Evangelisch of reformatorisch ?
Woorden zijn in beweging. Dat blijkt ook als we in deze tijd de begrippen evangelisch en reformatorisch trachten vast te leggen. Oorspronkelijk was er geen verschil. De reformator Maarten Luther werd door het Duitse volk als „doctor evangelicus" aangeduid. Het was juist zijn werk als reformator om het licht van het Evangelie weer op de kandelaar te verheffen om op te roepen het alleen met het Woord van God te wagen. Sola Scriptura! De protestantse kerk in Duitsland heet dan ook nog steeds Evangelische Kirche.
In Engeland wordt het begrip „evangelisch" sinds het midden van de 18e eeuw vooral in verband gebracht met de opwekkingsbewegingen van orthodoxe protestanten binnen en buiten de Anglicaanse kerk, terwijl in het 19e eeuwse Nederland de bepaald wef-orthodoxe Groninger richting in de theologie zich eveneens graag evangelisch noemde, zich daarmee afzettend tegen de overgeleverde orthodoxe kerkleer en zich alleen richtend op de persoon en de prediking van Jezus van Nazareth.
De evangelische beweging in Engeland
Eigenlijk zijn hiermee al drie betekenisvelden van het begrip „evangelisch" aangeduid. Daarbij is tevens duidelijk dat in de huidige betekenis dit woord het dichtst aansluit bij de evangelische beweging in de Angelsaksische wereld, die daar al sedert meer dan twee eeuwen van belang is geweest. Als reactie op een redelijke godsdienst, die het verzoenend handelen Gods door Christus' Borgwerk volkomen onnodig achtte en Jezus slechts als een voorbeeldig moraalprediker zag, accentueerden mensen als John en Charles Wesley en John Whitefield juist de zonde van de mens en zijn onvermogen om zichzelf te verlossen. Zij benadrukten de noodzaak en de algenoegzaamheid van de Openbaring Gods in de Heilige Schrift en de noodzaak van het toepassende werk van de Heilige Geest. Vanaf 1729 vormden zij samen met anderen een groep om in strikte, nauwgezette vroomheid te leven (sterk methodistisch gekleurd), terwijl zij later met een grote zendingsdrang bezield heel Engeland doortrokken om mensen op te roepen toch te geloven in de levende God en Zijn beloften. Duizenden kwamen tot verandering en beleden hun geloof. Bijbelklassen werden gevormd om de Schrift te bestuderen, voor gebed en schuldbelijdenis werd veel tijd vrijgemaakt en vele nieuwe geestelijke liederen ontstonden die met graagte werden gezongen. Door de wrijvingen met de Anglicaanse kerk scheidden deze methodistische evangelischen zich af, maar het opmerkelijke feit deed zich voor dat ook in de Anglicaanse kerk een dergelijk revival ontstond door predikers die weliswaar trouw bleven aan de kerkelijke praktijk van de Church of England, maar anderzijds een overtuigend bijbels getuigenis aflegden.
Onderlinge verschillen
Overigens is het nuttig om op te merken dat vanaf het begin al verschillen tussen de evangelicals openbaar kwamen. De beide Wesley's en hun volgelingen legden namelijk alle nadruk op de menselijke verantwoordelijkheid, oproepend tot het aanvaarden van Gods roepstem om zich te bekeren, terwijl juist de in de Anglicaanse kerk gebleven evangelischen meer nadruk legden op Gods vrijmacht en souverein handelen naar Zijn welbehagen. De methodisten waren over het algemeen remonstrants
gericht, de anglicaanse evangelicals waren (gematigd) calvinistisch.
Zendingsdrang
Kenmerkend voor de evangelischen in de Engelssprekende wereld is het ontplooien van een grote zendingsdrang door het groeiende besef dat de blijde Boodschap aan heidenen veraf en dichtbij gebracht moet worden. Het Brits en Buitenlands Bijbelgenootschap en allerlei zendingsgenootschappen, in het begin van de 19e eeuw opgericht, zijn hieruit ontstaan. Eveneens typerend is de grote sociale bewogenheid, uitkomend in allerlei acties, gericht op bijvoorbeeld de afschaffing van de slavenhandel en de slavernij en op bescherming van vrouwen en kinderen in mijnen en fabrieken.
Evangelische Alliantie
Nationale en internationale verenigingen moesten de geestelijke eenheid van de evangelische christenen nader accentueren. Als zodanig is de oprichting van de Evangelische Alliantie in 1846 van groot belang geweest. Deze Alliantie had eveneens ten doel om alle evangelischen te verenigen tegenover oprukkend modernisme in theologie en kerk. Als gemeenschappelijke basis aanvaardde men toen een aantal punten, zoals de goddelijkheid en genoegzaamheid van de Heilige Schrift, de Drieëenheid, de menswording van Gods Zoon en Zijn verlossingswerk, het werk van de Heilige Geest in de bekering en heiliging van de zondaar en het recht en de plicht van elke gelovige om zelfstandig te oordelen bij de uitlegging der Schrift (dit laatste tegen Rome gericht!).
In Nederland
Ook in Nederland kreeg de Evangelische Alliantie aanvankelijk voet aan de grond. De vijfde algemene vergadering werd daardoor in 1867 te Amsterdam gehouden. Groen van Prinsterer was zelfs één van de sprekers op het congres. De zwakke plek kwam toen echter al openbaar, doordat prof. Hofstede de Groot, nota bene de „vader" van de Groninger richting in de theologie en als zodanig een bestrijder van de Calvinistische orthodoxie, de basis eveneens kon onderschrijven. Dr. A. Kuyper had dan ook al vrij snel zijn vertrouwen in deze evangelische beweging verloren. Mede door zijn toedoen is de evangelische beweging in ons land tot diep in de 20e eeuw dan ook erg zwak geweest. Dat is niet zo gebleven. Ook internationaal gezien, kan met name nä de Tweede Wereldoorlog van een duidelijke opleving van de evangelische beweging gesproken worden.
Voor Nederland geldt dit zelfs in versterkte mate. De toenemende verwereldlijking binnen en buiten de kerken, én een horizontalistische prediking waarin niet meer werd opgeroepen tot wedergeboorte, bekering en persoonlijk geloofsleven, zijn zeker als oorzaken hiervoor aan te wijzen.
Tal van vrije groepen zijn inmiddels gevormd; allerlei bewegingen zijn van Amerikaanse bodem naar hier overgewaaid, zoals Youth for Christ, de Navigators, Youth with a mision, de evangelisatie krijgt nieuwe impulsen van organisaties als Operatie Mobilisatie en verschillende Bijbelscholen. Ook in Nederland is het gekomen tot oprichting van enkele overkoepelende organisaties, zoals de Evangelische Zendingsalliantie (EZA) en de Evangelische Alliantie (EA). In de Evangelische Omroep en de Evangelische Hogeschool hebben we met duidelijk parallelle verschijnselen te maken.
Het is duidelijk: in de Nederlandse kerkprovincie is de evangelische be-
weging opvallend aanwezig. Wereldwijd gezien vormen de evangelischen waarschijnlijk zelfs de meerderheid onder de protestanten, waarbij dan met name aan de Verenigde Staten en de Derde Wereldlanden moet worden gedacht.
De evangelische beweging nü
In het verleden bleek de onderlinge verscheidenheid onder de evangelische christenen al duidelijk aanwezig. Dat geldt ook voor het heden. Onder de evangelische christenen zijn verschillende vleugels te herkennen. Een man als Billy Graham is een duidelijke middenfiguur, maar er zijn ook behoudende christenen onder hen die sterk fundamentalistisch denken en zich dus alleen op de Bijbel beroepen. Anderen zijn weer meer confessioneel ingesteld en hechten daardoor wél waarde aan de kerk en aan de noodzaak de dwaalleer te bestrijden. Er zijn echter ook radicale evangelischen, vooral in Zuid-en Noord-Amerika die de nadruk leggen op sociaal-politieke activiteit en waardering hebben voor tal van standpunten van de Wereldraad van Kerken.
Gemeenschappelijke kenmerken
Maar, hoe het ook zij, er zijn ook in onze tijd gemeenschappelijke kenmerken aan te wijzen. Volgens prof. K. Runia zijn dat dan in de eerste plaats de onvoorwaardelijke aanvaarding van de Heilige Schrift als het gezaghebbende Woord van God voor ons. Op dit punt is duidelijk sprake van invloed vanuit de Reformatie. Vervolgens is typerend de persoonlijke verbondenheid met de Heere Jezus door het werk van de Heilige Geest. Impulsen hieromtrent zijn ontvangen vanuit het Engelse puritanisme, het Duitse piëtisme en de Nederlandse beweging der Nadere Reformatie. Tenslotte noemt Runia de nadruk op de zendingstaak van alle gelovigen. Hier is duidelijk sprake van een erfenis der achttiende-en negentiende-eeuwse opwekkingsbewegingen. Je zult zeggen: allemaal positieve zaken! „Wij belijden opnieuw de goddelijke inspiratie, de betrouwbaarheid en het gezag van de oud-en nieuwtestamentische geschriften in hun totaliteit als het enige geschreven Woord van God. Het is zonder dwaling in wat het uitspreekt en het is de enige onfeilbare maatstaf voor geloof en leven", verklaarde het Internationale Wereldcongres voor Evangelisatie te Lausanne in 1974. Geloof is geen zaak van formeel lidmaatschap van een kerk, maar allereerst een zaak van het hart, vrucht van persoonlijke ervaring van een doorlééfde verandering. Het lezen van de Bijbel is geen verstandelijke aangelegenheid zonder meer, maar worstelen om licht van boven. Bidden is niet een aantal dingen vragen, maar het hart uitstorten voor de Heere.
Waar is onder ons de trouw aan de Bijbel, het openlijk getuigen, het afzonderen van tijd voor gebed, de beleving van de gemeenschap in het geloof, het opzoeken van verslaafden aan drank en drugs, het wijzen op de ene weg tot behoud? Op zichzelf allemaal voortreffelijke dingen! En daarom allereerst: de hand in eigen boezem.
Bezwaren
Maar toch mogen de bezwaren niet ongenoemd blijven.
In de eerste plaats blijkt, ondanks de erkenning van het gezag van Gods Woord, de uitleg ervan grote verschillen op te leveren. Dat komt zeer zeker door het ontbreken van een gemeenschappelijke evangelische theologie. Runia merkt op dat het zich op de éénheid der Schrift eigenlijk ontbreekt. Daardoor is men tot heden ook niet veel verder gekomen dan een basis met een aantal losse punten. En juist ten aanzien van de profetische boeken van de Bijbel, waaronder ook de Openbaring, kan het recht en de plicht van elke gelovige om zelfstandig te oordelen bij de uitlegging der Schrift, tot de meest wonderlijke constructies leiden. Denk maar aan de boeken van Hal Lindsey (zoals , , De planeet die aarde heette") die ook onder ons tijdelijk nogal indruk gemaakt hebben.
De bekering
Een nog belangrijker bezwaar moet ingebracht worden tegen de wijze waarop over de bekering wordt gesproken en deze wordt beleefd. Bekering is heel vaak in evangelische kring: voor Jezus kiezen. Het geloof lijkt dan een daad van de vrije wil van de mens te zijn. Over het toeleidende werk van de Heilige Geest, als het overtuigen van zonde, gerech-
tigheid en oordeel, hoort men niet veel. De „geloofsbeslissing" is vaak ook heel plotseling en vindt bijna altijd in de massale groep plaats. Een sterk remonstrantse trek is helaas niet te ontkennen: wij moeten geloven, wij moeten ons bekeren, wij moeten als een wedergeboren christen gaan leven. En al is dit allemaal op zichzelf genomen waar, over het arme zondaarsleven dat geen voeten heeft om te gaan en geen handen om aan te grijpen, hoort men nauwelijks.
Doop
De nadruk op de persoonlijke bekering, de persoonlijke geloofsbeslissing verduistert ook het zicht op het verbond der genade, op grond waarvan de doop van jonge kinderen mag plaatsvinden. De doop als teken en zegel van Gods verbondstrouw wordt miskend, waardoor de doop niet meer is dan een teken van mijn geloof. De kinderdoop en trouwens de gehele leer omtrent het verbond staat bij de evangelischen dan ook niet hoog aangeschreven, reden waarom evangelischen vaak tot herdoop overgaan. En als men eenmaal wedergeboren christen is, dan valt op dat er eigenlijk nooit meer sprake is van aanvechtingen. Ds. Veldhuizen geeft in „Sekten en stromingen" een goede typering door te zeggen dat het zwarte hart wit wordt en nooit meer vaal of grijs. De strijd van Romeinen 7 lijkt veel evangelische christenen voorbij te gaan. Het geestelijk niveau van vraag en antwoord 114 van de Heidelbergse Catechismus is men op deze wijze helaas vér te boven.
De kerk
Als laatste bezwaar moet genoemd worden, dat de kerk als zichtbaar instituut gemakkelijk wordt verwaarloosd. Ook als men als evangelisch christen in de kerk blijft, voelt men zich in de kleinere kring van gelijkgezinden toch méér thuis. Deze kring gaat dan min of meer de funktie van de kerk overnemen. Een échte gemeente is immers een gemeente van louter wedergeborenen. En zolang die gemeente niet bestaat, dan moet er gebeden worden om een opwekking, een reveil, en is men niet zozeer verlegen om een reformatie van de kerk als instituut.
De Reformatie
Om deze redenen moeten we huiverig zijn voor het geestelijke klimaat dat de evangelische beweging beheerst. Dat sluit waardering voor bijvoorbeeld levensstijl en levensernst en zelfs samenwerking op maatschappelijk-ethisch vlak niet uit. Maar nóch theologisch, nóch in de praktijk van het geloofsleven kunnen we met de evangelische christenen overeenstemmen.
De Reformatie wijst ons een betere weg! De weg van het welbehagen Gods, waarin we erkennen dat niet een zondaar met God begint, maar de Heere met een zondaar. Dit te stellen is puur reformatorisch, omdat het bijbels is. Alle mensenwerk dient bij de wortel afgesneden te worden. Er is niemand die naar God vraagt, maar het wonder is dat God met mensen, goddeloze zondaren te doen wil hebben. Om daaraan ontdekt te worden, is de Heilige Geest nodig.
Zonder die Geest weet de mens niet wie God is en wie hij is tegenover Hem. Zonder de Heilige Geest is er ook geen behoefte aan de Borg en Middelaar Jezus Christus. Alleen door het geloof in Hem is er zaligheid. Het is puur reformatorisch om de rechtvaardiging door het geloof te belijden. En dat geloof is Gods gave. En zo kan Gods kind, met de Heidelberger Catechismus zijn vrijspraak belijden door de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid
van Christus, die hem zo wordt toegerekend alsof hij nooit zonde gehad en bedreven had, ja, alsof hij zelf al de gehoorzaamheid had volbracht, die Christus voor hem volbracht heeft. En dat reformatorisch belijden dringt tot het samenkomen en samenleven onder één Hoofd en één lichaam. Daarom schrijven reformatorische christenen de kerk niet af, omdat God haar niet afschrijft. De Heere wil er Zijn Woord profetisch in bedienen, koninklijk in handhaven en priesterlijk in de praktijk brengen door de drie ambten die Hij Zelf heeft ingesteld. En door de bediening van de sacramenten wil de Heere Zijn Woord betekenen en verzegelen. Daarom is de kerk naar reformatorische opvatting enerzijds geen gemeente van louter wedergeborenen, maar anderzijds ook geen verzameling van op zichzelf staande individuele personen. Nee, zij is een gemeente van jongen en ouden onder wie Gods verbond der genade bediend wordt. En deze kerk legt tegenover degenen die buiten zijn getuigenis af van haar geloof in de vorm van een belijdenis. De Reformatie heeft de kerk teruggevoerd tot de gehoorzaamheid aan het Woord alléén. Sola Scriptura! Maar daarom ook heeft men de inhoud van dat Woord willen samenvatten om het zó beknopt bij zich te hebben als een wapen in de strijd.
Ook dat is puur reformatorisch! Woorden veranderen. Dat zagen we ten aanzien van het begrip „evangelisch". Dat geldt ook voor het woord „reformatorisch". Vooral onder ons wordt het woord misschien wel te veel gebruikt. Het is in ieder geval niet goed als we zelfs van een reformatorisch bungalowpark gaan spreken.
Daarom geldt het ook hier: terug naar de bronnen, de bronnen van de reformatorische bijbelse geloofsgetuigenissen, zoals die in de 16e en 17e eeuw zo krachtig uit het Woord van God zijn opgeweld.
Een reformatorisch christen is een bijbels christen; een christen die weet van de getuigenis van Gods wet en die het evangelie (!) hartelijk liefheeft, omdat daarin het hart van Gods welbehagen klopt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1986
Daniel | 33 Pagina's