JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

De barre vlucht

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De barre vlucht

vervolgverhaal deel 4

8 minuten leestijd

Het prikkeldraad

Op nog geen 100 meter afstand van de deur van de barak loopt de eerste prikkeldraadversperring. De rollen draad, stijf van de vorst, volgen niet precies de oppervlakte van de grond. Op een bepaalde plaats is een inzinking in het terrein — nu door de sneeuw verborgen — die het mogelijk maakt onder het prikkeldraad door te kruipen. Zaro, die als eerste vertrokken is, kan die plek blindelings vinden. De duisternis is volkomen en de sneeuw valt nu dichter dan ooit. De soldaten in de dichtstbijzijnde post kunnen nog geen tien meter voor zich uit zien. Voor zoeklichten hier in dit kamp zonder waterleiding en elektriciteit hoeven de vluchtelingen niet bang te zijn. Telkens met één minuut tussenpoos verlaten de mannen geruisloos de barak. Met stevige riemen hebben ze de tassen van Ushakovs vrouw op hun rug gebonden. Eén... twee... drie... zes... zeven. Behoedzaam sluit Slav de deur en verdwijnt achter de anderen het donker in.

Ja! Gelukt!

„Lig stil, Anastazi." De eerste vijf zijn zonder kleerscheuren aan de andere kant van het prikkeldraad. Maar Kolenemos raakt verward in de punten. Hij schudt zich wat, heel voorzichtig. Met een tinkelend geluid laten tientallen stukjes ijs los van de rollen draad. „Stil Anastazi, lig stil", fluistert Slav gespannen. Aan de andere kant heeft iemand Kolenemos' tas naar zich toegehaald en probeert de reus los te maken. Slav houdt z'n kaken opeengeklemd en telt de verstrijkende sekonden. Het worden minuten! Kolenemos ligt werkelijk bewegingloos, terwijl de man aan de andere kant tussen zijn schouders wroet. „Ja", klinkt het nauwelijks hoorbaar, , je bent los!" Voorzichtig schuift het grote lichaam nu verder. Slav volgt onmiddellijk. De eerste hindernis is genomen. Bijna een half uur is verstreken. Bij de rand van de droge gracht die vlak achter het prikkeldraad is gegraven, gaan ze op hun knieën liggen. Aan de overkant doemt de eerste houten heining op. Kolenemos laat zich behoedzaam in de gracht glijden en gaat met z'n rug tegen de wand staan. Hij is voor de anderen een levende opstap. Moeiteloos neemt hij de voeten van zijn kameraden in de kom van zijn grote handen en heft hen één voor één op naar de richel bovenaan de bijna 3Vi meter hoge heining. Kostbare minuten gaan verloren als hijzelf uit de gracht omhoog moet. De anderen konden, staande op de schouders van de reus de bovenkant van de houten palissade grijpen en er bovenop klimmen. Makowski en Slav, zover mogelijk over de heining gebogen, hangen nu met uitgestrekte armen voorover en grijpen ieder een arm van de reus. Tot drie keer toe krijgen ze zijn vingers vlak bij de rand, maar even zo vele keren moeten ze hem laten zakken. Trillend van moeheid wachten ze twee, drie kostbare minuten. Dan proberen ze het weer. En dan.... ja.... De grijpende vingers krijgen en vinden houvast en met zijn reuzenkrachten ondersteunt Kolenemos de pogingen van zijn vrienden. Hijgend staat hij even later bovenop de palissade. Om de dikke rollen prikkeldraad die onderaan liggen te vermijden, zetten de vluchtelingen zich met alle kracht af. Ze komen in een hoge sneeuwhoop terecht. Nog één omheining! Waar ze nu staan, zal over een goed uur de patrouille met de bloedhonden langs komen. Ze hebben maar één gedachte: Wegwezen van hier!! Nu is Kolenemos de eerste die bovenop de palissade klimt.

Eén voor één trekt hij de vluchtelingen naar boven. Een laatste wanhopige sprong .... ze tuimelen over de onzichtbare massa prikkeldraad onderaan de buitenste omheining, krabbelen overeind en na een gefluisterd: „Iedereen er goed afgekomen? ", zetten ze het gelijktijdig op een lopen.

De eerste schuilplaats

„Zijn we er allemaal? " Even staan de vluchtelingen stil na de run naar het grote bos, waarvan de witbesneeuwde bomen vaak zichtbaar zijn. Dan rennen ze door, hijgend met piepende adem. Struikelend, soms vallend, vertragen ze hun eerste stormloop tot een gestage, folterend langzame, lange pas. Urenlang houden ze deze sukkeldraf vol tot de nieuwe dag aanbreekt. Dan staan ze stil om hun zwoegende longen wat lucht en rust te gunnen. Maar Slav jaagt ze op, de honden zijn geen minuut uit zijn gedachten geweest. Aan het eind van de morgen kan niemand meer een voet verzetten. Paluchowisz staat dubbelgebogen, de handen op z'n knieën. Hij snakt naar lucht. Als uitgeputte dieren houden ze hun mond open. Ze staan daar zonder te spreken, buiten adem en ondanks de kou, zweten ze als paarden. Ze zijn de helling van een ondiepe kom afgestrompeld en zonder eerst te hebben gerust, zijn ze niet in staat naar boven te klimmen. Het sneeuwt nog steeds, maar minder dicht nu en door de bomen huilt de wind, hij doet de takken schudden en kraken. Bovenaan de helling staan de bomen wat dichter opeen. „We moeten naar boven", zegt Slav na een minuut of tien. „Daar zullen we beschut zijn en beter verborgen." Zwoegend, voetje voor voetje klimmen ze uit de ondiepe kom omhoog. Tussen de wortels van een grote boom maken ze hun schuilplaats. Ze graven de sneeuw weg en stapelen die rondom op tot een stevige lage muur. Kolenemos hakt met zijn bijl wat takken af. Daar wordt een dak van gemaakt waarop een dikke laag sneeuw wordt gelegd. „Blijf uit de wind als je leven je lief is." Dat had de oude Ostjaak gezegd. „Sneeuw? Sneeuw is geen kwaad ding. Pakje er maar in, dan slaapje zo warm als in een veren bed."

Als we bij de Lena zijn, maken we een vuur

Dicht opeen gepakt in het primitieve sneeuwhuisje doen de vluchtelingen voor het eerst hun tassen open. Daar zitten schatten in. Voor ieder een plat gebakken brood, vijf pond gerst, wat meel, een beetje zout en een ons of vijf tabak met een reep oud krantepapier. „We zijn rijk", zegt Slav vergenoegd en laat nu ook het brood zien dat hij gedroogd heeft. Ze durven, zo betrekkelijk dicht bij het kamp, geen vuur te maken en schrokken snel wat brood naar binnen. Paluchowisz kneed het harde brood met wat sneeuw tot het zacht wordt. Bij het verhoor, een goede twee jaar geleden, zijn hem alle tanden en kiezen uitgeslagen. „Als we daar zijn, waar we nu heengaan, koop ik direkt een gebit", lacht hij. Ze slapen de weinige uren dat het nog licht is. Om beurten houden ze de wacht. De honden zijn nooit uit hun gedachten. Kolenemos slaapt als een vermoeid kind onmiddellijk in. Niemand wekt hem als het zijn beurt is om wacht te houden. Als het buiten donker is geworden, eten ze nog wat brood en roken één sigaret. Dan gaan ze op weg. Het is bitter koud en ze zijn allemaal stijf en pijnlijk. De hele nacht lopen en rennen ze door. Tot elke prijs moeten ze de omgeving van het kamp zo snel mogelijk achter zich laten. Het wordt niet volkomen donker, maar het gaan door de laag vers gevallen sneeuw, die meer dan 80 centimeter hoog ligt, is al moeilijk

genoeg. Tegen de morgen steken ze een toegevroren rivier over. In het bos aan de andere oever maken ze een schuilplaats en rusten tot het donker weer invalt. Vijf dagen lang trekken ze alleen 's nachts verder en graven zich overdag in. Van achtervolging is niets te bespeuren. De zesde dag besluiten ze bij dag te gaan reizen. Ze steken verscheidene toegevroren rivieren over, die allemaal naar het zuiden stromen. Wat verlangen ze ernaar om een vuur te kunnen maken! „Als we bij de Lena zijn, maken we een vreugdevuur." Dat is de afspraak en het vooruitzicht hierop doet ze stug voortgaan. Ze maken ongeveer 45 km per dag en oriënteren zich op een waterig zonnetje dat af en toe te voorschijn komt en letten op het mos dat aan de windvrije kant van de bomen groeit. Na een dag of acht wordt het terrein wat gemakkelijker begaanbaar. Het loopt geleidelijk af naar het zuiden. Er groeit meer mos op de boomstammen en op de kale grond tussen de bomen ritselen bosjes taai Syberisch gras. En dan. op een middag „De Lena!" roept Slav. „Kijk daar!!"

Vrij verteld naar „De barre vlucht" door Slavomir Rawiez. Uitg. Bruna, Utrecht.

Jullie zijn vast nieuwsgierig naar het vervolg. Maar..... dat zul je niet in „Daniël" lezen!Ik zou zeggen: koop , , De barre vlucht" en lees zelf hoe dit avontuur afloopt. Het boek is geschreven in de ikvorm, maar dat behoeft je niet af te schrikken. Slav weet je wel te boeien. Ik wens je voor f 7, 25 veel leesplezier.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1986

Daniel | 32 Pagina's

De barre vlucht

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1986

Daniel | 32 Pagina's