Vandalisme, te bestrijden?
door mr. A. van Stuyvenberg
„Wat moetje nou over vandalisme op papier zetten"', was de eerste reaktie van schrijver dezes, die geen „schrijver" is, toen hij daarover door de redaktie werd benaderd.
Iedereen weet zo langzamerhand, dat er elke dag voor duizenden guldens zinloos wordt vernield aan scholen, gemeenteeigendommen of partikulier bezit. Over de oorzaken kun je terecht bij kriminologen. Over de gevolgen lees je dagelijks in de krant en het C.B.S. kan je over de cijfers inlichten. Hoe het is te bestrijden, kun je onder andere lezen in het Rapport Kleine Criminaliteit van de kommissie Roethof. Trouwens we hebben ook nog de politie. „Maar die doet er weinig aan", zegt men. Die kan er overigens ook weinig aan doen. Ruiten worden aan het rinkelen gebracht en muren worden met spuitbussen beschilderd, als er geen politie in de buurt is. Als de „hermandad" verschijnt is het kwaad reeds geschied. Niemand heeft het gedaan. Onschuldige gezichten. „Was al kapot meneer. Gisteren was die ruit ook al stuk." Van die jonge gasten kun je niet verlangen, dat ze elkaar verlinken. Dat past niet in hun kuituur.
Routineklus
Voor een politieman bestaat overigens het gevaar van beroepsgewenning. Je wordt er zo vaak mee gekonfronteerd. Het zijn routineklusjes. Het hoort er nou eenmaal bij. Onlangs nog: de zomervakantie was nog maar net begonnen. Vier ruiten uit een school. Direktiekamer overhoop gehaald en overal glas. De direkteur erbij. Een progressief uitziende pedagoog. Ik dacht: „Hij kan wel begrip opbrengen voor de aangerichte puinhoop." Toch niet! De tranen stonden hem in de ogen. „Waar is dat nou voor nodig meneer? ", klaagde hij. „Dit is gewoon zinloos."
We beaamden dit voor de zoveelste maal. De meester ging verder over „vroeger". Vroeger kreeg je een pak slaag van de politie en thuis van pa nog een keer dunnetjes over. Dat was toch eigenlijk beter dan tegenwoordig.
Het ei van Columbus
Over oorzaken van vandalisme zijn al vele boeken geschreven. Over watje er tegen moet doen nog veel meer misschien. Veel schrijvers hebben wellicht gedacht: „Dit is het ei van Columbus". In het kader van een studie heb ik er veel over moeten lezen. In een surveillanceauto liggen echter nooit boeken en handreikingen. Handelen naar eigen inzicht en rekening houden met opgelegde beperkingen. Het ei van Columbus: „Rommelen in de marge".
Het gezin
Het klinkt tot nu toe nog niet allemaal zo rooskleurig. Dat is het ook niet. Maar moet de overheid, in casu de politie, dan de taak overnemen van de ouders, die het in het gezin af laten weten? Soms wel. Denk maar aan allerlei noodzakelijke instellingen als gezinsvervangende tehuizen enz. En wat wordt er afgesubsidiëerd om jongelui in hun vrije tijd bezig te houden. Over de principiële bezwaren ten aanzien van buurthuis-en jongerenwerk is al genoeg geschreven. Daar heb je zelf hopelijk ook wel een mening over. Terugkomend op die gezinssituaties. Daar is ook al genoeg over geschreven. En toch!
Daar ligt vaak het probleem. Vrijwel altijd (het verbaast ons niet meer) is er sprake van een ontwrichte gezinssituatie of een „laat-maar-gaan-houding" van de ouders. Met opzet schrijf ik „vrijwel altijd".
Er zijn ook voorbeelden van schrijnende
uitzonderingen. Onlangs zag ik hem nog. Patrick (niet zijn echte naam). Opgegroeid in een, watje noemt keurig G.G.-gezin. Met z'n makkers op zondag in het stadion. „Hoi Patrick, jij hier? " zei ik. Een blozend gezicht was zijn enige reaktie.
Ik denk ook aan die andere knul van ca. 20 jaar. Komt uit een goed „nest". Onlangs bij een disko in elkaar gestompt. „Pa, voor mij hoefje niet meer te bidden." Triest voor pa en ma.
Een alternatief?
Ze stonden er weer, onlangs op een zondagavond. Zo'n 20 jongens en meisjes van 16 tot 20 jaar. Bij de school van de huilende meester. De ramen hadden inmiddels een „graffïti-spuitbeurt" gehad.
Het zoeken naar daders had geen zin. We zaten samen in een surveillanceauto. „Wat doen we? " zei ik tegen m'n maat. „Ja, wat doen we. Formeel is het zo, dat dat schoolplein verboden terrein is. Daar komt bij, dat we op het bureau hebben afgesproken, dat we die jongelui niet meer waarschuwen", zei m'n kollega.
„Weetje wat het is", dacht ik hardop, „als je ze wegstuurt, verplaats je het probleem." We stonden al dubbend nog een paar minuten te wachten. De groep verdween. We waren een beetje trots, dat reeds onze aanwezigheid al enig gezag had uitgestraald.
De groep ging 100 meter verderop op een brug zitten. „We gaan toch eens even met die gasten praten", stelde ik voor. We begaven ons temidden van de luidruchtige klub. Je kent ze wel. Iedereen beoordeelt ze als: klierderig, vernielzuchtig, de verveling straalt ervan af, kortweg een stelletje vandalen.
„Weet je wat wij nou niet snappen? ", zo begon ik, „dat jullie geen plezier hebben als er niets te vernielen valt." Reaktie: „Vernielen? Wat vernielen? " M'n kollega: „Gelet dus op de beschilderde ramen." Reaktie: „Hebben wij dat gedaan? "
Schrijver dezes: „Nee natuurlijk hebben jullie dat niet gedaan. En niemand weet wie dat gedaan heeft. Jullie niet en niemand niet. Allemaal mannetjes op de maan, die dat gedaan hebben." Het was even stil. De verontwaardiging straalde van de gezichten.
„Hebben jullie niks anders te doen", vroeg mijn kollega. „Dat is het nou juist. Wij hebben niks anders te doen. Wat wordt er nou voor ons in deze wijk gedaan? Nul komma niks", zo verwoordde één hunner de groepsmening. Daar waren ze het allen over eens.
Ik vervolgde: „Drie weken geleden zijn we met 32 jongelui van jullie leeftijd naar een zomerkamp in België geweest. Je kunt je op dit moment op deze brug niet voorstellen hoe zeldzaam mooi dat was. Geen verveling, geklier of vernielerij."
„Oh", was de eerste reaktie, „kunt u voor ons ook zoiets regelen? " „Natuurlijk kan dat", zei ik overmoedig en de consequenties nog niet op een rijtje hebbend. „Maar wel even dit. Het wordt geen keetkamp en de leiding maakt een programma en stelt de regels vast. We proberen iets in Drenthe of Brabant te regelen en jij, op die aftandse brommer, trommelt 25 jongelui bij elkaar." De groep ging uit elkaar. Net als op een zomerkamp: „Dan doen we dit zo en dan vragen we die en dan "
Wellicht komt binnenkort het geschikte moment om met „randjongeren" over vandalisme te praten. Zonder „logen" en „ogen". Gewoon ingaand op hun belevingswereld.
Wellicht nog wat bijsturend.....
A. van Stuyvenberg
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1986
Daniel | 32 Pagina's