Dienstverlening
visie op „alternatieve straffen”
visie op „alternatieve straffen'
Stijging vrijheidsstraffen
In de zestiger jaren was in veel westerse landen een onrustbarende stijging van het aantal tot gevangenisstraf veroordeelde mannen en vrouwen op te merken. 1) Dit was op zich al een reden tot verontrusting. Hoe was deze stijging te verklaren? Waren de burgers minder geneigd de wetten na te leven? Was de kriminaliteit zwaarder aan het worden? Werd het aantal wetsovertredingen groter? Confessioneel uitgedrukt, met artikel 36 N.G.B.: nam „de ongebondenheid der mensen"' toe?
In elk geval betekende deze stijging der vrijheidsstraffen dat er plaatsgebrek ging ontstaan in het gevangeniswezen, dat er wachttijden voor het ondergaan van vrijheidsstraffen kwamen. Bovendien leidde deze ontwikkeling tot kostenverhoging voor Justitie, want de vrijheidsstraf kost Justitie nu eenmaal veel geld.
Een Engels idee
De Engelse Home Secretary onderkende deze ontwikkeling al spoedig. In 1966 vroeg hij een advies aan de adviesraad voor het strafstelsel. Het resultaat was een rapport dat in 1970 verscheen, uitgebracht door een kommissie Wootton. Deze kommissie opperde het plan om wetsovertreders in te zetten in het vrijwilligerswerk, zoals: opruim-en onderhoudswerk aan paden, stranden, sloten, bossen en tuinen, schilderwerk in tehuizen en bejaardenwoningen, aan huis bezorgen van warme maaltijden.
Volgens het voorstel van het Woottonrapport zou de strafrechter een bevel („order") kunnen geven tot het verlenen van een dienst aan de gemeenschap („community service"). Dit bevel wordt in Engeland sedertdien aangeduid als C.S.O.: community service order.
Inmiddels is dit plan in Engeland in een wet neergelegd: de Powers of the Criminal Courts Act. Deze wet bepaalt dat ten hoogste 240 uur werk mag worden opgedragen.
Nederlandse navolging
De Nederlandse Minister van Justitie stelde in 1974 een kommissie in, de kommissie Van Andel, die zich verdiepte in het Wootton-rapport en die ook een werkbezoek aan Engeland bracht. Haar rapport „Dienstverlening" verscheen in 1978. De kommissie beval „dienstverlening" aan als goede mogelijkheid binnen het Nederlandse strafrecht.
Sedertdien is in de rechtspraktijk inderdaad de „dienstverlening" van de grond gekomen en heeft zij een vaste plaats in het strafrecht verkregen.
De Politierechter, de Officier van Justitie en de Reklasserings-maatschappelijk werkers hebben thans al een ervaring van vele jaren met dienstverlening als mogelijkheid binnen ons strafrecht.
Een reeks rapporten
De belangstelling voor de „dienstverlening", ook van de zijde van de Minister van Justitie blijkt uit het bevorderen van dienstverlening in de praktijk. Aan de Reklasseringsraden werden koördinators toegevoegd, die bevorderen dat er geschikte projekten worden gevonden voor de wetsovertreders, die spreken met de wetsovertreders en die kontakt onderhouden met de strafrechters (vooral Politierechters en Rechter-Commissarissen) en met de officieren van Justitie. Als een dienstverleningsvoorstel aan de strafrechter wordt gedaan schrijft een reklasserings-maatschappelijk werker een voorlichtingsrapport ten behoeve van de strafrechter, de Officier van Justitie en de advocaat.
De Minister van Justitie heeft de dienstverlening ook erg gestimuleerd door een
reeks studies en rapporten te laten uitbrengen door zijn wetenschappelijke afdeling: het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatie Centrum. In de jaren '80 verschenen o.a.: Opvattingen over dienstverlening, waarbij de mening over dienstverlening werd gepeild onder de Officieren van Justitie, de reklassering en de advocatuur. Dit rapport verscheen in 1981. Daarna ging een experiment met dienstverlening van start in 8 proefarrondissementen (van de 19 arrondissementen waarin Nederland is verdeeld). Vervolgens verscheen een vijftal rapporten van Bol en Overwater over dienstverlening. Daarin is een schat aan informatie te vinden over de invoering van de dienstverlening gedurende de eerste jaren 1981-1984. Tenslotte verscheen dan in 1984 het Eindrapport dienstverlening van de Kommissie Van Buuren: „Dienstverlening. Van Experiment naar wet".
Een principiële beoordeling
Hoe moeten wij nu denken over de dienstverlening? Is dienstverlening wel een straf, principieel beschouwd? Draagt zij wel het essentiële kenmerk van de straf, zoals het Mozaïsche recht en Romeinen 13 die ons leren: het karakter van
vergelding? Ik wil in dit verband wijzen op het mooie boek van mr. dr. B. Gewin: Beginselen van strafrecht 2). Gewin was een van de weinigen in ons land die het strafrecht beoefende op een gereformeerde grondslag. Zoals hij terecht schreef, gaat er „zoveel onder de naam Gereformeerd door, wat we niet als zodanig mogen erkennen" 3). „Het strafrecht onzer dagen", aldus Gewin, „hoewel het veel van zijn christelijk karakter in de dagen der revolutie heeft ingeboet en nog meer dreigt te verliezen, ondervindt toch op dit ogenblik nog de invloed van de beginselen van de Pentateuch. Het hoofdbeginsel van het Mozaïsche strafrecht is dat van de vergelding" 4).
Kernachtig geeft Gewin als zijn standpunt dat tegen gedwongen arbeid als straf „in theorie niets is in te brengen". „Vrijheidsberoving, gepaard met gedwongen arbeid, is geoorloofd" 5).
Op deze plaats wil ik mij daarbij kortweg aansluiten. In de gedwongenheid van de dienstverlening schuilt het strafelement. De dienstverlening wordt opgelegd als mogelijkheid voor de wetsovertreder, waarvan hij gebruik kan maken. Doet de wetsovertreder dit niet, dan volgt vrijheidsstraf. Dit betekent dat ten volle het wezenlijke strafelement aanwezig is. Daarbij valt te zien dat in menig geval de dienstverlening gunstiger werkt op de wetsovertreder dan de vrijheidsstraf, die uiteraard als zwaardere straf achter de hand blijft.
Geen bezwaar tegen medewerking
Dit betekent dat mijns inziens geen principieel bezwaar bestaat tegen inschakeling van dienstverleners door ons. Wel moet uiteraard er op worden toegezien dat de dienstverlener het principieel karakter van instellingen waarbij hij werkzaamheden verricht (zie hierboven) respekteert. Ook moet op de uitvoering van de dienstverlening goed toezicht worden gehouden.
Noten
1) H. Singer-Dekker: Dienstverlening. Arnhem, 1984. blz 15 e.v.
2) B. Gewin: Beginselen van Strafrecht. Leiden, 1907
3) a.w. blz. V
4) a.w. blz. 56, 58.
5) a.w. blz. 255, 256.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1986
Daniel | 32 Pagina's