2. In de haven ligt een schip.
2. In de haven ligt een schip. „Schipper, mag ik met u mee? " Jona vlucht nu voor de HEER\ Maar God ziet hem ook op zee.
3. Kijk! De zee blijft niet lang stil. O, wat zijn de golven groot! Jona slaapt heel rustig door, ook al is het schip in nood.
4. Maar dan roept de schipper bang: „Vraag uw God of Hij ons hoort!" Als het lot op Jona valt, zegt hij: „Gooi mij over boord!"
5. Na drie dagen in de vis komt hij heelhuids uit de zee. Dan buigt Jona zich voor God: nu eaat hii naar Ninevé.
(Els Overbeeke)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1986
Daniel | 32 Pagina's