Het ruime hemelrond
De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. (Psalm 19 : 2)
Dit is ook weer een psalm van David. Wie kan beter dan hij, die eenmaal achter de schapen geleefd heeft en volop de heerlijkheid der natuur gezien heeft, deze omschrijven. David is een dichter van formaat, maar hij weet ook, hoe hij zijn kunst richting moet geven. Hij bezingt niet zomaar de natuur, zoals we die wel meer in poëzie horen. Hij ziet daarin de wonderlijke hand Gods in schepping en onderhouding. Het is de openbaring Gods, die we in al het geschapene kunnen onderscheiden. Waar ook ter wereld, de dag aan de dag stort overvloediglijk sprake uit en de nacht aan de nacht toont wetenschap. Het geschapene is een rijke en heerlijke openbaring van de Ongeschapene. Het is voor alle schepselen verstaanbaar. De taal der natuur is voor iedereen een wonderlijke en verstaanbare taal. Maar, zoals we al opmerkten, David weet Wie hij daarin bezingt. Want alles vertelt de eer Gods. In Psalm 93 zingt de dichter: De Heere regeert, de hoogste Majesteit, bekleed met sterkt', omgord met heerlijkheid, bevestigt d' aard en houdt door Zijn hand dat schoon gebouw onwankelbaar in stand. David gelooft met zijn gehele hart aan het eerste bijbelwoord: In de beginne schiep God de hemel en de aarde. Maar nog meer, namelijk, dat die gehele schepping door Zijn ondoorgrondelijke wijsheid nog in stand gehouden wordt. Helaas moeten we vandaag konstateren, dat door de invloed van de God-is-dood-theologie, velen niet meer willen en kunnen geloven in dit almachtige en wijze Godsbestuur. God zou Zelf geen raad meer weten met Zijn schepping. Bijgevolg zien we dan ook een krampachtigheid van de ergste soort, omdat dan die mens alles moet vasthouden. En natuurlijk draagt die mens een scheppingsverantwoordelijkheid, omdat hij de opdracht kreeg deze te bebouwen en te bewaren. Maar David en al degenen, die die vreze deelachtig zijn, weten, dat de Heere juist alles doet blijven in zijn wezen. Hij regeert alles met het doel, dat Hij erin verheerlijkt wordt. Dan hebben wij als schepselen Gods nog een rijke opdracht te vervullen op deze aarde. In de eerste plaats is het dan echter nodig, dat we dat zo leren doen als David. Het gaat om Zijn eer en Zijner handen werk. Eenmaal zal immers alles door vuur vergaan en zal de Zoon des mensen komen op de wolken des hemels om te oordelen de levenden en de doden. Dan staat voor ons deze opdracht der schepping niet op zichzelf, maar heeft zij juist een wonderlijke richting, die in het bijzonder ook ons geopenbaard is.
David geeft hier dan ook op een aantrekkelijke wijze weer, dat de seheppingsheerlijkheid Gods lof en grootheid bezingt, maar ook tevens, dat men er God niet uit kennen kan, zoals ter zaligheid nodig is. In vers 8 zegt hij immers: De wet des Heeren is volmaakt, bekerende de ziel. De openbaring Gods in de natuur, hoe belangrijk ook, is niet de hoogste en volmaakte openbaring Gods. Die openbaring Gods vinden we niet in de natuur, maar in Zijn heilig Woord. De natuur leert ons immers niet Christus kennen. En Hem te kennen is ons nodig tot de zaligheid. In de natuur ontmoeten we veel, dat door de zonde verstoord is en nog door mensen verstoord wordt. Elke dag lopen we tegen de breuklijnen, die door de zonden zijn veroorzaakt. Willen we de Heere leren kennen tot onze zaligheid, dan hebben we Zijn bijzondere openbaring nodig. Maar dan gaat er een geheel ander licht schijnen over het wonderlijk boek der schepping. Dan gaan wé zien, hoe ingrijpend de schepping verruïneerd is, maar ook dat de Heere een herstel heeft mogelijk gemaakt. Een herstel, dat niet meer het deel zal zijn van hetgeen nu nog bezongen kan worden, maar dit haar volle heerlijkheid zal krijgen in een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Om echt te kunnen zingen, is ons nodig om met David ook door Gods Geest verlicht te zijn. Dan zien we ook de zonde tegenover de allerhoogste Majesteit begaan, zoals in de laatse verzen van deze psalm tot uitdrukking komt. Maar dan krijgt ook Zijn getuigenis, Zijn wet, Zijn Woord, die bijzondere inhoud en tevens ook een blijde verwachting. O Heere, mijn Rotssteen en mijn Verlosser.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1986
Daniel | 32 Pagina's