WINTER IN KALAMAZOO
Mij werd gevraagd iets te schrijven over de winters in Kalamazoo. Daaraan wil ik voldoen, met de bedoeling om te wijzen naar de grootheid van de Heere, want elk jaarseizoen heeft Hij tot stand gebracht. We lezen in Psalm 147:
Hij zendt Zijn bevel op aarde; Zijn Woord loopt zeer snel. Hij strooit de rijm als as; Hij geeft sneeuw als wol. Hij werpt Zijn ijs heen als stukken, wie zou bestaan voor Zijn koude? Hij zendt Zijn woord, en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien, de wateren vloeien henen.
Als het gaat over de majesteit en grootheid van de Heere dan is er geen verschil met Nederland. De Heere zendt Zijn bevel op de aarde. Waar Zijn bevel komt valt de sneeuw en stollen de wateren. Daarin is de wijsheid en voorzienigheid Gods. Hij brengt de wind uit Zijn schatkameren voort. Dat is wel het eerste waar ik op wil wijzen namelijk: God is groot en wij begrijpen het niet.
Tussen ons spreken over het weer, en wat de Bijbel zegt is een groot verschil. De Bijbel zegt: „Hij geeft de sneeuw.... Hij brengt de wind.... Hij werpt Zijn ijs...." Wij zeggen: , , Het sneeuwt.... het vriest.... het waait.”
Is dat maar alleen een verschil in woordgebruik of zit er meer achter?
Over het weer wordt veel geklaagd. Het is te nat.... te koud.... te droog.... We spreken zelfs over slecht weer! Heeft ons spreken zich aangepast bij de wereld die van geen Godsregering weten wil? Zien wij Gods hand niet meer in de natuur?
Als wij over het weer spreken, is het goed te bedenken wat onze Heidelbergse Catechismus zegt in Zondag 10: „Regen en droogte.... en alle ding niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen." Het zou groot zijn om dat te bedenken als we over het weer praten. Dat ook in het belijden met de mond de taal van het hart wordt beluisterd. Met deze opmerkingen probeer ik wat diepte te geven aan het schrijven over de winters in Kalamazoo.
Gods grootheid en majesteit
Het ervaren van sneeuw, kou en ijs brengt ons altijd diep onder de indruk van Gods grootheid en majesteit. Wij hebben hier nog maar twee winters meegemaakt. Ze zijn zo geheel anders als in Nederland. Op 1 december 1983 kwamen wij in Kalamazoo aan. Er lag toen al sneeuw, en het duurde tot april voor al de sneeuw weg was.
De eerste zondag — 4 december — heb ik niet gepreekt. Ds. W. C. Lamain zou het Heilig Avondmaal bedienen in Kalamazoo, en het was mijn begeerte om met de oprechten onderling verenigd in hun vergadering, de dood des Heeren te gedenken. Maar op die zondagmorgen kon de dienst niet doorgaan. \ Was spekglad, zodat de wegen onbegaanbaar waren. De hele gemeente werd telefonisch op de hoogte gebracht dat er geen dienst kon zijn. Op die zondagmorgen zijn we naar de familie Vergunst gegaan. Langs de kant van de weg konden wij voetje voor voetje lopen.
Daar was ook een ouderling met zijn vrouw, die dicht in de buurt woonde. Wij hebben daar toch een aangename morgen gehad. Ik heb een meditatie gehouden over Zach. 9 : 12: Keert gijlieden weder tot de sterkte, gij gebondenen die daar hoopt", 't Was goed bij elkaar te zijn, de Heere was in ons midden.
Dat mochten wij ook 's middags ervaren. De wegen werden weer begaanbaar, en om half twee kon de kerkdienst gehouden worden.
Bij de bediening van Woord en sakrament mochten wij de geestelijke eenheid in Chris-
tus ervaren. De Heere is aan geen tijd of plaats gebonden.
Voor ons was alles anders en vreemd, maar het was een wonderlijke ervaring, de bediening van de Heilige Geest is overal hetzelfde.
Als een schoon boek
Wij kennen de uitdrukking: „Het vriest dat het kraakt". Hier heb ik begrepen wat dat betekent. Zondag 18 december 1983 moest ik in Sheboygan preken, "t Was windstil. 24 graden onder nul. En toch hoorde je het huis kraken. De reis erheen langs het Michiganmeer was ook onvergetelijk. Boven het land was een strakblauwe lucht, maar boven het meer geweldige wolkenmassa's. Geweldig mooi en indrukwekkend om te zien.
De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt: „Wij kennen God door de schepping, onderhouding en regering der gehele wereld, overmits deze voor onze ogen zijn als een schoon boek in dewelke alle schepselen, grote en kleine, als letteren zijn die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen, namelijk Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid." Bij wijze van spreken sla je elke dag een bladzij om van dat schone boek. Steeds weer kom ik onder de indruk van Gods grootheid en eigen nietigheid. Het lezen van dat schone boek bracht Job tot de ootmoedige belijdenis: „Ik weet dat Gij alle dingen vermoogt, ik ben te gering, daarom verfoei ik mij in stof en as.”
De Heere gaf een leidsman
Ook de winter 1984-1985 was indrukwekkend. Op 28 december had ik een begrafenis geleid in Grand Rapids. De duur van de reis, ongeveer 90 km, is onder normale omstandigheden een uur (we rijden hier niet zo hard als in Nederland). Toen ik van huis ging, was het koud, maar droog en de wegen waren goed. Even na de middag begon „het" te sneeuwen, en het werd steeds erger. Om drie uur ging ik weg uit Grand Rapids en tegen half zeven kwam ik thuis. Als je in zo'n sneeuwstorm terecht komt, is het zicht tot een minimum beperkt. Door de sneeuw is er geen wegmarkering meer, en als je stil komt te staan, kom je niet meer weg.
„Praatpalen" zijn er niet, en je zou ver moeten lopen om een veilige plaats te vinden. Door het Rode Kruis worden er schuilplaatsen ingericht voor gestrande automobilisten. Gelukkig heb ik daar nog geen gebruik van hoeven te maken. In zulke omstandigheden rijzen er vele verzuchtingen uit mijn hart of de Heere Zijn bewarende hand over mij wil uitstrekken.
Het is in deze winter meerdere keren voorgekomen dat ik een afgesproken dienst moest afzeggen, omdat de hoofdweg dichtgesneeuwd was.
Het is eens gebeurd dat ik met goed en helder weer van huis ging. 's Avonds na de kerkdienst in Grand Rapids begon er lichte sneeuw te vallen. Voor ik buiten de bebouwde kom was, kon ik geen hand meer voor ogen zien, en het was al bijna half tien in de avond. De schrik sloeg mij om het hart, en ik bad: „O Heere, hoe moet ik thuis komen? " De Heere hoorde, en gaf mij een leidsman op de weg. Even later reed er een grote vrachtwagen voor mij de hoofdweg op, en kon ik mij oriënteren op de rode achterlichten. Deze auto kon ik volgen tot de afslag naar Kalamazoo; ik zag er werkelijk de bewarende en zorgende hand van de Heere in; ootmoed en dankbaarheid vervulde mijn hart.
Als ik eerlijk ben, zie ik weer tegen de winter op en weet u waarom? Omdat ik veel vaker zeg dat HET sneeuwt, dan dat ik geloof dat HIJ de sneeuw geeft!
aan het begin van een nieuwe winter, ds. H. Hofman
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1985
Daniel | 32 Pagina's