De vader van de niemandskinderen (2)
In de avonduren, als dokter Barnardo klaar is met studeren, komt hij in de achterbuurten van Londen. Hij probeert overal te helpen. Er is in Londen een vreselijke ziekte uitgebroken: de cholera. Eerst werden de mensen ziek, kregen diarree. En zomaar stierven ze bij honderden en duizenden. De jonge dokter geeft hulp en raad, hij zorgt voor medicijnen voor de slachtoffers. Maar ook vertelt hij van de grote Medicijnmeester. Daarom is hij hier terecht gekomen.
Hij mocht deze oude ezelsstal gebruiken. De muren zijn ruw gewit. De olielamp is bijna uit. Nu zet hij de banken een beetje recht. Dan doet hij het Boek dicht. Het Boek op zijn tafel.
Ja, hij heeft de schooiertjes juist verteld. Zingen konden de wilde jongens niet. Bidden? Onmogelijk. Maar toen hij vertelde van de „wilde", hebben ze geluisterd. Over die wilde kerel op de bergen van Gadara, die uitgebroken en gevlucht was, die rauwe kreten schreeuwde en zichzelf sloeg met stenen. Iedereen was bang voor hem. En allen spraken over hem, over Legio.
Tot die Ene kwam. Hij was niet bang, maar liep recht op de wilde af. Keek hem diep in de ogen. En riep met een grote stem: Ga uit van hem! Legio schreeuwde nog wel, maar tevergeefs. De grote Medicijnmeester deed Zijn werk. En de bezetene zat geknield aan Zijn voeten. Gezond en wél bij zijn verstand. Nu is de vertelling afgelopen. Barnardo bidt. Bidt vurig, of die grote Koning wil komen, ook in het hart van de kleine boeven. Boeven zijn het, vloekers, eigenlijk ook wilden. Maar zij hebben het toch gevoeld, even maar: Hij regeert! Het Boek gaat dicht.
De dokter wil weggaan, maar juist gaat de klink van de deur vanzelf omhoog, en daar staat de kleine jongen. Opgejaard door de kou van de nacht. Arme kerel. Wat ziet hij eruit....
„Meneer, mag ik blijven? Ik zal niks doen. Laat mij vannacht hier mogen blijven, daar in de hoek op de grond. Mag het? "
„Jongen, dat gaat niet. Ik ga sluiten. Ga gauw naar huis, vooruit."
Even is het stil, maar dan zegt de jongen: „Ik héb geen huis."
„Geen huis? Kom nou, maak me niets wijs, ga naar je moeder."
„'k Héb geen moeder."
„Wat zeg je me nou, geen moeder? Ga naar je vader dan en maak dat je wegkomt."
Even is het stil. En dan: „Ik heb geen vader."
„Waar woon je dan? " .... „Nergens."
„Hoe kan dat nou, geen moeder, geen vader, geen huis? Van wie ben je dan een kind? ? "
„Van niemand." Het hoge woord is eruit. Een kind — van niemand!
Daar staat de jonge student. Veel heeft hij al gezworven door de achterbuurt. Veel verdriet, veel zonde heeft hij al gezien. Maar dit? Een kind van niemand? Dat kan toch niet....
„O ja meneer, er zijn er nog veel meer." „Je kunt me nog meer vertellen; ik geloof er niets meer van. Laat maar eens zien dan, wat er waar is van je verhaaltjes."
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juli 1986
Daniel | 32 Pagina's