JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Soevereine genade

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Soevereine genade

4 minuten leestijd

„....één uit een stad en twee uit een geslacht....." Jeremia 3 : 14m

Bovengenoemde woorden zijn door de profeet Jemeria gesproken in de Naam des Heeren ten tijde van koning Josia, als het tien-stammenrijk reeds in ballingschap vertoeft.

Droevig is het ook met Juda gesteld. Het wordt aangesproken als een afkerig kind dat diep is weggezonken en daarin een beeld is van ons aller hart en van onze tijd, maar de inleving missen we van nature. Gods Geest ontdekke er ons aan.

Temidden van het diep verval gaat de eis der bekering nog uit; bekeert u gij afkerige kinderen. Maar het volk volhardt in het voortleven in de onbekeerde staat. Moet dit niet eveneens van ons gezegd worden?

Dat de Heere nog met Zijn eis komt, is Zijn lankmoedigheid. Wat een bemoeienis des Heeren, onverplicht van Zijn zijde, onverdiend van onze zijde. En nu wordt hier gesproken van het wonder, dat er enkelen worden gevonden, bij wie die eis wordt opgebonden en die gaan uitroepen: „Heere bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn." Hoeveel „bekeerde" mensen zijn er niet, maar moeten we niet vrezen dat het een bekering is waar het werk des Geestes in gemist wordt en waar God niet van af weet? Zeker, er is ook in onze tijd nog een overblijfsel naar de verkiezing der genade, een rest.

De roeping van Gods Woord gaat nog uit, dat wordt nog verkondigd in de kerk. Dat we leven bij de leer van Gods Woord. We leven in een donkere tijd. Wat is er overgebleven van vele gemeenten, dorpen en geslachten, waar vroeger veel volk van God woonde? Zie eens naar de kinderen en kleinkinderen, ze leven soms midden in de wereld. En toch zal het overblijfsel behouden worden.

Hoe kan de Heere naar hen omzien? Ze hebben niets dan zonde en schuld. Maar schoon oneindig hoog, slaat de Heere op hen het oog en haalt hen uit het land der ballingschap, ook al is het maar één uit een stad en al zijn het er maar twee uit een geslacht. Zijn wij als man of vrouw, jongen of meisje, er al uitgehaald, net als Abraham, Mozes en Ruth? Door de krachtdadige, inwendige en onwederstandelijke roeping des Geestes, door eenzijdig Godswerk uit Babel gehaald; of zullen we met Babel omkomen?

En toch behoudt de Heere een volk — al wordt Jakob dun en wordt het fijne goud verdonkerd — dat van Hem is afgevallen en door eigen schuld gans onwaardig is dat Hij nog naar hen zal omzien. Maar naar Zijn vrijmachtig welbehagen, naar de grootheid van zijn soevereine genade, ziet Hij om naar het geringe, al is het maar één of twee. Dat is de roem van vrije genade dat deze hetgeen niets is niet veracht.

De Heere neemt redenen uit Zichzelf om hen te verlossen, zij vallen er tussen uit maar in de weg van waarachtige bekering worden ze toegebracht. Zij vielen wel van God af, maar zijn konden niet vallen uit Gods hart. Zij hebben de gemeenschap met God verbeurd en verzondigd, maar de Heere brengt hen om Zijns Naams wil toe tot de gemeente die zal zalig worden.

Waar behoren wij bij? Bij de gerusten in Sion, de dwaze maagden, het kaf onder het koren? Dat we elkaar waarschuwen. Het gaat op de eeuwigheid aan. De tijd is voorts kort. De Heere laat een overblijfsel, klein in zichzelf, zwak van krachten ervarend in het bewenen van hun schuld en Godsgemis, belevend hoe groot hun zonde en ellende zijn, buigend onder het oordeel Gods en Zijn gramschap waardig, hun Rechter om genade bidden en van node krijgen de verlossing, die geopenbaard is in Hem, Die gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren is. Zij zullen ondervinden dat het een nauwelijks zaligworden is van hun zijde, maar ook een zeker en volkomen zaligworden en van dat heilgeheim zingt de Kerk en de Heere mocht het ons en onze kinderen leren wat soevereine genade is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 oktober 1986

Daniel | 41 Pagina's

Soevereine genade

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 oktober 1986

Daniel | 41 Pagina's