JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Maak ons Uw beeld gelijk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Maak ons Uw beeld gelijk

kort verhaal

6 minuten leestijd

Vroeg in de ochtend haast een jongen zich het schoolplein op. In een hoekje van het fietsenhok hurkt hij neer bij een fiets. Deze fiets blijft nogal eens een nachtje in het fietsenhok „overnachten", omdat z'n eigenaar logeert bij een vriend, die met de autowordt gehaald en gebracht.

Zenuwachtig trekt Carl de stroomdiaadjes van de fietslamp kapot, wrikt een flink aantal spaken krom en knipt tenslotte de snelbinders door.

Dan blikt hij gejaagd om zich heen. Een doodse stilte omringt het schoolplein. Er is niets te vrezen en.... Gerard kan z'n lol op met z'n kapotte fiets.

Een ogenblik later verschijnt Carl als gewoonlijk aan het ontbijt. „Waar wasje zojuist? " Vragend kijkt mevrouw Talendo haar oudste aan. , , 'n Eindje fietsen", klinkt het kort.

Moeder fronst. Vreemd, Carl is niet bepaald een ochtendmens. Meestal komt hij pas op 't laatste nippertje z'n bed uit. Ze zwijgt. Wanneer heeft Carl voor het laatst gelachen? Ze weet het niet meer. Sinds hij van de openbare school naar de christelijke school is overgegaan, is hij steeds stiller geworden en niet meer met woorden te benaderen. Z'n gezicht staat hard en nors. Alleen als het persé moet, doet hij z'n mond open.

Carl is op school geen beste leerling. Twee keer blijven zitten en nog de grootste moeite om mee te komen. Daar heeft de jongen nogal eens last van gehad, maar dat moet nu op de christelijke school toch anders zijn. Ach, in God geloven doet ze niet, maar op zo'n school is er toch meestal een betere mentaliteit. Ze hoort Carl nu inderdaad nooit meer over plagerijen, maar.... er moet tóch iets zijn wat hem dwars zit.

Ook dit keer komt mevrouw Talendo niet tot een gesprek met haar zoon.

't Is elf uur als Gerard Brunning de schade aan zijn fiets ontdekt. Driftig wordt er gezocht naar de schuldige, maar niemand meldt zich.

Die middag moet Carl Talendo zich ertoe zetten om z'n gewone plaats naast Gerard in te nemen. Zo meteen is het weer lezen geblazen en.... hij vóélt het: als het wéér net zo gaat als alle vorige keren, zal hij zich niet in kunnen houden....

„Liefting, deel de leesboeken eens uit. Iedereen neemt bladzijde 37 voor zich, vijfde regel van onderaf, Gerard begint". Gerard is een goede lezer. Snel vliegen z'n ogen over de regels en z'n rappe stem ratelt de zinnen af.

„Stop maar Brunning, goed gelezen al kon het wel wat rustiger. Carl, ga verder".

Stilte volgt.

„Carl? " Stilte....

„Zat je weer eens te suffen, meneer Talendo? "

Treiterend gegrinnik naast hem. Gerard! en dan volgen de anderen.

Carl voelt het bloed naar het hoofd stijgen. Wild begint zijn hart te bonken. Z'n ogen fonkelen. Langzaam staat hij op van z'n plaats en buigt zich tot vlak voor Gerards spottende gezicht: „Jouw fiets is door mij vernield! Door een jongen die niets en dan ook niets kan vergeleken bij zo'n vluggerd als jij!" Boos kijkt hij daarna de meester aan die hem inmiddels bij de schouder heeft gegrepen, en z'n schelle jongensstem gaat over in een schorre snik: „....En bidden doe ik óók niet meer! Jullie christenen proberen me hier maar wat wijs te maken. Als jullie lijken op Christus, dan zal Hij Zelf ook vast niet zo bijzonder zijn!"

Verbluft laat meester Timmer de jongen los. Met grote ogen staren de jongelui Carl aan. Dof bonst Carls hoofd en ineens vult zich zijn hart weer met dat oude verdriet dat al z'n machteloze woede verdrijft. Met een moe gebaar werpt hij het leesboek op het bureau van de leraar. Vóór iemand iets zeggen of doen kan, is Carl door de deuropening verdwenen.

Door het nachtelijk duister zwerft een jongen langs de spoorbaan. Een jongen van net veertien jaar.

Slechts één gedachte vult zijn hoofd: christenen verdragen mij niet zoals ik ben, zou hun Christus mij dan wél verdragen? Bestaat God nu wel of niet. Wie is Hij dan? Carl komt er niet uit.

In de verte hoort hij nu het zachte denderen van een naderende trein. Een geluid dat steeds meer en meer aanzwelt. De lichten van het monster dat daar uit de nacht komt opdoemen, lijken de jongen te roepen en lokken: „Kom, kom, een monster is milder dan mensen!"

Maar de gedachte aan de dood doet hem huiveren: verschijnen voor een God die hij niet kent?

Als het geluid van de trein is weggestorven en de stilte in het polderland is weergekeerd, komt Carl ineens weer tot besef van tijd. Met schrik stelt hij vast dat het al een uur of tien moet zijn. Moeder zal hem gemist hebben aan het avondeten en ongerust zijn. Wat bezielt hem toch daar niet aan te denken?

Direkt maakt de jongen rechtsomkeert en zet er stevig de spurt in. Ongemerkt is hij een eind weggedwaald. Eer hij thuis is, zal het rond middernacht zijn. Carl doet er nog een schepje bovenop. Maar z'n vermoeidheid speelt hem parten en 't loopt niet gemakkelijk op de ongelijke weidegrond.

In het duister ziet hij niet de tamelijk diepe put voor zijn rechtervoet. Een rauwe kreet weerklinkt over het wijde polderland als hij ineens voorover op de grond smakt Felle pijnscheuten doortrekken zijn been. Dan weet hij niets meer....

....Een beklemmend zwijgen heerst in de klas als meneer Timmer verder vertelt: „Hij moet een poos buiten bewustzijn zijn geweest en heeft zich daarna met alle kracht geprobeerd naar huis te slepen, maar verder dan het Polderpad, is hij niet gekomen. Daar is hij vannacht rond één uur door een café-houder gevonden. Z'n been is zwaar gekneusd, hij zal voorlopig enkele weken met z'n been omhoog moeten zitten. Hij weigert naar school te gaan, ....wat ik begrijpen kan...."

Gerards gezicht is wit weggetrokken. Hij was altijd Carls grootste kwelgeest en had dan de klas op zijn hand.

Meesters stem stokt even voor hij moed vindt om verder te spreken: ....„In de omgang met Carl, hebben wij geen naastenliefde laten zien. Wij bidden wel: „Maak ons Uw beeld gelijk", maar we hebben dat beeld van Christus niet getoond. Carl had nodig om, óók door middel van ons voorbeeld Gods liefde te ervaren, Hem te leren kennen. Maar wij bleven in gebreke. Laat er gebed zijn voor Carl en laten we proberen onze fouten goed te maken wanneer hij weer bij ons zal zijn".

Als Carl na enkele weken weer de klas inkomt, vindt hij daar een heel andere sfeer terug dan hij er achterliet. Z'n klasgenoten vormen geen bedreiging meer voor hem. Regelmatig hebben ze hem om beurten thuis opgezocht. Hij weet zich nu omringd door vrienden. Nog wat hinkelend neemt hij z'n plaats naast Gerard weer in.

De stem van meester Timmer trilt als hij met de klas nog even op het gebeurde terugkomt. En kort besluit hij: ....„Maar met al onze zonden, met heel ons leven en alles wat ons overkomt moeten we tot de Heere gaan. Hij kan ons leven veranderen. Hij kan ons léren op de goede manier met elkaar om te gaan. Hij kan ons hèlpen om in ons doen en laten een kléin beetje het beeld van Christus gelijk te worden". Carl buigt zijn hoofd.... hij begrijpt... en vergeeft

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juli 1986

Daniel | 32 Pagina's

Maak ons Uw beeld gelijk

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juli 1986

Daniel | 32 Pagina's