Wat voor ogen is Kort verhaal door C. A. Donze-Servaas
Als een lopend vuurtje gaat het nieuws door het kleine stadje: „De Swaanenborg" krijgt weer nieuwe bewoners!"
Sinds de dood van de oude baron, nu weer al een paar jaar geleden, heeft het statige landgoed er eenzaam en verlaten bij gestaan. Maar als de geruchten die de ronde doen op waarheid berusten, dan zal het binnen afzienbare tijd weer bewoond worden. De nieuwsgierigheid naar de nieuwe bewoners is groot en zelfs op school zijn ze het gesprek van de dag.
Joop Verbeek heeft horen zeggen dat er een nicht van de oude baron in komt wonen en Anja Manters weet te vertellen dat er een neef van hem in het oude landhuis komt die wel zes kinderen heeft. Zo zegt de een dit en de ander dat, maar niemand die het rechte weet. Totdat op een morgen Anja van Dinteren opgewonden op het schoolplein komt met de mededeling dat zij nu precies weet hoe de vork aan de steel zit. Opgewonden vertelt ze dat de nieuwe bewoner in hoogst eigen persoon bij haar vader is geweest om een prijsopgave te vragen voor een gehele renovatie van het landgoed. Ook het bijbehorende koetshuis, wat de baron altijd als schuur gebruikte moet helemaal opgeknapt worden.
„O, ik hoop toch zo dat m'n vader dit karwei mag doen", valt Anja even uit haar rol van verslaggeefster, „er is op het moment zo weinig werk en als hij dit zou hebben, kunnen we weer een hele poos vooruit".
„Is het nu werkelijk een neef van de baron? ", vraagt Henk Versluis die blijkbaar nieuwsgieriger is naar de aanstaande bewoner van de Swaanenborg dan naar de financiële positie van aannemer Van Dinteren.
„Dat weet ik niet", moet Anja bekennen, „maar hij is ook van adel, hij heet eh.... even kijken, ik heb het opgeschreven. Hè, waar is dat ding nou gebleven". Ijverig grabbelt ze in haar mantelzakken en haalt dan triomfantelijk een vodje papier tevoorschijn. „Hier heb ik het, even kijken, hij heet jonkheer A. F. M. M. van Heemskercke tot Yuterwaarde", leest ze dan plechtig voor.
„Allemensen, wat een naam", verzucht Jo Kik, „daar kan de mijne wel zes keer in". , , 'k Wou dat ik zo'n naam in chocoladeletters kreeg", mijmert Ellen Verschoor, die graag snoept, begerig.
„Nou, zeg je bent zeker nog niet dik genoeg", prikt Jo met haar vinger naar de inderdaad meer dan mollige Ellen. „He, zeg, houden jullie eens op", zegt Anja korzelig, „ik ben nog niet uitverteld". „Straks gaat de bel en dan weten we nog niet alles, zou dat even een ramp zijn", mompelt Ineke Toes binnensmonds. Ze kan eigenlijk niet begrijpen dat er zo'n drukte gemaakt wordt over iemand die hier komt wonen. Omdat hij van adel is zeker. Nou, dat zegt haar niks. „Het gaat niet om wat je bent, maar hoe je bent", zegt moeder altijd.
„Ze hebben maar één zoon", dringt de stem van Anja dan weer tot haar door, „en die komt hier bij ons op school. Ze zijn trouwens ook van onze kerk".
„Tjonge", laat Loek van Burg zich ontvallen, „ik wist niet dat er in onze bescheiden gelederen ook adellijke lieden bestonden".
„Dan weet je het nu", vinnigt Anja, ondertussen benauwd op haar horloge kijkend. „In het koetshuis komt de tuinman van de jonkheer te wonen", ratelt ze dan weer vlug verder. „Die heeft zes kinderen maar die zijn bijna allemaal getrouwd. Alleen de jongste zoon is nog thuis. Die is net zo oud als de zoon van de baron en het leuke is dat ze ook dezelfde naam hebben".
„Mag ik zo vrij zijn om je betoog te onderbreken en tevens jullie allen verzoeken om het schoolgebouw binnen te treden? ", klinkt dan ineens de stem van mijnheer Laurens. Met een vuurrode kleur breekt Anja abrupt haar verhaal af en loopt haastig met de anderen de school in.
„Mag ik jullie even voorstellen, jongens en meisjes? Hier zijn twee Peters, Peter van Heemskercke en Peter Tinders".
Alle ogen zijn gericht op de twee jongens die mijnheer Trier het lokaal in leidt. Ze zijn alle twee even groot maar dat is ook alles wat ze uiterlijk gemeen hebben. De ene jongen is keurig gekleed. Op zijn overhemd is geen smetje te bekennen, zijn schoenen glimmen of er een hele week op gepoetst is en zelfs ontbreekt er geen kaarsrechte vouw in zijn broek. Zijn gezicht heeft een beetje lijdelijke uitdrukking die nog versterkt wordt door het strak achterover gekamde haar en de grote donkere bril.
De andere jongen is precies het tegenovergestelde. Aan zijn ribbroek, waar maar weinig model in zit, kan men zien dat die al menig wasbeurtje achter de rug heeft en het verschoten T-shirtje geeft ook in die richting te denken. En zo zijn schoenen ooit gepoetst zijn, dan is dat beslist niet op een recente datum gebeurd. Onder een grote krullebos blikken twee vrolijke ogen vrijmoedig het lokaal rond.
„Ik hoop dat jullie het goed met elkaar kunnen vinden", klinkt mijnheer Triers stem weer, „mijnheer Boer, u heeft nog wel een plaatsje voor deze twee knapen hè? " Met nog een vriendelijk knikje beent hij het lokaal al weer uit, de jongens aan mijnheer Boer overlatend. Deze heet hen hartelijk welkom en wijst hen dan hun plaatsen aan. „Als deze Peter nu eens hier op de tweede bank gaat zitten? " Hij duwt het „heertje" (die bijnaam heeft de jongen al gelijk te pakken) naar voren. „En daar vanachter is ook nog een plaatsje vrij", wijst hij de andere Peter. „Ja, daar, die laatste bank op één na". Een fraktie van een seconde kruisen de blikken van de jongens elkaar voor ze naar hun plaatsen lopen. Niemand die het merkt.
„Maar kind toch, wind je niet zo op", sussend legt moeder even haar hand op die van Ineke. „Ik begrijp dat je je er aan ergert maar ik vrees dat er weinig aan te doen zal zijn. De mensen zien nu eenmaal aan wat voor ogen is en dat is ook zo met deze twee Peters". „Ik kan het gewoon niet uitstaan", barst haar dochter dan weer los. , , 't Is al Peter van Heemskercke zowel bij de jongens als bij de meisjes. „Peter, mijn vader heeft een boot, ga je mee vissen? " „Peter ik ben volgende week jarig, kom je ook? ", enzovoorts enzovoorts. En dat enkel en alleen omdat hij van adel is en op een landgoed woont. Iedereen hoopt natuurlijk dat hij of zij ook eens uitgenodigd zal worden op de Swaanenborg. Nou, dat zit hen niet mee voor zover ik weet, want tot nu toe is er nog geen mens uitgenodigd". Hoofdschuddend, half ernstig, half glimlachend, hoort mevrouw Toes de verontwaardigde rede aan. O, ze begrijpt Ineke zo goed en.... ergens is ze toch een beetje trots op haar dochter. Zeker, Ineke heeft ook haar gebreken en tekortkomingen, maar aan de andere kant is ze recht door zee en zal ze altijd opkomen voor hen die in haar ogen onrecht aangedaan worden. Wedden dat ze meelij met die andere jongen heeft. „Kijken je klasgenoten naar die andere Peter niet om? ", vraagt ze vissend. „Och, niet omkijken", schokschoudert Ineke, „ze laten hem op een afstand meedraaien. Maar ze zullen hem nooit eens uitnodigen terwijl het heertje onderhand dagelijks uitgenodigd wordt".
„'t Heertje? ", vragend trekt moeder haar schouders op.
„Ja, die bijnaam had hij de eerste dag al", legt Ineke uit. „Nou, 't is wel een heertje ook", sneert ze dan, „met z'n vouw in zijn broek en zijn glimschoenen. 't Valt me nog mee dat hij geen stropdas aan heeft Bah!", zegt ze er hartgrondig achter. „Hoe is de verhouding tussen die twee Peters zelf? ", onderzoekt mevrouw Toes verder. „Dat is ook een snertverhouding", zegt Ineke verontwaardigd.
„'t Heertje laat heel goed merken dat hij toch maar eens eventjes jonker van Heemskercke tot huppeldepup is en meestal keurt hij Peter Tinders geen blik waardig".
„Toch zitten ze 's zondags altijd naast elkaar in de kerk", zegt moeder. „Hm, dat moeten ze misschien van hun ouders", veronderstelt Ineke. Dan springt ze overeind en gaat met fonkelende ogen voor haar moeder staan. „Zal ik u eens wat zeggen mam? Als ik bij leven en welzijn volgende maand jarig ben, dan vraag ik ook Peter op mijn verjaardag en dat heertje kan voor mijn part vliegen gaan vangen!"
Langzaam fietst Ineke uit school naar huis. Hè wat een heerlijk weer. 't Is te hopen dat dit mooie vooijaarsweer een poosje aan zal houden want het is bijna vakantie.... „Tingelingeling" een hevig fietsgebel onderbreekt Inekes gedachtengang. Vlug kijkt ze achterom en ziet dat Peter Tinders haar achterop komt rijden. „Hoi", groet hij amikaal, „wat een weer-
tje hè? " , , 't Is te hopen dat'dit mooie weer een poosje blijft aanhouden want het is bijna vakantie en dan...." Verbaasd stopt hij als Ineke het ineens uitproest. „Wat is er, zeg ik iets geks? " „Nee hoor", schudt Ineke haar hoofd, „maar ik was precies hetzelfde aan het denken wat jij nu zegt". „Over een goede kommunicatie gesproken", grinnikt Peter. Zwijgend rijden ze dan een poosje naast elkaar. „Het komt goed uit dat ikje net zie", verbreekt Ineke dan hun stil-zijn, „want ik wil je net iets vragen".
„Vraag maar op hoor, als het maar niet om mijn portemonnee te doen is", lacht Peter. „Die mag je zelf houden", stelt Ineke hem gerust, „maar ik wilde vragen of je volgende week op mijn veijaardag komt". Verrast kijkt Peter haar aan maar geeft nog geen antwoord. „Op je verjaardag komen? ", herhaalt hij dan peinzend haar vraag. Wat verwonderd over zijn vreemde reaktie kijkt Ineke nu opzij naar Peters gezicht maar daar valt niets op af te lezen. Langzaam voelt ze zich rood worden. Peter zal toch niet denken dat.... Vlug begint ze te praten: , , 't Wordt niets bijzonders hoor, gewoon een gezellig onderonsje met een gebakje en een glaasje fris. Je moet hier echt niets achter zoeken hoor, maar ik wil je gewoon vragen omdat eh.„." Wat hulpeloos blijft ze steken. „Omdat je het niet kunt uitstaan dat ze allemaal zo dwepen met die andere Peter en zo overdreven naar zijn gunsten dingen terwijl ze mij er maar een beetje bij laten bungelen omdat ik maar een sjofel mannetje ben", maakt Peter dan rustig haar zin af. „Precies", knikt Ineke opgelucht, blij dat Peter haar zo goed begrijpt. Dan remt Peter af en pakt Inekes stuur vast zodat ook zij moet stoppen. „Ik wil je uitnodiging graag aanvaarden", zegt hij met een glimlach, „maar ik wil aan jou vragen of je overmorgen eerst op mijn verjaardag komt".
Ineke is toch wel wat zenuwachtig als ze, op Peters veijaardag naast hem fietst en ze de Swaanenborg naderen. Hoe zouden Peters ouders zijn? Bij het koetshuis wil ze afremmen, maar tot haar verbazing rijdt Peter door tot ze aan het brede bordes van het landhuis komen. Haar verbazing gaat echter over in verbijstering als Peter, nadat ze zijn afgestapt, zijn arm door de hare steekt en haar langs de marmeren trap de grote hal binnenvoert. Glimlachend trekt hij haar naast zich op een bank en begint een beetje zachtjes te praten. „Ik moet je iets bekennen, Ineke. Ik ben namelijk niet die jij denkt dat ik ben. Het klinkt misschien wel een beetje raadselachtig maar het komt hier op dat ik Peter van Heemskercke tot Yuterwaarde ben en niet Peter Tinders". Als Ineke hem niet begrijpend aankijkt, gaat hij verder: „Weet je Ineke, de mensen zien maar aan wat voor ogen is. Ze bekijken je naar je titel, naar je aanzien en naar je bezit en als het even kan proberen ze daar van mee te profiteren. Maar wie je zélf bent, dat interesseert hen in wezen niet. In onze vorige woonplaats draaide men ook steeds om mij heen en vroeg me vaak af of ze ook zo met me zouden dwepen als ik maar een gewoon burgermannetje zou zijn. De kans om dat aan de weet te komen kreeg ik toen we naar hier verhuisden en Peter Tinders in het koetshuis kwam wonen. Ik wist hem te bewegen om de rol van jonkheer op zich te nemen. Arme Peter, in werkelijkheid is hij een grote sloddervos die net zoveel om mooie kleren geeft als die vaas daar. Hij voelde zich dan ook diep ongelukkig in de rol van 't heertje en vroeg dan ook iedere dag hoe lang hij deze komedie nog vol moest houden. Toen jij eergisteren aan mij vroeg of ik op je verjaardag wilde komen, wist ik datje mij spontaan je vriendschap aanbood, zonder „aanneming des persoons" en ik besloot toen om Peter van zijn taak te ontheffen en open kaart te gaan spelen".
„Maar waarom vertelde je toen niet wie je was? ", krijgt Ineke, die zwijgend het hele verhaal heeft aangehoord, haar spraak terug. Dan kijkt Peter haar ernstig aan: „Zou je dan mijn uitnodiging ook aanvaard hebben? " Even aarzelt Ineke.
„Nee!", zegt ze dan eerlijk. „Maar je ouders", begint ze weer, „vinden die het wel goed dat je omgaat met een gewoon meisje zoals ik ben? " „Ten eerste ben je geen gewoon meisje", antwoordt Peter, „maar een buitengewoon lief meisje en ten tweede zijn mijn ouders een paar hele fijne mensen die een goed innerlijk, voor zover je van een mens „goed" kunt spreken, ver boven alle klatergoud stellen. Bovendien, ik geloof niet dat er in „onze kringen" nog één familie te vinden is die de „oude waarheid" aanhangt en die ze, zoals ik weet, ook nog bij jou thuis aanhangen. En die waarheid gaat bij mijn ouders boven alles. Kom laten we naar hen toe gaan, ze wachten op je".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juli 1986
Daniel | 32 Pagina's