binnenlandse hulp voor de kring van onze eigen gemeenten, zoals bij de aangepaste woningen voor polio-patiënten en bij een brand als in Enschede en De Rijp?

Als partikulier kun je steun verlenen aan vele organisaties die goed werk verrichten,

zelfs aan een neutrale organisatie als het Rode Kruis. Bij hulp vanuit de christelijke gemeente ligt dat toch anders. Kerkelijke hulpverlening kun je het best diakonaat noemen. En dat moet zo mogelijk altijd samengaan met Woordverkondiging. Dan vallen neutrale organisaties en allerlei landelijke akties al gauw af. Dat ligt bij organisaties als Woord en Daad, Friedensstimme, Kom Over en Help en ZOA — en er zijn er nog wel meer te noemen — anders. Met hen werken we dan ook wel samen. Voor Friedensstimme hebben wij bijvoorbeeld de kosten voor twee bindmachines en de kosten voor transport van bijbels betaald. Het is ook zeker een goede zaak als het werk van deze organisaties door tal van leden van onze gemeenten gesteund wordt. Hoewel ze niet altijd geheel een weerspiegeling vormen van de identiteit van onze gemeenten. Zodra er in de kerk echter een kollekte wordt gehouden, is dat een kerkelijke kollekte. Op de besteding daarvan behoort kerkelijke kontrole te zijn. Voor de plaatselijke diakonieën is dat moeilijk. Daarom doet ons deputaatschap dat. Bovendien is er nog het verschil, dat tal van organisaties slechts op een bepaald doel gericht zijn: ZOA op hulp aan vluchtelingen, Friedensstimme en Kom Over en Help op vervolgde christenen achter het ijzeren gordijn enz. Ons Deputaatschap verleent hulp op tal van terreinen, kijk maar in de Noodklok. Wij zijn ook meer op noodhulp gericht, bij rampen dus. Dat onderscheidt ons bijvoorbeeld van Woord en Daad. Zij doen meer, watje zou kunnen noemen, christelijk ontwikkelingswerk en dat leidt tot langdurige projekten. Wij hebben ook wel een enkel projekt van Woord en Daad gesteund. Daartegenover staat dan dat zij geen afzonderlijk beroep doen op onze kerkeraden. U moet dergelijke organisaties niet als konkurrenten van ons Deputaatschap zien. Over en weer zijn er regelmatig kontakten.

Welke terreinen van hulpverlening ziet u als taak voor diakonale hulpverlening buiten onze grenzen?

Drieërlei. Allereerst noodhulp bij rampen. Denk maar aan de voedselhulp aan de door extreme droogte getroffen gebieden in Afrika. Vervolgens verlenen we hulp aan verwante groepen, zeg maar zustergemeenten in Canada, de V.S. en Nieuw Zeeland. Dit is vooral gericht op het ondersteunen van eigen, christelijk onderwijs, wat in die landen niet door de overheid gesubsidieerd wordt. Tot slot is er nog de hulpverlening op onze zendingsgebieden. Dit staat nog in de kinderschoenen, maar kan in de toekomst een belangrijk onderdeel van onze taak worden.

Is dat niet wat vreemd dat uw deputaatschap ook geld gaat inzamelen voor — zeg maar — de zending. Gaat dat ook geen verwarring geven in de gemeenten. Wat is de achtergrond hiervan?

De taak van de zending is natuurlijk in de eerste plaats Woordverkondiging. In onze gemeenten is echter ook steeds het besef geweest dat geneeskundige hulp en bijvoorbeeld onderwijs als „nevendiensten" onlosmakelijk met de prediking verbonden zijn. Het gaat in de zending om Woord èn daad. De Heere Jezus predikte, maar genas ook zieken.

In het verlossingswerk van Christus gaat het om ziel èn lichaam. Daarom wordt er op onze zendingsvelden ook landbouwkundige hulp gegeven, zodat er voldoende en gevarieerd voedsel verbouwd kan worden. Waar liggen echter de grenzen? Waar gaat deze hulp over in ontwikkelingshulp? Denk ook aan de droogte in Bophuthatswana. Daar moet je als zending toch helpen. In Irian kan de zending vrijwel niet zonder helikopters, ook daar is geld voor nodig. Soms verongelukt een helikopter of vliegtuigje, dan is plotseling opnieuw geld nodig.

Enerzijds deed de zending soms al een beroep op ons deputaatschap om hulp en anderzijds kwam de zending zelf voor de

vraag te staan: komen er niet te veel nevendiensten naast de hoofdtaak van de verkondiging van het evangelie.

De Generale Synode van 1983 besloot daarom een kommissie te benoemen die zich moest gaan bezinnen op deze problemen en te onderzoeken hoe Zending en

Bijzondere Noden zouden kunnen samenwerken.

Die kommissie is intussen met een rapport gekomen. Wat is daarin het antwoord op de vraag waar de grens ligt tussen Woordverkondiging en diakonaat op het zendingsveld?

In het rapport staat daarover het volgende: „De kerk heeft bij haar ambtelijke verantwoordelijkheid op het zendingsveld de eigen aard van de onderscheiden ambten in acht te nemen. Zo is de prediking van het Woord in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de dienaren des Woords en van de evangelisten. Het ligt voor de hand, dat zendinsdeputaten zich in principe richten op de kerndienst, de verkondiging, en wat daarop rechtstreeks betrekking heeft. Maar er is ook plaats voor bijzondere diakonale verantwoordelijkheid. Het ligt voor de hand dat diakonale deputaten zich in principe richten op nevendiensten. Maar het gaat hier, zoals gezegd, om een principiële, een hoofdzakelijke, en niet om een volstrekte scheiding/' Dat betekent dus inderdaad dat ons deputaatschap op het zendingsterrein meer en meer diakonaal werk zal gaan ondersteunen. Er is daarom voorgesteld ons deputaatschap de naam te geven van Deputaatschap voor Bijzondere en Diakonale Noden.

Gaat dat op de zendingsvelden zelf geen verwarring geven?

Nee. want het daadwerkelijke kontakt met het zendingsveld zal voorlopig vanuit het Zendingsdeputaatschap blijven verlopen. In Nederland zelf zal er wel een permanent orgaan van overleg gevormd worden tussen beide deputaatschappen, zodat de samenwerking zo goed mogelijk zal kunnen verlopen. Afgesproken is dat om praktische redenen het medisch werk vooralsnog onder het zendingsdeputaatschap blijft vallen en dat wij het landbouwwerk en het onderwijs zullen ondersteunen.

In het verleden gaven wij op die terreinen ook al steun. Zo heeft ons deputaatschap bijvoorbeeld bijgedragen aan de bouw van een asrama, een soort internaat voor jongens uit het binnenland van Irian die zo aan de kust in Wamena voortgezet onderwijs kunnen volgen. In Izi hebben wij voedselhulp gegeven en in Zuid-Afrika landbouwhulp in de vorm van zaaizaad en pompen voor de watervoorziening.

Hoe zit het met de financiën? Er is iemand aangetrokken als een soort voorlichtingsman, deputaten maken reizen naar de noodgebieden, het diakonaal werk op de zendingsvelden zal meer geld gaan kosten. Komt er voldoende binnen?

Er wordt door onze mensen heel goed gegeven. Koliekten en giften brachten in 1985 ƒ 1.212.000, - op. Natuurlijk is het wel zo dat er zoveel nood is, dat wij nog meer geld goed zouden kunnen gebruiken. Mede daarom is de heer Boender aangetrokken als voorlichtingsman. Hij werkt eigenlijk pro deo, maar krijgt natuurlijk wel onkostenvergoeding. Het was voor het deputaatschap onmogelijk zelf voldoende aan voorlichting op bijvoorbeeld scholen, gemeenteavonden en jeugdverenigingen te doen. Dat doet de heer Boender nu. Ook bedenkt en begeleidt hij aktiviteiten die erop gericht zijn geld in te zamelen. Verschillende scholen doen bijvoorbeeld mee aan de „prikkaarten-aktie". Op een kaart zijn vakjes aangebracht met ingevulde bedragen van ƒ 0, 50, ƒ 1, 00 en ƒ 2, 50. De kinderen gaan met die kaart langs bij familie en kennissen en proberen hun kaart vol te krijgen. Zo'n kaart brengt dan ƒ 60, 00 op.

Krijgt u vanuit de gemeenten wel eens vragen over de reizen van de deputaten? Of die wel nodig zijn en niet te veel geld kosten? Je leest in de krant wel eens dat er bij bepaalde organisaties te veel geld , , aan de strijkstok blijft hangen".

Je ontkomt er natuurlijk niet aan bepaalde kosten te maken. Er zijn organisaties waar die onkosten ver boven de 10% van de inkomsten liggen. Dat vinden wij te veel. Uit ons jaaroverzicht aan de Generale Synode hebt u kunnen zien dat dit percentage bij ons op ongeveer 3Vi ligt. Zo'n reis naar bijvoorbeeld Afrika gebeurt weloverwogen. In Soedan zijn door ons deputaatschap duizenden mensen geholpen met voedsel, 't Ging hier om een bedrag van ƒ 600.000, - . 't Geen kunst om je geld kwijt te raken, maar dat moet wel verantwoord gebeuren. Je ontkomt dan niet aan kontrole op de besteding. Je hoort te vaak dat hulp anders niet op de bestemde plaats aankomt. Wij zijn geen „doorgeefluik" zondermeer. Verantwoorde besteding is plicht. Bovendien zijn deze reizen ook bedoeld om te kijken of het niet mogelijk is juist ook bepaalde min of meer verwante christelijke groeperingen te helpen. Denk aan de bijbelse opdracht: Laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs" (Gal. 6 : 10).

Hebt u nog een slotopmerking?

Als je iets ziet van de nood in de wereld, dan word je — als 't goed is — verlegen. Wij hopen dan ook dat het diakonaal besef, ook onder onze jongeren, levend blijft. Wie in eigen leven heeft ervaren dat de Heere goed is, zal toch ook de (verre) naaste een warm hart toedragen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1986

Daniel | 36 Pagina's

't Is geen kunst om van je geld af te raken

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1986

Daniel | 36 Pagina's