JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

KINDEREN.... HOE VOEDEN WIJ HEN OP?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KINDEREN.... HOE VOEDEN WIJ HEN OP?

7 minuten leestijd

„Zaai uw zaad in de morgenstond, en trek uw hand des avonds niet af; want gij weet niet wat recht wezen zal, of dit of dat, of dat die beide tesamen goed zijn zullen". Deze raad geeft de prediker (Prediker 11:6) aan alle ouders die voor de taak staan kinderen op te voeden. Ook 100 jaar geleden was het de innigste wens van ouders dat hun kinderen de Heere zouden vrezen.

Aanspraak en raad

Daarover lezen we in het boekje dat mej. C. J. M. Sieben onder de titel „Aanspraak en raad" voor haar kinderen heeft geschreven. Op haar veertigste jaar werd zij steeds bij de kortheid van het leven en ook van haar eigen leven bepaald. Ze wilde daarom voor haar kinderen wat raadgevingen achterlaten en hen over de ernst van het leven aanspreken. Met grote schroom is zij ertoe overgegaan deze dingen op te schrijven. Zij is ermee begonnen op 20 november 1882 en geëindigd op 12 november 1892. Niet lang daarna, op 2 april 1893, is zij op 51-jarige leeftijd overleden in Amerika, waar zij het grootste deel van haar leven heeft gewoond.

De stijl van het boekje van mej. Sieben is uit die tijd, het telt 96 bladzijden en is redelijk vlot ce lezen.

Een en ander uit dit boekje wil ik samenvattend weergeven.

Listen van de vorst der duisternis

Aan het begin schrijft zij dat ze steeds op haar eigen onvolmaaktheid werd gewezen, bijvoorbeeld dat ze niet voldoende los was van de wereld en niet vrij van hoogmoed. Vijandigheid kleefde haar aan, ze was niet ijverig genoeg in de godsdienst, enz. enz. Hoe zou zij dan haar kinderen kunnen vermanen? Ze waarschuwt dan voor deze listen van de vorst der duisternis, om haar steeds hierop te wijzen. Hij doet dit niet opdat zij daardoor aangespoord zou worden tot meerdere godsvrucht, maar omdat zij daardoor de moed niet zou hebben haar kinderen een goede opvoeding te geven.

Ze dringt erop aan dat haar kinderen zullen aanhouden in het gebed of de Heere hen door Zijn Heilige Geest de wedergeboorte wil schenken. Houdt aan, maant zij, tijdig en ontijdig, want Hij wil er van de huize Jacobs om gevraagd zijn.

Daarna spreekt ze uit de praktijk van het nieuwe leven. Over de volheid van genade bij God. Zijn gewilligheid om lege schatkamers te vervullen. Over het gedrag van een christen wanneer men vervolgd of verdrukt wordt. Het niet moedeloos worden, maar onrecht lijden als een christen. Niet wederschelden als men gescholden wordt. Draag uw zaken aan God op.

Christelijke deugden betrachten

Verder wekt ze op de christelijke deugden te betrachten:

In liefde. God lief te hebben boven alles en onze naaste als onszelf.

Nauwkeurig eigen wegen en wandel na te gaan en zich af te vragen: hoever drijft mij de liefde Gods om dit te doen en dat te laten?

In ijver. Letterlijk geciteerd: „Een ijverig mens verzuimt geen tijd, daarom mocht gij altijd biddende zijn om te verkrijgen wat gij tot uitkopen van de tijd nodig hebt, dewijl de dagen boos zijn".

In lijdzaamheid. Omdat in ons hart vele driften wonen en het hart onrein is. In waakzaamheid. Waakt en bidt opdat u niet in verzoeking komt.

In orde. Ze schrijft: een onordelijk mens is een ergerlijk mens. Die slordig is, kan onmogelijk zuinig zijn. Zoekt dan orde te houden, of u arm of rijk bent. Boven alles omdat God het u gebiedt.

In vriendelijke bescheidenheid. Dat zal voor de één gemakkelijker zijn dan voor de ander

omdat het karakter verschillend is. Nadrukkelijk wijst ze erop dat ware vriendelijke bescheidenheid van boven moet komen als een gave der genade en vloeiende uit liefde die uit God is.

In onderdanigheid. Vraag of de Heere u gewillig maakt u te onderwerpen aan Zijn geboden en allen die Hij over u gesteld heeft, als het is naar Zijn Woord.

In herbergzaamheid. Houdt uw huis niet te goed om de ene wel en de andere niet te herbergen. Houdt in gedachten dat God u het huis geleend heeft als toevluchtsoord voor u en de uwen.

Maar ook voor de armen die tot u toevlucht nemen.

In mildheid. Weet u dat u over uw goederen alleen maar rentmeester bent, waarvan u eenmaal rekenschap zult moeten geven. Wees als een Dorkas, niet als een gierigaard. Maar dat niet alleen. Denk ook aan de kerk en aan de zending.

In wijsheid. De wijsheid is het voornaamste. De vreeze des Heeren is het beginsel ervan. Dat dit een sterke begeerte mag zijn om alles in wijsheid te gebruiken en dat alles mag zijn tot Gods eer, zaligheid der ziel en tot stichting van de naaste.

In voorzichtigheid. „Leer mij naar Uw wil te handelen. 'k Zal dan in Uw waarheid wandelen”,

In kennis. De ware kennis maakt rijk. Dit is het eeuwige leven dat zij U kennen de enige en waarachtige God en Jezus Christus Dien Gij gezonden hebt. Door de zonde zijn we het beeld Gods verloren en hebben de ware kennis van nature niet meer. Mej. Sieben wekt op om veel te lezen in waardige schrijvers.

Verder noemt ze lankmoedigheid en verdraagzaamheid, nederige eerbaarheid, matigheid.

In ootmoed. Dan zult u besef hebben van uw onwaardigheid tegenover Gods weldaden en goedheid.

In eenvoudige kinderlijke vreze. Niet in slaafse vrees. Ze dringt ook hierin aan tot gebed. Hoe donker het ook mag zijn, houdt aan.

Verder spreekt ze nog over sabbatsheiliging en huisgodsdienst.

Opvoeden een moeilijke taak

Het opvoeden was ook voor mej. Sieben een taak waar ze als mens, als zondaar elke dag haar tekort in voelde. In het omschrijven van verschillende zaken en haar zuchten tot de Heere hierover herkent u misschien uzelf.

Als we het boekje gelezen hebben, stelt het ons schuldig, maar moedigt tevens aan om onder biddend opzien tot de Heere, bezig te zijn met de opvoeding van onze kinderen.

Jong geleerd....

In Spreuken 22 : 6 staat: Leer de jongen de eerste beginselen naar de eis zijns wegs; als hij ook oud geworden zal zijn, zal hij daarvan niet afwijken”.

Kinderen zijn nooit te jong om te leren bidden en zingen. Ook kleine kinderen moeten betrokken worden in en bij het gebed. Voor het kleine kind mogen we bidden, maar het ook vroegtijdig met het gebed vertrouwd laten worden. In het begin misschien alleen door de handjes te vouwen en zelf een kort gebed uit te spreken. Later door het kind zelf het gebed na te laten zeggen. Psalm 8:3a: Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest".

Kinderen zijn een erfdeel des Heeren

Kinderen zijn een erfdeel des Heeren. Wat moeten we daar zorgvuldig mee omgaan. Daarnaast te merken: wie zal een reine geven uit een onreine? Dan moeten we bij onszelf beginnen.

Het is o zo belangrijk al deze zaken uit liefde de kinderen bij te brengen, zonder te

verslappen. Misschien is moedeloosheid ons deel wanneer we op onszelf zien. Maar ook dan: houdt aan, tijdig en ontijdig, want wie kan tegen God ingaan? Als de Heere trekt, wie zal wederstaan?

Dat onze hoop dan alleen op de Heere mag zijn, want:

Uw macht is groot, Uw trouw zal nooit vergaan; Al wat Gij ooit beloofd hebt, zal bestaan; De heiligheid is voor Uw huis, o HEER', Eeuw uit, eeuw in, tot sieraad en tot eer. (psalm 93 : 4).

Haren, J. J. van Willigen-Kirpestein

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 september 1985

Daniel | 32 Pagina's

KINDEREN.... HOE VOEDEN WIJ HEN OP?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 september 1985

Daniel | 32 Pagina's