De barre vlucht
vervolgverhaal deel 7
De Gobi-woestijn
De dagen rijgen zich aaneen tot weken. In de dorpjes van het bewoonde Buiten-Mongolië vinden de vluchtelingen een gastvrij onthaal. Echt gebrek hebben ze nog niet geleden. Soms kunnen ze de kost verdienen door te helpen bij het dorsen van de rogge waar de boeren volop mee bezig zijn. Dan slaan ze met hun knuppels de korrels uit de droge aren en heeft de os, die dit werk doet een paar uurtjes rust. Gesprekken met de bewoners zijn niet mogelijk. Mr. Smith heeft eens het woord „Lhasa" laten vallen. Het blijkt een soort toverwoord te zijn. Ieder beschouwt hen nu als bedevaartgangers naar de hoofdstad Tibet, naar de residentie van de Dalailama. Tweemaal zijn ze een bijna onafzienbare woestijn doorgetrokken, beide keren onderbroken door een hoge heuvelrug. Aan de voet van de laatste stroomt een helder beekje. Na een teug van het frisse water genomen te hebben, lopen ze de volgende morgen zonder watervoorraad en met heel weinig voedsel de blakende Gobi-woestijn in. Zes dagen zwoegen ze voort. Een zinderende hitte overdag, een ijzige koude 's nachts en dag en nacht een kwellende dorst. Op de zesde dag struikelt Kristina en valt op haar knieën, langzaam staat ze op en strompelt weer verder. Enkele uren later valt Slav en eer het avond is, heeft ieder van de groep eén of meerdere malen met het woestijnzand kennis gemaakt. Tegen een hoge heuvel gaan ze liggen en proberen wat te slapen, maar de enige die zich ontspannen kan, is Kolemenos. Hij beklimt de volgende morgen de zandheuvel. Het duurt lang eer hij boven is. De anderen gaan vast op weg het zuiden in. Kwam er maar eens verandering in dat altijd eendere, doodse landschap. Niemand van het groepje verwacht iets anders dan dat Kolemenos wanhopig zijn schouders zal ophalen, maar de reus strekt zijn arm uit en wijst. , , Daar, daar!" schreeuwt hij hees. „een oase!"
De dood slaat toe
Vijf dagen na het korte oponthoud bij de oase, valt Kristina onverwachts weer op haar knieën. Ze staat niet op, zoals de andere keren. Langzaam zakt zij voorover en valt — voor er iemand bij haar is — me haar gezicht in het zand. Ze is bewusteloos. Als ze bijkomt, kijkt ze naar de mannen die in een kring om haar heen zitten. „Ik ben al beter", glimlacht ze. De volgende dag schreien zeven mannen zonder enige terughoudendheid om het dierbaarste dat ze bezaten op de hele wereld en dat hen ontnomen werd. Kristina is dood. Vier dagen later sluit sergeant Sigmund Makowski, zevenendertig jaar oud, ex-kapitein van de Poolse grenstroepen voorgoed zijn ogen. Twee kleine houten kruisen in de oneindige zandwoestenij duiden hun graven aan.
Tibet
De beproevingen van de Gobi-woestijn hebben een stempel achtergelaten op het groepje van zes. Drie maanden zal het de mannen kosten om over een uiterst moeilijk terrein de ongeveer 2400 kilometer tot de Himalaja af te leggen. Hun weerstand tegen de nu steeds koudere nachten is sedert de tijd van hun ontsnapping sterk afgenomen. Het verzamelen van brandstof wordt een bijna ziekelijke neiging. Het is ondenkbaar een nacht zonder vuur te gaan slapen, 's Morgens is de grond bedekt met een laag rijp die pas ver na zonsopgang wegsmelt. De schaarse dorpjes in het gastvrije Tibet worden met vreugde begroet. De vriendelijke Tibetanen zijn gul en goedgeefs. Gastvrijheid voor welke reiziger dan ook is een traditie
van dit volk. De dagen worden weken. Traag verstrijkt de tijd. Ze zwemmen bruisende rivieren over en beklimmen gevaarlijk uitziende bergtoppen, die vaak ongedacht gemakkelijk te „nemen" zijn. „Zouden we niet beter kunnen afbuigen naar Lhasa of een andere grote stad", stelt op een avond Marchinkovas voor, nadat ze vier dagen zonder voedsel verder getrokken zijn. „Dat halen we nooit", voegt hij er aan toe en wijst op de scherpe bergkammen van de Himalaja. „We kunnen daar dan een tijdlang blijven om krachten op te doen voor onze laatste etappe".
Alleen Paluchowisz valt hem bij, de anderen willen geen tijd verloren laten gaan. „Je weet maar nooit in 'n grote stad", zegt mr. Smith. „De ambtenaren daar kunnen wel eens heel vervelend worden en papieren van ons eisen, die we ten enenmale missen". Marchinkovas dringt niet langer aan en moedig trekt het groepje verder.
Met z’n vijven
Tegen het eind van november, enkele dagen nadat de vluchtelingen in een dorpje van nog geen tien huizen een bijzonder gastvrij onthaal hebben gehad, komen ze in een gebied van uitgestrekte meren, sommigen onafzienbaar als een zee. Langzaam dalen ze vanaf grote hoogte af en proberen de breedte van het meer waarop ze neerkijken te schatten. Hun afstandsbepalingen lopen uiteen van zestien tot veertig kilometer. De lengte van de enorme watervlakte te berekenen is uitgesloten, de einder is daar onbegrensd. Geleid door de oever van het meer leggen ze vele kilometers af. Drie dagen later begint weer een rotsachtig gebied. Vlak bijeen staan enkele huisjes. Na een overvloedige maaltijd krijgen ze nog extra proviand mee en trekken opgewekt verder. Dan begint het te regenen. In een ondiepe grot overnachten ze en eten wat van de platte koeken die ze mee gekregen hebben. Alleen Kolemenos slaapt zonder onderbreking tot de volgende morgen. De andere vijf hebben zoals altijd een onrustige nacht. Zaro is de eerste die opstaat en naar buiten gaat. Twee minuten later is hij terug, , , 't Is koud en mistig", huivert hij, „we moeten maar opbreken". Iedereen komt in beweging, Kolemenos geeft Slav met olifantachtige speelsheid een duwtje. Zaro's stem doet hen opschrikken.
„Zacharias! Opstaan!" Hij staat over Marchinkovas gebogen en trekt hem aan zijn schouder. „Word eens wakker, Zacharias!" Slav valt op z'n knieën naast Marchinkovas neer. „Hij...., hij is dood", stottert hij. „Zacharias is dood". „Dat kan niet, ik heb een uur geleden nog met hem gepraat", stoot Paluchowicz uit. Er is geen plaats in de rotsachtige bodem om hem te begraven. Ze leggen hem in een diepe kloof tussen de rotsen. De ruimte boven hem vullen ze op met stenen en kiezel. Voor de derde keer maakt Kolemenos een klein kruis, hij zet het tussen de stenen. Dan vervolgen vijf verslagen mannen hun weg. Zacharias Marchinkovas, achtentwintig of negenentwintig jaar oud, is niet meer.
Bergbeklimmen
Tegen het einde van februari 1942 is ieder van het groepje er van overtuigd dat India niet ver meer verwijderd is. Rijk voorzien van proviand en vuisten vol ruwe wol om hun voeten op Tibetaanse wijze te beschermen tegen de kou zijn ze vol moed op weg gegaan. Een weg die hun gastheer gewezen had. Tussen twee bergpieken, die op elkaar leken als twee druppels water, voerde hij door. Als er een berg beklommen moet worden, gaat Zaro voorop. Hij is de lichtste en onderzoekt met de bijl de steunpunten. Hij breekt de ijskorst weg die over de sneeuw ligt en baant het spoor. Na Zaro klimt Slav en dan Kolemenos, mister Smith en Paluchowicz. Altijd in dezelfde volgorde. Hun uitrusting bestaat uit een sterk touw van ongelooide huid, een bijl, Slavs mes en de lussen en pennen van het ijzerdraad, dat ze bij de oase in de Gobi-woestijn gevonden hadden.
Zaro is een uitstekend bergbeklimmer. Als ze bij een rotsovergang komen, bindt Kolemenos een zware, gladde steen met het model van een zandloper aan het uiteinde van het touw en gooit hem omhoog over een uitstekend gedeelte tot hij op een onzichtbare plaats blijft vastzitten. Na wat rukken en trekken gaat hij er met zijn hele gewicht aan hangen en als het touw hem houdt, begint Zaro snel maar voorzichtig te klimmen. Soms zijn er dagen zó helder, dat de gloed van de zon die door de sneeuw wordt weerkaatst, zo fel is dat hun ogen er pijn van doen. De ijzige kou sluit als een ijzeren band om hun voorhoofden. „Laten we maskers maken van de schapevacht die we in het laatste dorpje gehad hebben. We snijden er spleten in voor de ogen en stoppen de bovenkant onder onze muts", stelt Slav voor. Dat helpt. De felle kou kan zo hun voor-
hoofden niet bereiken en de blikkering van de zon in de sneeuw wordt wat getemperd, zodat hun ogen minder last hebben van de gloed.
Toch is zo'n masker ook niet alles. Vaak moeten ze stilstaan om met de warmte van hun bontwanten de benedenste helft van hun gezicht te ontdooien. Het vocht dat zich door de adem en neus en mond verzamelt, bevriest. Om te slapen is het te koud. Doodmoe, hongerig en met zenuwen die vaak tot het uiterste gespannen zijn, sukkelen ze voort. Begin maart lopen ze vanuit een jagende sneeuwbui plotseling de zonneschijn in van een diep dal. In een wip gaan maskers en mutsen af en gaan ze zonder te spreken zitten. De stemming is verre van opgewekt, drie dagen zonder eten hebben hen nou niet bepaald spraakzaam gemaakt. Plotseling staat Paluchowicz op. , , Ik hoor 'n hond blaffen. Luister!" Ingespannen luisteren de anderen, maar tevergeefs. „Daar, uit die richting kwam het geblaf", wijst Paluchowicz. Dan hoort Slav het ook. Zijn gezicht verheldert. „Waar 'n hond is, zijn ook mensen", zegt hij heel opgewekt. „Kom, er op af'. Een kwartier lang lopen ze voort, zonder iets te vernemen. Maar plots klinkt het geblaf zo luid en zo dichtbij dat ze abrupt blijven staan. Ze kijken rond. maar ontdekken nergens een huis of ander gebouw. De hond heeft hen geroken. want hij blaft voortdurend.
„Daar”, wijst Zaro ineens. Zwart tegen de blinkende witte sneeuw steekt de opening af van een grot. Dan zien ze de gestalte van een man, die de keffende hond toespreekt en dan in hun richting kijkt. Een tweede hond loopt kwispelstaartend op hem af, de eerste houdt op met blaffen. De man, niet zo jong meer, met vlokken wit haar om zijn kin lacht breeduit. De vluchtelingen buigen en lachen. Langs een lange muur van los op elkaar gestapelde stenen brengt de man hen de grot binnen. Het voorste gedeelte is het woonhuis van de man en zijn honden. Achterin, door een muurtje van ruwe stenen afgescheiden van de woonruimte, staan en ligt een honderdtal schapen. Op de vloer brandt een vuur. De herder begint direkt thee te zetten, thee zonder boter. Dan pakt hij zijn knipmes en slijpt het op een platte steen vlijmscherp.
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 mei 1986
Daniel | 32 Pagina's