JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

De barre vlucht

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De barre vlucht

vervolgverhaal deel 5

8 minuten leestijd

Kasha

Stil staan de vluchtelingen te kijken naar de machtige waterweg, die — hier meer dan 800 meter breed — nog zeker 2400 kilometer moet voortstromen voor hij de Poolzee zal bereiken. Verscholen achter de verspreid staande bomen nemen ze de omgeving van de rivier in zich op. Het is een heldere dag en geluiden zijn nu van ver hoorbaar. Maar alles is stil. Geen beweging verraadt de aanwezigheid van mens of dier.

Slav schat de afstand tot de rivier op een goede kilometer: „We kunnen vannacht beter aan deze kant blijven en morgen zodra het licht wordt oversteken", stelde mr. Smith voor, die vlak bij hem staat. Slav geeft de anderen een teken. Hij strekt zijn arm uit in de richting waar ze vandaan zijn gekomen. Als ze na een minuut of twintig een goede schuilplaats gevonden hebben, maken ze hun eerste vuur. Stil staren ze in de vlammen. Slav haalt de enige pan die ze bezitten — een aluminium kroes — uit zijn tas. , , Hier", zegt hij tegen Paluchowicz, , , maak jij maar wat pap." De sergeant smelt een paar handenvol sneeuw in de kroes, strooit er wat parelgerst in, een beetje meel en een snuilje zout. Ze bezitten drie ruwgesneden houten lepels. Om beurt scheppen ze een lepelvol warme pap uit de kroes. Als de eerste portie verdwenen is — en dat gaat snel — wordt er nog een kroes kasha gekookt. Paluchowisz weekt zijn brood in de pap. Hij lacht vergenoegd. Ze roken nog een sigaret en strekken zich dan uit rondom het vrolijk vlammende vuur. Wie wacht heeft, is stoker die nacht.

Naar de oostkant

In het oosten komt weifelend het eerste daglicht aan de lucht. Dc vluchtelingen staan al gereed de overtocht te wagen. Vaag zien ze de grootste rivier van het land dat ze zo snel mogelijk willen verlaten. vóór zich. Het laaggelegen land. dc strook tot dc rivier is nu hard bevroren. In de zomer is het één grote moerasvlakte. De oever aan de andere kant is steil, daarachter begint een dicht bos. Zwijgend gaan ze op weg. Zo snel mogelijk trekken ze de stijfbevroren watervlakte over en klauteren ze tegen de steile oever op. Dan kijken ze om. Iets van de ondragelijke spanning van de laatste weken valt van hen af. Diep in hun hart hadden ze niet gedacht ooit de Lena te bereiken. En nu.... veilig en ongehinderd aan de overkant!

Even vissen

Wie er over begon, is niet meer na te gaan, maar het gesprek komt op vis. , , 'k Zou wel een lekker visje lusten", zegt Zaro en wijst naar de bevroren rivier. „Wij visten 's winters in Polen door een gat in het ijs te hakken", zegt Slav. „En dan? Fluitje ze dan? ", vraagt Zaro met een ernstig gezicht. „Als er een gat in het ijs is gemaakt, spuit de vis naar boven", legt Slav geduldig uit. „Hij is verdoofd door het gehamer en het verschil in luchtdruk drijft de vis dan naar buiten." Iedereen begint te lachen. „Kom op", daagt Slav uit, „we gaan het proberen." Kolenemos zoekt een stevige boomstam. Een goede twintig meter van de oever vandaan gaat het heien beginnen. Kolenemos, Zaro en Slav pakken de stam beet en laten hem met dreunende slagen op het ijs vallen. Na een minuut of tien zijn ze er door. Het water spuit als een geiser omhoog en omspoelt hun voeten. Vier vissen, zo groot als bovenmaatse haringen zijn met het omhoog spuitende water meegekomen. Luidruchtig wordt Slav gefeliciteerd en op z'n rug geklopt. Zaro houdt een toespraakje.

maar Smith kijkt wat onrustig om zich heen. „We kunnen beter weggaan", zegt hij gespannen. „We staan zo open en bloot hier." Na een dronk van het koude, klare water uit de Lena klimmen ze de steile oever weer op en richten hun weg naar het zuiden. De eerste nacht na hun overtocht brengen ze door in een kreupelbosje op een lage heuvel. De vis wordt geroosterd aan een stokje dat door de kieuwen gestoken is. De maaltijd wordt besloten met een kroes dampende kasha.

Mist

Dagenlang trekken ze naar 'het zuiden. Hoewel ze tot nu toe nog geen mensen gezien hebben, handhaven ze streng het voortgaan in gespreide linie. Als er één of twee in moeilijkheden zouden komen, kunnen de anderen hun reis voortzetten. Ze maken ongeveer 45 km per dag en lopen bij benadering dagelijks tien volle uren. De laarzen die ze in Irkoets gekregen hebben zijn totaal versleten. Ze dragen nu moccasins met slobkousen van dierevellen, waaromheen ze repen leer hebben gebonden. „Als we de noordpunt van het Baikalmeer maar vinden, dan hoeven we de oostelijke oever maar te volgen om door Trans-Baikal te komen. Dan zijn we Siberië bijna uit", heeft Slav beweerd. Hij heeft een heldere voorstelling van de kaart van zuid-oost-Siberië, het gebied dat door de Lena en het Baikalmeer wordt beheerst. Op een vroege ochtend hult een dichte mist hen geheel in. „Laten we dicht bijeen blijven", stelt Kolenemos voor, „als we in verspreide lijn lopen, raken we elkaar onherroepelijk kwijt." Zwijgend zwoegen ze voort. Plotseling laat Zaro, die voorop loopt, een sissend geluid horen. Als één man staat het groepje stil. Vóór hen klinkt een angstaanjagend hees hoesten. Een stampend geluid en een gekraak alsof er een zwaar lichaam dwars door het kreupelhout op hen afkomt. Twee, drie minuten duurt het lawaai, dan is het stil. Zwakjes dringt een geluid van een moeizaam ademen door de mist heen. Vlak daarop begint de herrie weer. Er wordt zo hard op de grond gestampt dat de vluchtelingen de grond voelen trillen. „Wat zou er aan de hand zijn? " vraagt Kolenemos fluisterend. Hij houdt de bijl in zijn hand geklemd. „Stellig een dier", meent Slav, die zijn mes stevig vastpakt. , , 't Komt niet dichterbij", stelt de reus vast, „we gaan er op af, kom." Het groepje verspreidt zich wat en sluipt in de richting van het tumult. Een minuut later zien de mannen wat er aan de hand is. Schoppend, worstelend, de bek vol schuim probeert een volwassen eland zijn prachtig gewei los te trekken uit de verwarde wortels van een omgevallen boom. Zijn voorpoten hebben door het stampen een kuiltje in de hard bevroren aarde gemaakt. Het dier lijkt volkomen uitgeput. Wie weet hoe lang het al bezig is om zich los te wrikken. Hevig verschrikt kijkt het grote hert de mannen aan. Het staat roerloos, alleen de rechter voorpoot trilt nerveus. Ieder kijkt naar Kolenemos en deze begrijpt wat dit woordeloze kijken betekent. Hij loopt voorzichtig om het dier heen, springt op de stam van de omgevallen boom, brengt zich in evenwicht en laat het blad van de bijl neersuizen met een zwiepend geluid. Het hert zakt ineen, dood. Nog een slag, nog één, dan is de kop vrij van de romp. Nu kan het lichaam met vereende krachten weggesleept worden. Slav, die meer van zulke karweitjes heeft gedaan, begint het dier zorgvuldig te villen. „Wat doen we eigenlijk met die boel? ", wil Makowski weten. Slav, de armen bebloed tot de ellebogen, staakt het uitsnijden van een achterpoot en kijkt zijn makkers aan. „Ik stel vast", zegt mr. Smith rustig, „dat we al dit vlees niet kunnen meedragen. We kunnen ons ook niet veroorloven één vezeltje ervan hier achter te laten. Toch willen we onze 40, 45 kilometer halen vandaag." Machinkovas vindt een goede oplossing. „We mogen geen voedsel verspillen", zegt hij. „Laten we vierentwintig uren hier blijven en zoveel vlees eten als we maar kunnen. Wat er over is móéten we kunnen meedragen." Ieder is het hiermee eens. Paluchowisz gaat hout sprokkelen en een vuur aansteken. Slav gaat verder met uitbenen en de anderen maken een schuilplaats gereed. Er volgt een overvloedige maaltijd. Het vet druipt van hun baarden en Paluchowisz krijgt Slavs mes om de grote brokken vlees in kleine stukjes te snijden. Als dessert zijn er voor ieder een paar lepels dampende kasha. In de schuilplaats roken en slapen ze een paar uur en besluiten dan de huid te bewerken. Met stukken hout schrapen ze de vetklonters eraf, waarbij het zand dat de eland heeft omgewoeld goed van pas komt. Er worden veertien paren moccassins van gemaakt. Eén paar trekken de vluchtelingen aan over de moccassins die ze nu dragen. Het andere paar gaat in de tas. Ieder heeft nog een flinke lap huid over, die zorgvuldig wordt geborgen. Twee keer die dag eten ze hun buiken rond en verorberen ook de volgende morgen een fikse portie wildbraad. De rest van het vlees bergen ze op in hun tas en dan wordt de tocht voortgezet.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1986

Daniel | 32 Pagina's

De barre vlucht

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1986

Daniel | 32 Pagina's