JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Zending per post

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zending per post

10 minuten leestijd

Met snelle passen komt een man de loopbrug af die van het benedendek van de Arcadia is neergelaten op de wal. In een paar tellen is hij beneden. Daar blijft hij even aarzelend staan. Zijn gezicht drukt teleurstelling uit. Wat doelloos laat hij zijn ogen over de kade gaan. Ineens lichten ze op. Ja, dat zal hij doen! Hij draait zich om en loopt naar een grijs busje dat een paar meter verderop geparkeerd staat. Hij opent het portier en rommelt wat in het dashboardkastje. Klopt! Daar liggen er een paar. Nee maar, precies zes. Met een klap gooit hij het portier dicht en gaat dan terug naar de loopbrug. Daar staan — net alsof ze steun zoeken bij elkaar — vier oude koelkasten en een wankel keukenbuffetje. Eén voor één trekt hij de deuren open en mikt in elke koelkast een opgevouwen papiertje, wit met helblauwe letters. Het oude keukenbuffetje geeft wat problemen. Het hang-en sluitwerk van de deurtjes is niet bepaald eerste klas. De gelukkige bezitter van dit meubelstuk heeft er een stevig touw omheen gebonden om er zeker van te zijn dat ze er straks nog inzitten als hij het vol trots aan zijn vrouw zal laten zien. Na wat gemorrel lukt het de man van de grijze volkswagenbus de twee laatste papiertjes achter de wrakke deurtjes te laten verdwijnen. „Ziezo, da's geklaard", mompelt hij tevreden. Snel start hij z'n bus en parkeert hem enkele minuten later bij de loopbrug van een Nigeriaanse vrachtvaarder. Nog geen drie tellen nadien is hij aan boord. De grijze bus wacht geduldig op de terugkomst van z'n baas. Zwarte letters aan de zijkant van de auto vertellen wat die baas uitvoert. Shipshandler. O, vandaar het gemak waarmee hij die loopbruggen op-en afgaat, 't Is z'n dagelijks werk. Maar wat moest hij nou bij die koelkasten? Wat stopte hij achter de deurtjes van dat oude keukenbuffetje? Een shipshandler werkt toch niet op die manier? Als je een bestelling brengt of opneemt, zoek je toch de steward op? Shipshandler? Vreemde zaak hoor.

Dat is de man van de koelkasten

In de kleine zaal van de Julianakerk in Dordrecht heerst een gezellige drukte. De kommissie Bijbelverspreiding houdt haar maandelijkse vergadering. Na het openingswoord van de voorzitter en enkele mededelingen door de sekretaris gaat iedereen aan het werk. Dozen vol aircraftenveloppen, duizenden traktaatjes (wit met helblauwe letters), honderden vellen papier, stapels boekjes, tientallen Bijbels en pennen staan en liggen geduldig te wachten om verzonden te worden. Postzakken staan gereed, de frankeermachine draait op volle toeren, rode, gele, grijze en oranje bijbelkursussen liggen verzendklaar en vanuit de gang klinkt het stampend geluid van de ponsmachine, waarmee in elke verzend-envelop gaatjes gemaakt worden. Plastic zakken vol sluitinkjes worden klaar gezet. Iemand met

stevige vingers zal die straks gebruiken om de aircraft-enveloppen dicht te maken. In de kerkeraadskamer buigen vier kommissieleden zich over de Heidelbergse Catechismus om door middel van eenvoudige vragen straks dit belangrijke boekje in Ghana bekendheid te geven.

Wie alle bijbelkursussen gemaakt heeft, krijgt als sluitstuk de Heidelbergse Catechismus toegestuurd. De koster is overal tegelijk. „Meneer Vink, waar is de doos met elastiekjes? " „Kan ik die adresstickers hier neerleggen? " „Er zijn geen antwoord-enveloppen meer, staat er nog 'n doos op de zolder? " „Hier zijn nog etiketten voor meerdere aantallen". „De vragenboekjes van Markus en Handelingen zijn op, waar kan ik die vinden? " En meneer Vink weet overal raad op. Hij zet koffie, hij weet op een prikje hoeveel zwart en hoeveel gewoon. Hij zorgt voor thee, hij repareert de ponsmachine en zoekt elastiekjes op. Iedereen werkt als een paard. De bedoeling is om tenminste 200 Bijbels verzendklaar te hebben vanavond en drie postzakken vol eerste aanvragen. Snel, in Ghana wachten ze erop. Een, twee, drie, vier vellen antwoordpapier plus envelop, vier traktaatjes en twee boekjes, één met Markus en Handelingen en één met vragen. Hup, alles in een stevige envelop, een sluitinkje erdoor, een adres erop en in de postzak. Vlak bij de deur zit een man gebogen over een stapeltje brieven. Als iemand hem bij zijn naam roept, kijkt hij op. Hé, dat is die man van de koelkasten! „Wat is er? " vraagt hij. „Ik vroeg of je nog wat beleefd had vandaag". „Nou en of! Ik was vanmorgen op de Arcadia". Hij kijkt op z'n horloge. „Ik denk dat hij nou buitengaats is. Ik had haast en van een praatje met de bemanning kwam niets.. Enfin toen de steward de bestellijst had getekend, wilde ik in de messroom wat traktaatjes achterlaten. Maar wat me nog nooit overkomen was, gebeurde vanmorgen. Ik had er geen bij me. Waarschijnlijk wel 'n paar in het dashboardkastje, maar daar had ik op dat moment niets aan. Ik ga die boot af en sta even doelloos rond te kijken. Daar valt ineens m'n oog op vier oude koelkasten en een dito keukenbuffetje. Denken en doen was één. M'n bus stond vlakbij. Er lagen inderdaad een paar traktaatjes in m'n kastje, 'k Heb er in elke koelkast één gestopt en twee in dat wrakke meubelstuk. De meeste bemanningsleden waren Ghanezen. Die traktaatjes komen vast in Ghana terecht. Bij wie? Dat weet ik niet. Maar één ding is zeker: Gods Woord keert nooit ledig weer, maar zal doen wat Hem behaagt".

Kwesi wil vrij zijn

Verlangend kijkt Kwesi de oude vrachtwagen na die met veel geratel en geplof in een dichte stofwolk verdwijnt. Eén keer in de twee maanden komt Asare in het dorp. Hij rijdt van markt tot markt en schijnt goed te verdienen. In zijn lorry vervoert hij mensen, dieren en goederen. Toen hij de eerste keer met zijn open vrachtwagentje in het dorp verscheen, had hij veel bekijks. Met grote letters stond achter op de lorry: I don't know. Ik weet niet. „Wat bedoel je daarmee Asare? " hadden de mensen gevraagd. „Ik weet niet of ik het druk zal krijgen", had hij lachend geantwoord. Nu, na drie jaar heeft hij al een andere lorry, groter dan de eerste. Er staat ook een andere spreuk op: „Still, it makes me laugh: no time to die". „Je blijft lachen: geen tijd om te sterven".

Langzaam slentert Kwesi terug naar het dorp. Ha, zo vrij te zijn als Asare, overal heen te gaan waar je maar wilt. Asare heeft het zó druk, hij heeft zelfs geen tijd om te sterven. Hij, Kwesi heeft tijd genoeg. Het lage struikgewas is weggekapt, het land is bewerkt. Nu wachten ze op de regen die maar niet komen wil. Vier weken geleden had hij het druk, zo druk dat er geen vrije tijd overbleef. Samen met de andere jongens en alle mannen had hij het op het land gewerkt van de morgen tot de avond. Dat was zwaar werk geweest. Het struikgewas was onwillig en stug en de grond hard en droog. Maar alles was op tijd klaar gekomen. Het zaad kon in de grond, dat was vrouwenwerk. Maar de regen bleef uit en als er geen regen komt, kan er ook niet geoogst worden.

Kwesi kijkt naar het stofdroge land, hier en daar komt al weer onkruid boven. Bah, wat een land! Hoe lang wonen ze nu hier? Hij was zes jaar toert ze wegtrokken van de rivier. Nu is hij bijna 17. Veel herinnert hij zich niet meer van toen. Maar wel dat het land bij de rivier vruchtbaar was. Daar hoefde je niet te ploeteren voor een goede oogst. Daar groeide de gierst en de maïs vanzelf. Toch zijn ze er weggegaan en hun fijne dorpje is een Onohodorp geworden, een verlaten dorp. Gevlucht zijn ze. Ze moesten wel. Van de vijftig mensen die er woonden en die allemaal familie waren van elkaar, waren er negen blind geworden. Vier mannen, drie vrouwen en twee kinderen. Daar bij die rivier, hoe vruchtbaar het er ook was, hoe fijn je er woonde, loerde het gevaar van de rivierblindheid. Daar was dat kleine zwarte vliegje, dat haar eitjes op het snelstromende water legde. Dat vliegje, dat iemand blind kon maken. Het bracht door

een steek enkele larven onder je huid. Die vermenigvuldigen zich razendsnel en kruipen door je hele lichaam. Als ze bij je ogen komen en daar sterven, word je onherroepelijk blind.

Nee, bij de river konden ze niet blijven wonen. Nu zijn ze hier, verder naar het noorden, meer dan tweehonderd kilometer van de rivier vandaan, in de hoop dat het vliegje hier niet zal komen. Maar je weet het nooit.

Kwesi slentert langs de eerste huizen, hutten zijn het. Hutten van klei met een dak van golfplaat. Ging het maar regenen, dan kwam er weer werk. Werk voor de vrouwen die dan gaan zaaien en werk voor de kinderen die de kippen weg moeten houden van het zaad. Maar dan komt er ook weer werk voor de mannen en de grotere jongens zoals hij. Kwesi kijkt eens naar de lucht. Die is strak-blauw en de zon brandt onbarmhartig en doet de daken van de huizen blikkeren. Als hij langs het dorpsschooltje komt, hoort hij de kinderen hardop lezen. Dat was wel fijn.

Hier in het dorp was een schooltje. Hij heeft er lezen en schrijven geleerd en rekenen en wat aardrijkskunde. Hij heeft er ook les in de Engelse taal gehad. Dat zou hij bij de rivier nooit geleerd hebben. Engels! Dat herinnert hem ineens aan de krant die hij van Asare kreeg. „Hier Kwesi, voor jou. Hij is wel drie weken oud, maar voor jou is hij nieuw. Kwesi haalt de verfrommelde krant tussen zijn bloes vandaan. Hij bekijkt de datum. Dat klopt, 17 maart 1983. Enfin, nou heeft hij tenminste wat te doen en vanavond kan hij eruit voorlezen. Vader en moeder kunnen niet lezen en voor oom Kwaku en grootmoeder Assibi is het ook fijn, die zijn blind. Wat opgewekter nu loopt Kwesi verder. Als hij bij zijn huis komt, voelt hij opeens een windvlaag. Hé, zou er verandering komen? Regen?

Die nacht wordt Kofi, het broertje van Kwesi gebeten door een nachtadder. Zijn beentje is de volgende morgen wel twee keer zo dik en de pleisters van klei die de medicijnman van het dorp voorschrijft, maken de ontsteking alleen maar erger. Twee dagen later sterft de kleine Kofi. Moeder is ontroostbaar en Kwesi is ook erg bedroefd. Straks na de oogst, als er weer geld is, kunnen ze pas echt rouwen, nu wordt Kofi zo snel mogelijk begraven.

Een lorry, net als Asare!

De regen is toch gekomen, lang en overvloedig. Het zaad schiet snel op. Er is nu geen tijd om te luilakken. Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat werken de mannen en vrouwen op het land. De school wordt gesloten, want de kinderen worden met de geiten en schapen naar de grassen van de savanne gestuurd. Die grassen zijn nu groen en sappig. De kleine kinderen moeten zorgen dat de kippen en de honden niet door de akkers lopen. De oude vrouwen passen op de baby's. De grote meisjes brengen de mannen en vrouwen die op de akkers werken water en voedsel.

Kwesi is blij dat het rusttijd is, zijn rug lijkt gebroken. Als hij ziet wat hij in twee uren gedaan heeft, wordt hij moedeloos. Bah wat een land.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1986

Daniel | 32 Pagina's

Zending per post

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1986

Daniel | 32 Pagina's