Wonende onder de lofzangen Israëls
Wat hebben herdenking van de Hervorming en zingen met elkaar te maken?
Wat hebben herdenking van de Hervorming en zingen met elkaar te maken?
door drs. P. C. den Uil, organist van de Petra-kerk en dirigent van een regionaal jongerenkoor
Weieens zangles gehad? Nee, niet tegen veertig gulden per uur, maar gratis? Zangles van he vogeltje in de tuin? Muziekonderwijs uit het boek der natuur?
Hoewel je daar dan niet leert hóe je moet zingen, je krijgt er wél de les gelezen, dat je moe zingen! Zo verging het Luther althans. Hoe vergaat het ons?
Luther
Bij een herdenking van de Hervorming valt, alsof het niet anders kan, altijd de naam Luther. Wel, het kan ook niet anders! Waarom dat zo is? Omdat Luther in de ommekeer, die wij reformatie noemen, zo'n centrale rol speelde — zó belangrijk voor de ontwikkeling van kerk en maatschappij — dat wij eenvoudig niet zonder Luther over de hervorming kunnen spreken. Evenzo is het onvermijdelijk over muziek te spreken, zodra wij Luther in herinnering roepen. Waarom? Omdat de muziek zó eigen was aan Luther, datje een mislukt portret van de reformator maakt als je daarvoor zwijgt in het herdenken. Als iemand die verknocht is aan de muziek, zulke zinnen opschrijft, zullen wantrouwende lezers al spoedig denken:
„Typisch een dirigent of organist, die probeert Luther voor zijn hobby-karretje te spannen!"
Zó persoonsgebonden liggen de zaken beslist niet! Want dat Luther niet buiten de muziek om herdacht kan worden op een wijze die hem recht doet, blijkt uit twee bewijzen: uit Luthers nagelaten muziekwerken en uit Luthers uitspraken over de muziek. Van elk een veel te korte uitstalling.
Laten we beginnen met zijn woorden!
- „Een schoolmeester moet kunnen zingen; anders kijk ik hem niet aan".
- „Na de theologie geef ik de muziek de hoogste plaats en eer".
- „Laat de wereld maar vernemen dat het Woord Gods tot danken en zingen stemt".
- „Ik werd eens heftig aangevochten. Aan de lavendelboom in de tuin heb ik het lied gezongen „Christum wir sollen loben schon". Anders was ik vergaan".
Uit tafelgesprekken, voorredes bij gezangenboeken, brieven e.d. weten wij dat Luther de muziek in het algemeen, het zingen in het bijzonder, als een scheppingsgave zag, die het gevoel opwekt en de duivel weerstand biedt.
Bij woorden liet Luther het niet. Laten we daarom voortgaan met zijn daden. Luther was enthousiast zanger. Hij speelde luit en fluit. Ook componeerde hij melodieën, schreef meerstemmige muziek, en bewerkstelligde dat de gemeente weer zingend aan het woord kwam. Terecht wordt Luther dan ook de grondlegger van de protestantse kerkmuziek genoemd. Van Luthers hand zijn o.a. „Nun freut euch lieben Christen gemein", „Gelobet seist du Jesu Christ", „Jesaia dem Propheten", „Ein feste Burg" en „Von Himmel hoch".
Hoe hebben deze liederen Bach geïnspireerd!
Wie nu van Luther een toonkunstenaar maakt, vergist zich. Zijn kunst was middel. Hij had er oog voor dat muziek gebruikt en misbruikt kan worden. Zijn talrijke knipoogjes naar de muziek waren evenzovele blijken van dankbaarheid jegens de Gever van de muziek: „Ich wolt alle Künste, sonderlich die Musica, gerne sehen im Dienst des, der sie gegeben und geschaffen hat". En hoe zou die scheppingsgave beter tot zijn recht komen dan bij het zingende schepsel?
Maar we mogen niet volstaan met een beschouwing over Luthers woorden en daden. Luthers doel was immers de gemeente — ons dus — te laten.... zingen! Wie Luther — de ware Luther, de gehele Luther — wil herdenken verplicht zichzelf te gaan zingen. Luther zélf is het, die dat van hem of haar vraagt.
Het zou niet reformatorisch zijn iets te
doen of te laten, alléén maar omdat Luther het zegt. Dat zou eerder rooms zijn! Willen we ons in het spoor van de reformatie begeven, dan zullen we Luthers spreken over de muziek moeten toetsen aan de normen van Gods Woord. Wij hebben te onderzoeken of het Lutherse ook bijbels is! Vinden wij een hoge waardering voor de muziek terug in de Bijbel? Komen we de oproep om te zingen tot Gods eer in de Heilige Schrift tegen? Is Luthers muzikale hart het hart van de gelovigen, waarvan Luther zei dat men het in de psalmen opengelegd ziet? Eén blik in de concordantie bij het trefwoord „zingen" spreekt boekdelen. Ja, Luther zong de Schrift na.
Wilhelmus a Brakel
Eigenlijk zou de oproep, zoals die op vele plaatsen in de Schrift vervat ligt, ons genoeg moeten zijn. We hebben gezien dat de Reformatie bij monde van Luther die oproep met gezang heeft beantwoord. Ten overvloede dus kloppen wij ook nog even bij vertegenwoordiger van de Nadere Reformatie aan, Wilhelmus a Brakel geheten. De „oude schrijver" heeft in zijn zeer lezenswaardige „Redelijke godsdienst" een hoofdstuk gewijd aan het zingen. Ik kan het niet laten daar enkele gedachten uit naar voren te halen.
- , , 't Is te verwonderen dat de godzaligen in Nederland zo weinig lust hebben tot zingen en het ook zo weinig doen". - , , ....was het hart geestelijker en vrolijker, men zou al meerder de Heere met vrolijk gezang loven, en ons en anderen daar door opwekken; ik spreek niet alleen van het zingen in de kerk...."
- „Weet dat het niet een middelmatige zaak is, die gij doen of laten moogt, maar 't is een bevel van God.... begint die plicht met een gehoorzaam hart, breekt de mond open, en zo zal uw toegesloten hart opgaan".
- „Welaan dan, zijt niet meer zo stom, maar verheft uw stemmen, in spijt van de duivel en alle vijanden Gods en tot eer en verheerlijking var. uw God...."
Kon ik je maar zo leergierig maken dat je zélf o.a. dit hoofdstuk na ging lezen!
Zingen wjj?
Vele vonden worden gezocht om niet te zingen.
„Ik heb geen stem", zegt de één, de kwaliteit ervan angstvallig verhullend. Maar waar staat geschreven dat smeken of lofprijzen alleen maar kan met een stem die door kenners wordt gewaardeerd? „Ik heb geen reden om te zingen", zegt de ander, doelend op de omstandigheden.
„Psalm 22 overdenken", luidt mijn welgemeende advies.
„Er wordt zó langzaam gezongen, dat ik het oneerbiedig vind", verontschuldigt zich een ongedurig karakter.
„Er wordt zó snel gezongen, dat ik de tekst niet meer kan overdenken", rechtvaardigt iemand haar stilzwijgen, terwijl de hoed van de vrouw vóór haar wordt bestudeerd.
Ach, zou de van God gesproken zingensstof zich werkelijk laten gezeggen door die paar sekonden tempoverschil op een hele psalm? Zelfverloochenend zingen is een kunst!
De tijd zit ons ook tegen. In de dubbele zin. Vaak hebben we geen tijd om te zingen. Of bedoelen we dat onze voorkeur anders uitgevallen is?
Wij zingen niet meer, wij doen zingen: via plaat en kassette. De techniek overstemt ons, zogezegd. En dan de buren. Wat zullen die van ons zeggen? Kijk, als de hele straat een harmonium heeft, kan de keel zich nog wel laten paren. Maar die tijd is voorbij. We worden of zijn reeds éénling. Zingen is dus er voor uitkomen.
Ik zeg niet dat de platen de deur uit moeten, noch dat burengerucht er nooit toe doet. Maar we mogen ons best eens grondig onderzoeken op onze diepste beweegredenen om niet te zingen. Temeer omdat er zoveel motieven zijn om het juist wel te doen. In de eenzaamheid. In het gezin. In de kerk. Op de (zang)vereniging. In de Bijbel krijgt het gezamenlijk zingen als het ware een extra aansporing. D. van Luttikhuizen heeft hierover behartigenswaardige opmerkingen gemaakt in „Over muziek gesproken" (J.B.G.G., 1985). De vogels zingen. Dat is tot Gods eer. Toch zingen de vogels niet met de bewuste bedoeling om God te eren.
Dat de mens het vermogen heeft te zingen, is tot Gods eer. Net als bij de vogels. Maar daar komt een dimensie bij! De mens heeft bewust-zijn. De mens is geroepen God, zijn Schepper, antwoord te geven.
In gedachten, woorden en werken. Hoewel we er elkaar ook telkens op moeten wijzen dat wij door de zonde die gaven niet meer op de juiste wijze gebruiken.
Het kan dus gebeuren dat koorzang gebracht wordt door vijftig mensen, die al zingend zichzélf bedoelen, terwijl desondanks de genietende luisteraar in stille verwondering aanbidt: „O Heere, onze Heere: hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!" Als bij de vogel: toch tot Gods eer. Andersom zou het ook kunnen: dat de zangers iets mogen (begeren te) kennen van die stille verwondering over de goedertierenheden des Heeren, terwijl de luisteraar de zangers verheerlijkt: zogezegd hun „fan" geworden is.
Tot slot een vraag. Regelrecht gesteld door de Reformatie: welke zanger of luisteraar zijn wij?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1986
Daniel | 33 Pagina's