„ZE ZIJN AAN ONZE ZORGEN TOEVERTROUWD"
Nog niet zo lang geleden kreeg ik van vrienden een heel mooi gedicht, 't Was eigenlijk meer een gebed om kracht en wijsheid om gehandicapte kinderen op te voeden. Een paar regels' uit dat gedicht luidden zo:
Ook déze kinderen hebt Gij gegeven. Ze zijn aan onze zorgen toevertrouwd. Zij moeten ook door dit zo moeitevolle leven. Ook aan hun toekomst moet worden gebouwd.
En juist deze regels bleven me bij tijdens de vakantieweek voor gehandicapte kinderen van 12 tot 19 juli te Beekbergen, 't Was een experiment; nooit eerder was er een kinderkamp. Vandaar werd die tweede regel uit het gedicht zo waar: „Ze zijn aan onze zorgen toevertrouwd". En dat dat voor de ouders lang niet meeviel konden we begrijpen. Immers, „hun" zorgenkinderen, waar soms jarenlang diepe zorgen over waren, moesten ze toch maar uit handen geven aan jonge, wat onervaren mensen. „Zou het wel gaan? " zag je de ouders denken toen ze 's zaterdags hun kinderen brachten. Het woord „heimwee" viel van verschillende kanten. „Is het goed dat we elke avond even bellen? ", zo vroeg weer een ander ouderpaar. Wat begrijpelijk allemaal!
Maar wat genoten ze
Als we nu terugkijken mogen we zeggen: „En wat is het allemaal bijzonder goed gegaan". Nee, dat was heus geen verdienste van de stafleden, al zetten ze zich volledig in. Het reikt veel hoger; de Heere Zelf gaf ons dat er iets van liefde en trouwe zorg werd ervaren. En is dat geen wonder? Wij als zondige mensen openbaren toch alleen maar het tegendeel?
Wat genoten ze, de kinderen. Wat genoten ze van alles wat ze deden en van wat er vóór hen werd gedaan. Wat stelden ze ons toch beschaamd met hun dankbaarheid voor de dingen van elke dag. Wij zijn soms alleen nog maar blij met wat voor ons opzienbarend is; al het andere is „maar gewoon". Het leek wel of de kinderen ons vroegen: „Is het dan gewoon dat we heerlijk eten hebben; dat de zon vandaag wéér schijnt en dat we vandaag al weer veilig thuis kwamen? We hebben dat toch allemaal niet verdiend? " Door dat alles heen ontstond een band.
Kunt u begrijpen dat het dan ook moeilijk was om „onze" kinderen weer terug te geven? Onvoorstelbaar snel was het weer zaterdag! Op een afstand keken we naar de ontmoetingen. Blij waren de kinderen; ze zagen vader en moeder weer. Blij waren de ouders; ze hadden hun kinderen weer. Ze hadden, zo zei een vader, weer moed om door te gaan in de zorg over de kinderen. Hün kinderen die — weer terug naar het gedicht — de Heere aan déze ouders
gaf. In Zijn wijsheid, dat is waar! Vaak onbegrepen wijsheid, ook dat is waar. Toch; 'k vergeet het nooit meer wat een moeder me die week vertelde. Ze hadden al een kind door de dood moeten missen; daarna kwam dit zorgenkind, , , 'k Dacht dat alle dingen mij tegen waren tot de Heere me leerde dat ik tegen Hem was; niet anders dan een vijand. Nu mag ik wel eens geloven dat De Heere vóór me is. Dat heeft Hij me door dit kind willen leren". Wat een wonder dan toch dat ook wij een weekje mee mochten zorgen. Hen mochten vertellen uit Gods Woord, elke dag opnieuw. Vertellen wie wij zijn — en dat is alleen maar slecht — en vertellen wie God wil zijn in Christus.
Toen we hen dan ook zagen wegrijden bleef er maar één regel uit genoemd gedicht over: „Wil onverdiend in gunst aan deze kinderen denken". Ook zij moeten namelijk niet alleen dóór dit moeitevolle leven, maar.... ook eruit.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1986
Daniel | 32 Pagina's