De profeet Habakuk (6)
Een serie bijbelstudies over de profeet Habakuk
Lezen Habakuk 2 : 1-14 (met name vers 5 t/m 14)
De nadere uitleg van het visioen
De vorige keer hoorden wij aan de hand van vers 4 de korte inhoud van de boodschap, die de profeet duidelijk op stenen tafelen moest aangeven. Nu komt de nadere uitleg, die tegelijk een'keer inhoudt ten opzichte van de omstandigheden. Want waar de goddelozen zich verheffen, zich opblazen en langs kronkelwegen gaan en waar de Chaldeën de volkeren verzamelen in hun netten en offers brengen aan hun macht, daar klinkt het als een bazuinstoot van de hemel, dat God Zijn volk niet eindeloos kastijden zal. De wending komt; de man Gods schouwt als ziener de grote ommekeer, die zich zal gaan voltrekken. , , De HEER' zal opstaan tot de strijd".
In de naam des Heeren gaat Habakuk het uitroepen: wee, wee en nog eens wee. De vraag wie de oordeelsprediking geldt, wordt verschillend beantwoord. Sommigen laten ze geheel slaan op Nebukadnezar: anderen betrekken ze uitsluitend op de Chaldeën. In aansluiting op de vorige bijbelstudie kan ik mij het beste vinden in de opvatting van hen, die menen dat het oordeel hier wordt aangezegd zowel aan de goddelozen in Juda. als aan de goddeloze Chaldeën.
Habakuk richt het woord tot de onderdrukkers binnen èn buiten de grenzen van het land.
Het oordeel over Juda
Habakuk spaart z'n tijdgenoten niet. Hij noemt de zonden van zijn volksgenoten precies bij naam, en hij slingert hen een dreigend wee in het schaamteloos aangezicht. Hij weet wel hoe de goddeloze rijkaards de armen onderdrukken en uitmergelen. Nooit krijgen ze genoeg, evenmin als het graf en de dood ooit genoeg krijgen (vs. 5). Stapelen ze niet al meer pandgoederen op? Dik slijk is het (vs. 6).
De bedoeling is het aardse slijk: goud, zilver, kostbaarheden. En met de eerlijkheid nemen zij het niet al te nauw, zodat zij er geen been in zien om op te hopen wat het hunne niet is. Van het onrechtmatig verkregen bezit leiden ze een wellustig leven en ze doen dat met een trots als zijn ze beveiligd tegen alle onheilen (vs. 9). Willen ze soms ontkennen dat er aan hun rijkdom onrecht kleeft en bloed?
Luister dan eens! Wie roept daar? Dat is de steen uit de muur. „Zie", zo zegt hij, „ik ben gebouwd met bedrog en met bloed". En de balk uit het houtwerk antwoord: „Ik ook!" (vs. 11). Steen en balk betuigen hoe de schraper z'n bezit heeft verkregen op een onrechtmatige manier.
En hoe is het in regeringskringen? Hoe is het in de stad Jeruzalem? Ook daar gaan ze in het spoor van onrecht en geweld (vs. 12). Hoe somber en dreigend begint elke aanklacht met: wee! Habakuk rekent als profeet met een goddelijke gerechtigheid, die een ieder zal vergelden naar zijn werk. Want plotseling zullen de rollen omkeren: onvoorziens zullen opstaan, die u bijten zullen en u zult hen tot een zekere buit worden (vs. 7).
Wat bedoelt de oordeelsprediking?
Habakuk, de profeet, spreekt in het geloof. Want God, Die sterker is dan de dood en Die groter is dan het graf, hoe zal Hij ook niet sterker en groter zijn dan alle goddelozen? Alle profeten hebben hun goddeloos volk altijd gedreigd met het goddelijk oordeel, en dan niet als een onafwendbaar noodlot, maar met geen andere bedoeling dan dat dat volk zich bekeren zal. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls? En is Gods Woord dan geen woord voor alle tijden?
Toespitsing naar vandaag
Zou Habakuk voor ons anders moeten prediken dan voor Juda? Roepen de stenen van vele huizen niet. dat ze gebouwd zijn op het bloed van de kinderen, die in de moederschoot gedood zijn? Schreeuwen de balken van ziekenhuizen en klinieken niet. dat ze er onrechtmatig zitten, omdat ze betaald werden met gelden, verkregen door abortus en euthanasie?
Rinkelen de kassa's niet bij lotto en casino? En roepen huizen van hen die leven binnen de kring van Gods genadeverbond niet mee?
Stenen en balken, die aangebracht konden worden omdat de pil goedkoper is dan een kind? Stenen en balken, die roepen: onrecht, onrecht, want ze doen hier thuis mee aan van alles, maar ze bekeren zich niet: onrecht, want de goddeloze beïnvloeding van de massa-media is groter dan het luisteren naar Gods Woord. Wee, wee! En geldt het profetische woord ook vandaag niet de regeringskringen? Waarin zien wij als volk eigenlijk nog zonde? In het emancipatie-streven? In zondagsarbeid? In anti-christelijke uitingen van kuituur en in subsidies daarvoor?
Moeten de dienaren van Jezus Christus ook vandaag niet het Goddelijk oordeel prediken en oproepen tot bekering? Laat niemand zeggen, dat dat in strijd is met het Evangelie. Integendeel, hierbij wordt de prediker op schrikkelijke wijze gerechtvaardigd, nu zowel de wereld in haar geheel als de mens persoonlijk de wrange vruchten oogst van z'n eigen zaaisel. Maar ook vandaag klinkt dwars door de demonische stemmen uit de afgrond, de lok-en roepstem des Heeren: keert weder, gij afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen" (Jer. 3 : 22). En ook nu zal Jezus' woord vervuld worden: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: e ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem van de Zoon van God, en die ze gehoord hebben, zullen leven" (Joh. 5 : 25).
Het oordeel over de Chaldeën
Het woord van Gods gericht geldt evenzeer de onderdrukkers buiten de grenzen van het land. Zal het aan Gods aandacht ontsnappen, dat de Chaldeër zit te offeren aan z'n garen en zit te roken aan zijn netten?
Zal de Heere het niet opmerken, dat Hij miskend wordt en dat ook de Chaldeër zich verheft en zich opblaast? Zal hij dan voortgaan met altoos de volken te doden?
(Hab. 1:17). Nee. Habakuk. zo zegt de Heere.
Profeteer: ..Omdat gij vele heidenen beroofd hebt. zo zullen alle overgebleven volken u beroven. U hebt gezondigd tegen uw ziel door vele volken uit te roeien" (vs. 8 en 10). De Chaldeën mogen al denken, dat zij straffeloos mensenbloed kunnen vergieten en volken vernietigen, ook hen zal de ondergang bedreigen. Volken kunnen zich vermoeien, zoveel ze willen, zij verzamelen toch alleen maar voor 't vuur; en natiën mogen zich afmatten, zij doen dat toch tevergeefs. Lees vers 13 maar.
Door de eeuwen heen zijn er heel wat volken geweest, die het riepen: „Laat ons de banden van God en Zijn Gezalfde verscheuren en hun touwen van ons werpen". En dan? Die in de hemel woont, zal lachen: de HEERE zal hen bespotten. Hij zal hen in Zijn grimmigheden verschrikken.
„Ik toch", zegt God, „heb Mijn koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid" (Ps. 2).
En daarom: boven het gewoel van de goddelozen uit. mag Habakuk het hier profeteren, dat de aarde vervuld zal worden, dat zij de heerlijkheid des HEEREN bekenne, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken (vs. 14). Dit woord verschijnt als een lichtende ster aan een dreigende hemel.
Vragen
1. Door de eeuwen heen zijn er volkeren geweest als de Chaldeën. Kun je voorbeelden geven. En hoe ligt het in de wereld van vandaag? Denk je daarbij ook aan ons eigen volk? Hoe dan?
2. Welke taak heeft de gemeente met betrekking tot de overheid? Zie 1 Timotheüs 2 : 1-2.
3. De profeten laten altijd horen, dat God de goddelozen wel zal weten te vinden. Lees eens Obadja : 4 en Zefanja 1 : 12. Gods lankmoedigheid is groot, maar niet eindeloos. Wat betekent dat in je persoonlijk leven?
4. De toespitsing van dit schriftgedeelte naar vandaag is nog wel uit te breiden. Probeer dat eens. (Denk bijvoorbeeld ook eens aan zwart geld, belastingontduiking e.d.).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1986
Daniel | 32 Pagina's