De vader van de niemandskinderen
(4)
Ergens in Londen wordt een paar weken later een zendingsavond gehouden. Een echte zendeling zal komen vertellen over zijn werk. Student Barnardo zit op de achterste bank. Hij komt ook luisteren.
Maar als het tijd is om te beginnen, is de zendeling er niet....! Wat moet er nu gebeuren? De dominee die de avond leidt, zegt: , , Helaas is de zendeling niet gekomen, mensen." Ineens ziet hij achterin de kerk de jonge student zitten en krijgt een idee.
„Daar zit dokter Barnardo", zegt hij, „zou ü misschien over uw werk in het vreemde schooltje wat kunnen vertellen? Daar zullen de mensen toch óók wel naar willen luisteren." Hij vraagt of de dokter naar voren wil komen.
Die schrikt. Hij? Moet hij vertellen gaan over zijn zwerftochten door Londen, en over zijn vreemde schooltje? Eigenlijk durft hij niet goed, maar zitten blijven durft hij ook niet.
Eerst vertelt hij hakkelend. Maar het gaat steeds beter. Hij denkt: , , 't Is goed dat veel mensen er van horen. Zijn hart is vol medelijden met de schooiertjes. En hij vertelt de hele avond door.
Aan het eind van de zendingsavond, als bijna iedereen vertrokken is, staat er een jong dienstmeisje bij de deur. Ze stopt Barnardo iets in handen en zegt, nog juist voordat ze wegloopt: „Hier, voor uw kinderen...." Het zijn drie stuivers. Het werden de eerste gaven voor het grote werk!
De volgende dag staat er een klein bericht in de krant. Over de zendingsavond en over dokter Barnardo. Een rijke Londense heer — in Engeland zeggen ze Lord — zit in zijn gemakkelijke stoel de krant te lezen, ergens in de deftige buurt van de Engelse hoofdstad. Zijn oog valt op het kleine bericht en hij leest het eén-, tweemaal.
„Met die man zou ik wel eens een avondje willen praten", denkt hij. Als hij eindelijk heeft uitgezocht waar de student woont, nodigt hij hem uit met hem te komen praten. Deze Lord is een belangrijk man: hij zit in de regering van Londen en komt altijd op voor de arme mensen. Ook heeft hij medelijden met de Engelse kinderen, die soms lang in de fabrieken moeten werken. Veel heeft hij al geholpen waar het mogelijk was.
Hij praat een lange avond met hem. En aan het eind van die avond zegt hij, diep onder de indruk van wat hij hoorde: „Is het werkelijk zo erg als u mij verteld hebt? " „Ik kan het u zelf laten zien", antwoordt Barnardo.
En wéér gaan zij de stegen door. Overal zoeken ze de niemandskinderen, maar het lijkt dat ze verdwenen zijn. Maar de dokter zegt: „Ze móeten er toch zijn!" Eindelijk komen ze een politieagent tegen. Misschien weet hij wel waar ze zitten. In ieder geval niet meer bij de muur....
De agent glimlacht en zegt dan: „Ziet u die kisten en die tonnen daar, waar dat zeil voor de regen overheen gespannen is? Daar zitten ze, maar ze komen vast niet te voorschijn als ze zulke deftige mensen zien. Weet je, u moet ze maar eens wat geld beloven, dan heb je kans dat ze uit hun schuilhoeken zullen komen."
Dokter Barnardo aarzelt niet. Hij loopt erheen en belooft wat geldstukken als ze tevoorschijn komen. En dan Het zeil beweegt. Daar komt een jongen tussenuit gekropen. Nog één, en nog één. En nog veel meer komen er tussen de tonnen en kisten vandaan In totaal 73 jongens komen op hen af lopen, met uitgestoken handen. Hongerige monden en begerige ogen. Ze hebben die jongens meegenomen naar een koffiehuis dat dokter Barnardo wel wist in de buurt en getrakteerd op soep en broodjes. Nooit hebben de daklozen zo lekker gesmikkeld....
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1986
Daniel | 32 Pagina's