JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Al uw bekommernis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Al uw bekommernis

Kort verhaal

17 minuten leestijd

Inge van Herwaarden weet heel goed, waarom Pieter Benschop iedere dag met haar mee fietst naar school en terug: gewoon omdat zij de enige is, die bij hem in de buurt woont. Niets meer en niets minder.

En als ze zich dat al niet bewust zou zijn, zouden de licht-spottende blikken van verschillende meisjes uit de klas haar dat wel duidelijk maken. Inge voelt gewoon, wat ze zonder woorden willen zeggen: Verbeeldje maar niets, hoor.... jij de vriendin van Pieter Benschop?

Ze hoeven niet bang te zijn. Inge verbeeldt zich inderdaad niets. Deze dinsdagmorgen staat ze voor de spiegel en bekijkt zichzelf kritisch. Een smal gezicht met lichte grijze ogen, een rechte neus en een te grote mond... 't Bekende gezegde over dat dozijn is ook op haar van toepassing.

Met ruwe slagen begint ze haar lange haar te borstelen. Ja, dat is haar grootste schoonheid - een massa blonde krullen, die ze meestal in een paardestaart bij elkaar bindt. Dat haar vindt Pieter ook mooi, dat heeft hij eens gezegd in een vertrouwelijk ogenblik. Haar ogen worden donker. Ach, wat komt er dat eigenlijk op aan. Er is immers nog zoveel meer, waardoor ze geen „partij" voor Pieter is. Niemand weet, hoezeer ze zich dat aantrekt. In stilte voelt ze zich vernederd, zo iedere dag door hem opgehaald te worden, terwijl ze toch niets meer dan een willekeurig schoolvriendinnetje is voor hem.

Maar Inge heeft zo haar eigen kleine, verbeten trots. Koppig houdt ze vol met gewóón tegen hem te zijn, zich vooral niet op te dringen en de stekeligheden van haar klasgenootjes te negeren.

Ze fietsen samen naar school - nou, wat is daar voor bijzonders aan?

Als inge beneden komt, ziet ze dat iedereen al ontbeten heeft. Ze is laat - te laat - opgestaan vanmorgen, omdat ze dinsdags het eerste uur vrij heeft. Op de hoek van de tafel staat haar ontbijt klaar, met aan de ene kant haar lunchpakket en aan de andere kant de Bijbel.

„Morgen, pap, " begroet ze haar vader, die in z'n stoel wat reklameblaadjes doorkijkt. „Morgen, Inge." Hoewel meneer Van Herwaarden zonder werk is en dus iedere dag thuis zit, staat hij toch steeds op de gewone tijd op.

Vlug schuift ze achter de tafel. Bidt en begint te eten. Vanuit de keuken brengt haar moeder een blad vol schoon serviesgoed binnen.

„Dag Inge, ben je niet laat vanmorgen? " Inge knikt met volle mond.

„Zal ik je fiets vast voor zetten? ", biedt haar vader aan.

„Nee hoor, nee, " weert ze haastig af. , , 'k Haal 't nog wel. Pieter is er toch nog niet? " „Nee, nog niet...." Met iets bezeerds in zijn gezicht zakt meneer Van Herwaarden terug in zijn stoel.

Inge voelt zich vaag schuldig. Wat denkt hij nu? Dat ze hem niet vóór wil hebben om deze tijd en het niet weten wil voor Pieter, dat haar vader werkloos is?

Maar zo is 't toch niet. Of wel?

Met een kleur bladert ze in de Bijbel en zoekt het gedeelte op. dat aan de beurt is. Vluchtig leest ze, er gaat haar veel voorbij. Eigenlijk ziet ze maar één ding bewust uit de hele brief van Petrus: Werp al uw bekommernis op Hem....

Al uw bekommernis - dus ook de werkloosheid van vader, ook haar moeilijkheden....

Natuurlijk staat Pieter al te wachten, als ze even later met een racevaart de hoek van 't huis om vliegt.

„Hoi! Wat ben je laat."

„Dag.... Ja. ik heb me een beetje verslapen." Zonder verder nog veel woorden vuil te maken spurten ze weg, de lange eenzame dijk op. Na een poosje zakt Inge af. „Phoe....", zucht ze met een verhit gezicht. Ik heb geen versnelling, hoor!"

Pieter kijkt naar haar afgejakkerde karretje en begint langzamer te rijden. „Sorry, zegt hij alleen.

Zwijgend gaan ze verder. Gek, denkt Inge, dat kan met Pieter - zwijgen. Met een jongen kun je nu eenmaal niet over jurken en andere meisjesdingen praten. En toch hebben ze elkaar altijd genoeg te vertellen. Weten ze niets, dan zwijgen ze gewoon. En dat is ook prettig.

Ze kijkt tersluiks naar Pieter. Met een tevreden gezicht fietst hij naast haar. Ze weet nog goed, dat hij de eerste keer op school kwam. Sportief, knap, zelfbewust, zonder overdreven de vlotte bink uit te

hangen. Bovendien duidelijk een rijkeluiszoon en dat imponeerde toch.

De meisjes dweepten met hem en ook bij de jongens was hij direkt getapt. Helemaal geen type voor Inge van Herwaarden, die stille verlegen muis, had ze met dappere zelfspot gedacht.

De stem van Pieter rukt haar gedachtenspinsels vaneen.

„Kijk daar es, Inge." Hij wijst naar de weilanden aan zijn rechterhand, waar flarden mist aan komen drijven, beschenen door de zon. Van de enkele koeien, die er lopen, zijn alleen de poten te zien. het is een vreemd onwerkelijk gezicht.

„Mooi zeg, " vindt Inge. „Net een schilderij. Als je zoiets zelf eens kon schilderen, wat moet dat fijn zijn...."

Ze ziet Pieters bruine ogen rustig en zonder een greintje spot op haar gericht en ze wordt opeens heel blij van binnen. Zouden ze hem in de klas zó wel kennen? Zo zonder alle bravour? Tegenover déze Pieter durft ze zich ook te uiten en haar diepste gedachten prijs te geven. Afgezien van dat éne dan.

Aan het eind van de schooldag is Inges humeur aanmerkelijk gezakt. Eerst bleek ze niet minder dan drie onvoldoendes voor wiskunde gehaald te hebben en daarna maakten Gerda en Ankie, de twee „sterren" uit de klas zulke flauwe toespelingen op Pieter en haar, dat het haar moeite kostte lakoniek te reageren.

Met boze ogen verschijnt ze in de fietsenstalling. Pieter rijdt juist z'n fiets uit het rek en wacht met één voet op de grond tot ze haar schooltas onder de snelbinders gebonden heeft.

„Zeg - heb jij eigenlijk een nieuwe tas? ", vraagt hij.

„Al een poosje, hoor. Die heb ik voor m'n veijaardag gekregen." „Voor je veijaardag? " De verbazing in zijn stem is onmiskenbaar.

„Ja....", zegt Inge enkel en ze kijkt hem recht aan. Jij krijgt zoiets niet voor je veijaardag, voor jou is dat een vanzelfsprekend tussendoortje. Bij óns worden zulke dingen opgespaard tot je jarig bent...

Dat alles zegt ze met dat ene woordje en Pieter voelt de terechtwijzing dan ook scherp. „O, " bromt hij schutterig.

Onderweg naar huis blijft Inge stil, met zichzelf zeer in de knoop. Waarom doet ze nu zo vervelend? Pieter bedoelt 't goed, dat kan ze wel merken.

„'k Heb m'n wiskunde flink verknald, " zucht ze tenslotte om zich enigszins te verontschuldigen.

„Ja, dat is nou niet direkt je sterkste kant, hè? "

„Daar snap ik nou net helemaal niks van!"

Pieter lacht luid, met z'n hoofd achterover en Inge wil al weer boos worden. Maar tot haar grote verwondering zegt hij opeens:

„Zal ik je helpen? Kom morgenmiddag bij' ons, dan kunnen we samen je huiswerk voor vrijdag doornemen. Okay? "

Inge probeert een opkomende blos te bedwingen. „Goed..., " zegt ze verlegen.

Nog maar één keer is Inge bij Pieter thuis geweest. Dat was toen ze een paar boeken nodig had voor literatuur. Ze was korrekt binnen gelaten door Pieters moeder en ze had er ook nog in alle vorm een kopje thee gedronken. Stijfjes op de punt van een kostbare gobelinstoel had ze bedremmeld wat woorden gewisseld met mevrouw Benschop, die niet onvriendelijk was, maar zó tot in alle finesses een dame, dat het Inge hevig imponeerde. Die knappe, klassieke gelaatstrekken had Pieter van haar, dat had ze nog wel gezien.

Inge had gezucht van opluchting, toen het smeedijzeren hek achter haar dicht viel. Snel was ze naar huis geracet, waar alles heel wat simpeler toeging, maar waar 't een veilig warm nest was, dat had ze opeens beseft. „Een niet onaardig kind, Pieter...." Dat zal z'n moeder 's avonds wel gezegd hebben. „Toch niet direkt iemand om steeds mee om te gaan, vind je wel? Wat doet haar vader eigenlijk? "

Al die dingen overdenkt Inge, wanneer ze de volgende middag langzaam richting Pieter fietst. Zo timide ben ik nu toch niet meer, ik heb nu wel wat meer zelfvertrouwen, denkt ze.

Toch voelt ze zich weer beklemd, als ze aanbeldt aan de monumentale voordeur. Pieter doet open.

„Rij je fiets maar achterom. We. zitten buiten. Hé.... heb je een andere fiets? " Inge begint te lachen. „Ja, ouderwets, hè. Die is van m'n moeder. Ik kwam tot de ontdekking, dat m'n voorband leeg stond." „O.... nou, kom maar."

Achter het huis is een fraai aangelegd terras, overschaduwd door heuse druivenranken. In een van de luxe witte tuinstoelen zit mevrouw Benschop te handwerken. Ze staat direkt op, geeft Inge een hand en schuift een stoel voor haar aan. „Lukt 't niet zo met wiskunde? " informeert ze.

„'t Lukt me helemaal niet, " zegt Inge eerlijk. „Misschien kan Pieter je wat op weg helpen. Zal ik eerst thee voor je halen? "

„Graag, mevrouw." Inge laat haar ogen dwalen door de grote tuin, die half in de schaduw ligt.

„Wat een dróóm van een tuin hebben jullie, Pieter. Als m'n vader dat zag.... die doet niets liever dan tuinieren. Wij hebben ook een flink stuk, weet je, maar 't grootste

gedeelte is moestuin. Hij brengt nu soms hele dagen in de tuin door....

Verschrikt houdt ze op. Dat wou ze nu juist niet zeggen.

Pieter zit achterover geleund in z'n stoel naar haar te kijken. Zijn ogen worden zacht als hij de verwarring op haar smalle gezichtje ziet. 't Lijkt wel of ze zichzelf aan zit te pakken, want verlegen en fier tegelijk gaat ze verder: „M'n vader is al maanden werkloos...."

„Dat weet ik, " zegt hij rustig. „Weetje dat? " Haar ogen worden groot. „Ja, dacht je dat zoiets op een dorp verborgen bleef? Je behoeft je er niet voor te schamen, hoor."

„Schamen? Dat doe ik niet!"

„Ja, dat doe je wel...." Inge bijt op haar lip. „Misschien omdat 't verschil zo in 't oog lopend is met dit alles." Met een handgebaar omvat ze de luxueuze bezitting van de familie Benschop.

„Och ja - zo op 't oog heb ik 't nogal goed geschoten...."

Inge kijkt snel op. Iets in Pieters toon heeft haar getroffen. Ze durft er niet naar te vragen, wat trouwens onmogelijk is, want mevrouw Benschop komt met een volgeladen theeblad naar buiten. Na de thee halen ze hun boeken tevoorschijn, mevrouw Benschop, verzorgt tot in de puntjes, blijft stil bij hen zitten borduren. Zou dat haar gewone middagbezigheid zijn? vraagt Inge zich af. Haar eigen moeder zal zich nu wel door een grote mand strijkgoed heen slaan, af en toe een losse krul wegblazend van haar verhit gezicht. De vergelijking maakt haar kribbig. Na een poosje beweert Inge, dat ze er nu wel iets van snapt. „Zo moet het maar, " zegt ze en staat op. Ze snakt er naar afscheid te nemen, ze voelt zich totaal niet op haar gemak met dat bordurende standbeeld naast zich. Zou Pieters moeder altijd zo zwijgzaam zijn?

Pieter loopt mee naar het hek, al weer vrolijk en plagerig als altijd.

„Kom je morgen ook met die renfiets naar school, Inge? "

„Alsjeblieft niet! M'n vader zal die band al wel gelapt hebben. Nou, 'k ga, hoor!"

„Okay....En kom je nog eens op visite? " Onzeker speurt Inge zijn lachende donkere kop af. Meent hij het? Ze krijgt geen hoogte van hem en dat ergert haar onuitsprekelijk. Ze mompelt iets van: „Zal nog wel es zien...." en maakt dat ze wegkomt.

Als Inge thuis komt en de fiets van haar moeder in de schuur zet, blijkt dat haar voorband nog niet gelapt is. Haar vader zit in de keuken te lezen. Een beetje snibbig valt ze uit: „Hebt u m'n band nog niet gemaakt? " „Goedenmiddag, Inge. Of ik je band gelapt heb? Nee. nog niet...." „O, ik dacht dat u 'm klaar had. Ik moet straks nog naar de bibliotheek. U.... eh.... u hebt toch niets anders te doen." 't Ontglipt haar bijna tegen haar wil.

Met een demonstratieve zucht staat meneer Van Herwaarden op. „Nee, ik heb niks te doen!" de deur valt met een klap achter hem dicht.

„Inge toch! berispt haar moeder. „Moet dat nu zo? "

„Och...." Inge haalt haar schouders op. Het huilen staat haar nader als het lachen. Ze brengt haar tas naar boven en valt doodmoe op bed neer. Hoe komt ze toch zo prikkelbaar de laatste tijd?

Een hele poos staart ze voor zich uit en probeert rust te brengen in de chaos van haar gedachten. Als vanzelf vouwen haar handen zich. „Heere, help me toch alstublieft. Ik doe alles verkeerd - U weet toch wat goed voor me is."

In de weken daarna blijft Pieter Inge regelmatig met wiskunde helpen, 't Moet voor een levendig-sportieve jongen als hij heus niet meevallen iedere week met eindeloos geduld die taaie leerstof met haar door te nemen. Dat ziet Inge wel in en daarom waardeert ze zijn trouwe hulp des te meer. Soms gaat Inge naar hem toe, soms komt hij bij haar. Zodoende maakt hij ook verder kennis met haar vader, moeder en haar drie zussen.

De vriendschap tussen hen wordt hechter. Inge leert inzien, dat een „rijkeluiskind wezen" ook niet alles is. Ze probeert meer zichzelf te zijn: een stille, bescheiden figuur op de achtergrond, en daardoor meer waardevol dan ze zelf beseft.

Uit de spaarzame opmerkingen, die Pieter over zijn ouderlijk huis maakt, probeert ze zich een mening te vormen over de verhouding tot zijn ouders en zijn getrouwde zus. Verder dan het vermoeden, dat hij niet al te best met zijn vader op kan schieten, komt ze niet. Wat dat betreft, houdt hij zijn innerlijk zorgvuldig voor haar verborgen en dat doet haar pijn.

Ze zou zo graag meer voor hem willen betekenen - veel meer zelfs, maar die wens heeft ze veilig achter slot en grendel gezet in 't meest verborgen hoekje van haar hart.

't Is op een stille, mistige herfstdag, dat het Inge in één klap duidelijk wordt, waarom Pieter altijd zo terughoudend is.

Als ze tegen drieën bij Pieter aan komt voor haar wekelijkse les, ziet ze dat de deuren van de garage open staan. Meneer Benschop rijdt juist de wagen naar buiten. Ze begroet hem uit de verte met een hoofdknik, maar hij schijnt haar niet te zien.

Eigenlijk kent Inge Pieters vader alleen van 's zondags uit de kerk: Hij is met z'n onberispelijke driedelige kostuum, Volvo en verder toebehoren zo'n ver verwijderde grootheid voor haar en zo'n kontrast met haar eigen grijze, eenvoudige vader, dat ze zich er geen voorstelling van kan maken wat voor iemand hij is. In alle opzichten een man of the world, dat wel, maar verder - een beetje vlotjes misschien, een beetje al te glad.

't Duurt lang voor op haar bellen wordt opengedaan. Meneer Benschop rijdt intussen met een geweldige vaart het tuinpad af, zodat ze het opspattende grint hoort tikken tegen de auto. Die heeft haast! Ze belt nog eens, wat langer nu. Zou Pieter niet thuis zijn? Ze hadden toch om drie uur afgesproken.

Eindelijk hoort ze lichte voetstappen dichterbij komen. Mevrouw Benschop opent de deur en doet een stap opzij om Inge binnen te laten. Maar wat ziet ze eruit! Haar gezicht is rood en vlekkerig en Inge ziet duidelijk sporen van tranen.

„Dag Inge. Pieter is net de tuin ingelopen, kijk maar of je hem vinden kunt". Inge glipt vlug naar buiten. Als er hier eén teveel is, dan is zij dat wel. Wat is er toch gebeurd? Ze vindt Pieter daar waar de tuin overgaat in polderland. Hij leunt met z'n armen over de afrastering en staart de wijde velden in. Door het dichte bladerdek op de grond hoort hij haar niet aankomen. „Pieter!"

Langzaam draait hij zich om en Inge schrikt. Zijn donkere ogen, die anders maar al te graag spotziek opblinken, staan nu zo ontredderd en zo radeloos, dat de tranen haar bijna in de ogen schieten.

„Pieter, wat is er? " Haar hele hart gaat naar hem uit.

„Inge! Hij is weg — heb je 'm gezien daarnet? "

„Je vader bedoel je? "

„Ja.... en nu.... O Inge, ik benzo blij, datje er bent!"

Inge begrijpt er niets van en dat dwaze hart van haar begint alweer te bonzen. Hij slaat zijn arm om haar heen en trekt haar mee naar de tuinbank onder de kastanjeboom. Maar zijn stem is bitter als gal, als hij begint te praten.

„O, hij komt wel weer terug, hoor. Hij is al meer weggeweest. Hij kan niet buiten zijn leven van zeer gegoed, zeer gesetteld man. En nu — nu moetje alles maar weten ook. Ik weet 't zelf allang, via allerlei slinkse wegen ben ik er achter gekomen: hij — m'n vader — is m'n moeder al meerdere keren ontrouw geweest. Nu weer.... op z'n laatste zakenreis. Via een kennis van m'n zus is het bekend geworden. Hijzélf probeert 't natuurlijk angstvallig geheim te houden. Zijn image van integer, succesvol zakenman mag tot géén prijs geschaad worden". In een adem. heeft Pieter alles er uitgegooid, scherp en koud analyserend. De moeilijkheden, waarmee hij is gekonfronteerd, hebben hem wijs gemaakt boven zijn jaren.

„O, Pieter!" Inge is verbijsterd, ze kan het niet bevatten. „En iedere zondag — dan zie ik hem in de kerk...."

„De kerk? Die hoort ook bij zijn image. Intussen weerhoudt 't hem niet relaties aan te knopen".

„En — en je moeder dan? Ze is zo mooi, zo'n echte dame...."

„Mijn moeder is een schat". Voor het eerst komt er warmte in Pieters stem. „Ze heeft 't moeilijk, maar de deur staat toch altijd weer voor hem open. Terwijl hij niet eens van haar houdt, volgens mij heeft hij haar getrouwd om haar geld". Wanhopig kijkt hij Inge opeens aan: „Zo'n vader heb ik nou!" Inge ziet een man in een gelapte overal, gehurkt tussen de slaplantjes. „Zei je dat er koffie was, Inge? " Nog nooit heeft ze zoveel van haar eigen vader gehouden als op dit ogenblik.

„En wat moet ik nu, Inge? Hoe moet 't nou verder? Ik kan totaal geen respekt meer opbrengen voor hem".

„Ik weet 't niet...." Inge aarzelt. Dit zijn problemen, die niet te tillen zijn en die hoog uit stijgen boven haar schoolmeisjesproblematiek. Er is maar één uitweg. De vertrouwelijkheid tussen hen is nu zo groot geworden, dat ze het toch durft te zeggen: „Je mag er om bidden, Pieter, bidden om een oplossing. Je mag toch alles aan de Heere vragen, dat weet je toch. Ik kan je niet helpen".

„Je hébt me al geholpen, Inge", zegt hij schor en hij schraapt heftig zijn keel om z'n ontroering te verbergen. „Meisje, als je eens wist, hóe...."

Hij pakt haar hand en in een wonderlijke bevangenheid zitten ze bij elkaar. Nu durft Pieter haar ook te vertellen wat hem de laatste tijd zo bezig hield. Hij bekent haar hoe somber hij was, ondanks al zijn uiterlijke zwier en hoe weinig vertrouwen hij in de toekomst had. In gedachten zag hij zijn leven verlopen als dat van zijn moeder: door velen benijd en bewonderd, maar zonder iemand, die echt gaf om hemzélf en die hij volkomen vertrouwen kon.

Totdat hij haar, Inge, leerde kennen, zijn lief vriendinnetje....

Inge's vochtige ogen zijn langzaam heel blij geworden. Ze zit doodstil, met haar blonde hoofd gebogen en ze durft niets te zeggen. Dus toch — o, Heere, ik dank U, ik dank U....

Dordrecht,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1986

Daniel | 32 Pagina's

Al uw bekommernis

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1986

Daniel | 32 Pagina's