Interview met ds. H. Paul, voorzitter van het deputaatschap voor studerenden der Gereformeerde Gemeenten
Wanneer en waar hebt u uw studietijd gehad?
U bedoelt natuurlijk mijn eerste studietijd. 'k Heb namelijk het voorrecht twee studietijden te mogen hebben. Voor mijn tandheelkundige studie heb ik in Utrecht gestudeerd. Dat was toen ook de enige plaats waar men voor tandarts kon studeren. Daar heb ik gestudeerd van 1946 tot 1952. Wij waren de eersten van de zesjarige tandheelkundige studie, waarbij ook een candidaats-en doctoraalexamen was.
Mijn tweede studie heb ik, naast die van de Theologische School in Rotterdam, gehad aan de universiteit van Leiden, waar ik het candidaatsexamen in de theologie heb behaald. Dat was van 1970 - 1974, inklusief de studie van de oude talen als voorbereiding. Maar deze tweede periode laten we maar buiten beschouwing.
Was de sfeer in de universitaire wereld toen anders dan nu?
De sfeer in de universitaire wereld was inderdaad veel anders. Ik denk dat dit samenhangt met diverse faktoren:
a. Het milieu waaruit de studenten kwamen, was meer dat van de zelfstandigen en de vrije en hogere beroepen. Het beurzensysteem zoals dat nu funktioneert, was toen nog niet zo ontwikkeld. Niet alleen gold dat
het universitair onderwijs, maar ook het middelbaar onderwijs. De toeloop naar het universitair onderwijs was daarvoor veel geringer dan nu.
b. De maatschappelijke betrokkenheid van de studenten was bij ons veel minder dan nu. De universitaire leefwereld was meer een gesloten geheel. De jaren '60 en '70 hebben de studentenwereld een heel ander aanzien gegeven. De invloed van het marxisme heeft een sterke verlinksing van het universitaire klimaat tot gevolg gehad. Van demokratisering was in onze tijd nog geen sprake. Er waren wel overlegorganen, maar die hadden niet die bevoegdheid, die ze nu hebben. Er was meer „uitspraak" van de zijde van de hoogleraren, dan „inspraak" van de zijde van de studenten. Dat was toen „afspraak". Daar hielden we ons wel aan.
c. De kennis, het weten stond in het maatschappelijk leven hoger aangeschreven dan nu. Er is nu meer belangstelling voor het kunnen. En het meer maatschappelijk-betrokken-zijn heeft invloed op meer facetten van het leven, zoals geld verdienen, tijdens je studie baantjes hebben in de vakantie enz. Het was toen ondenkbaar dat je als zoon van een academicus bijvoorbeeld op de markt een baantje had, of als P.T.T.-besteller een vakantiebaan.
Overigens vind ik dit laatste niet onjuist. Ons doe-het-zelf-tijdperk maakt het ook nodig. Zelf was ik in de zomervakantie ook bij de oogst-werkzaamheden betrokken op de boerderij van mijn vader.
Daarnaast valt ook het enorm verschil in kleding op tussen toen en nu, al begint er gelukkig kentering te komen. Wij deden examen in een donkerblauw costuum.
En ook verder werd er altijd een colbert gedragen met das enz.
Spijkerbroek, koltruien enz. zag je niet. Docenten gaan daar nu soms in voor, zoals ik in mijn Leidse studietijd ervaren heb. Het heeft me altijd bijzonder tegengestaan en ben ook blij dat daar weer verbetering in komt, want ik vind het een onjuiste nivellering.
Had u tijd voor bestudering van andere zaken dan die uw vakstudie betroffen?
De tandheelkundige studie gaf een goed gevulde studietijd met veel praktisch werk. Maar toch vond ik nog wel tijd colleges van het Studium Generale bij te wonen. Zo volgde ik bijvoorbeeld colleges van prof. Severijn over de inleiding tot de filosofie. Ook had ik belangstelling voor de colleges foren-
sische psychiatrie van prof. Baan. En uiteraard bracht het bezoeken van studiekringen de nodige voorbereiding mee voor dogmatische, ethische en levensbeschouwelijke onderwerpen.
Woonde u op een kamer? Welk advies zou u geven aan aankomende studenten met betrekking tot al of niet op kamers wonen?
Ja, ik woonde op kamers, maar ging van zaterdag tot maandag naar huis en heb er goede herinneringen aan. Het opkamers-wonen is als regel wel duurder dan heen en weer reizen, voor zover dat mogelijk is. Maar het heeft wel voordelen. Er zit ook een vormend element in dat later haar nut kan hebben.
Studeren houdt in: gevormd worden voor het maatschappelijk leven om daar straks een vaak leidinggevende funktie te hebben. Daar kan het op kamers wonen toe bijdragen. Ook door onderlinge kontakten met andere studenten. Uiteraard zijn er ook extra gevaren. Men staat al tamelijk jong min of meer „op eigen benen". De bewaring door de Heere hebben we in alles nodig, maar ook als we thuis wonen. Het gebed en medeleven van de ouders blijft noodzakelijk.
Alleen de Heere kan ons staande houden. Het kan overigens wel zijn nut hebben het op kamers gaan wat uit te stellen. Tevens wil ik nog opmerken dat als we op kamers wonen, we goede kontakten nodig hebben om vereenzaming te voorkomen. De overgang van thuis naar het wonen op kamers is vaak erg groot. En het regelmatig naar huis gaan, acht ik ook een noodzakelijke zaak.
Zijn er, , gevaarlijke" studierichtingen?
Eigenlijk zijn alle studierichtingen „gevaarlijk". Ik ken geen studierichting waarin men niet met opvattingen te maken krijgt, die tegen Gods Woord ingaan. Bovendien brengt het studeren zelfstandig denken bij. Ook dat kan gevaren meebrengen van het overschatten van ons inzicht en denkvermogen.
Het is een grote genade als consequente denkers mogen worden als een „kindeke", dat geleid en geleerd moet worden. Middelijkerwijs is het een goede zaak met gelijkgezinden zulke studieproblemen te bespreken en ook met afgestudeerden, die bij het Woord van God wensen te blijven leven. En vooral belangrijk ook te letten op de uitgangspunten van het zogenaamde wetenschappelijke denken, die vaak op vooronderstellingen berusten, die uit de filosofie stammen en als zodanig ook onbewijsbaar blijken. Ze blijken dan ook veelal meer te stammen uit de afkeer van de Bijbel en het scheppingsgeloof, dan dat ze berusten op reële feiten.
Is het waar dat relatief veel studerende jonge mensen onze gemeenten verlaten? Zo ja, wat kan daarvan de oorzaak zijn?
Van de groep studenten waar ik vroeger tegelijk mee studeerde uit onze gemeenten, ben ik, geloof ik, helaas de enige die bij onze gemeenten gebleven ben. Dat is nu wel anders. Toch weet ik niet of er nu relatief meer „tandartsen dan timmerlieden" de gemeente verlaten.
De lagere sociale laag, als ik het zo noemen mag, vertoont mijns inziens ook een ernstig verval.
De oorzaak dat studerende jonge mensen onze gemeenten verlaten, is niet zo
gemakkelijk aan te geven. Ze is nogal complex, denk ik. Het studeren brengt kritisch denken mee, zelfs een kritische instelling. Dan is die er ook ten opzichte van hetgeen in onze gemeenten meer als traditioneel bepaald moet worden gezien, dan als direkt bijbels gefundeerd. En laten we niet vergeten, dat het evangelie van de gekruisigde Christus nog steeds een ergerais is voor eigengerechtigden en dwaasheid voor wijzen van zichzelf. En dat geldt van nature ons allen. Maar de studie kan het laatste wel sterk bevorderen. Verder is ook de treurige verdeeldheid van de Gereformeerde Gezindte geen positieve zaak, die aantrekt.
Al geeft uiteraard een persoonlijke overgang bijvoorbeeld naar de Hervormde Kerk geen oplossing.
Toch meen ik te mogen zeggen dat bij de meesten van onze studerende jeugd er een positieve instelling aanwezig is ten opzichte van de zaken die het wezen vormen van de bijbelse leer van zonde en genade en de noodzaak van het bevindelijk verstaan ervan.
Het is dan ook zo belangrijk dat onze jongeren ervaren, dat èn de prediking èn de geldende normen in Gods Woord haar grondslag hebben, zoals die ook in onze belijdenis vertolkt wordt en waarbij ook de positieve inbreng van de Nadere Reformatie haar beslag krijgt. En tevens is het belangrijk dat er oor en begrip is voor de vragen, die bij onze jongeren leven. Het deputaatschap wil ook graag een positieve bijdrage daarin leveren.
Nog even een wat relevante vraag: dr. Janse stelt in zijn proefschrift „Bewaar het pand" dat hij de indruk heeft dat onze gemeenten „verlinksen". Zou dat samenhangen met het feit dat onze „academici" nu meer in onze gemeenten blijven dan zo'n 20-30 jaar geleden?
Een moeilijke vraag! Laten we proberen wat zaken op een rijtje te zetten. Dat in mijn tijd bijna alle academici uit onze gemeenten weggingen, hing samen met allerlei faktoren. Er waren toen zeer weinig academici in onze gemeenten. De sfeer en het klimaat waren anders dan nu. Er was in het algemeen minder bereidheid tot gesprek, meer wantrouwen ten opzichte van hen die gestudeerd hadden.
Aan de zijde van de studenten was er ook een zekere zelfoverschatting van hun kennis van theologische zaken en verworven inzichten. Er was van hun zijde vaak een reaktiehouding.
Nu de aanwezigheid van veel meer academici in de gemeenten je als student minder uitzonderingspositie geeft, is alles meer in rustiger vaarwater gekomen. Ik hoop ook te kunnen zeggen dat er meer begrip is voor hetgeen op grond van bestudering van de reformatorische geschriften, de belijdenis en de Nadere Reformatie als bijbelse waarheden gezien worden.
Onze studenten bestuderen deze geschriften. Denk aan de verscheidene Institutie-kringen. Ds. Kersten heeft die studie steeds (ik herinner me dat uit mijn eigen studententijd toen hij in Utrecht in 1947 voor ons sprak) aangemoedigd.
Dan zoekt men uiteraard overeenstemming tussen hetgeen onderzocht is en gehoord wordt.
Dr. Janse spreekt inderdaad op blz. 222 over verlinksing van onze gemeenten en wel in een paragraaf over de leer. Later heeft hij, in een interview in het R.D. van 30 juni, deze verlinksing hoofdzakelijk op de ethiek betrokken en daarbij ook gesteld dat het niet zonder meer inhoudt dat deze verschuiving dan ook onschriftuurlijker is. Je kunt er kennelijk meerdere kanten mee uit, al blijf ik deze niet onderbouwde uitspraak in de paragraaf over de leer, ernstig betreuren.
We voeren geen pretentie een eigen afgeronde Gereformeerde gemeentetheologie te hebben en beseffen toch dat altijd, met de hulp des Heeren, een juist verstaan en een juiste vertolking nodig is van wat in Schrift en belijdenis ons is gegeven om als boodschap door te geven. Wij stellen terecht onze oudvaders hoog. Dit vraagt dan ook bereidheid ons door hen te willen laten leren. Daarbij blijft het gebed om licht en wijsheid een eerste noodzaak.
Ik meen dan ook geen reden te hebben om aan te nemen dat de aanwezigheid van onze academici een verschuiving in onze gemeenten veroorzaakt heeft, die van de Schrift en onze belijdenis doet afgaan, noch ook dat door deze zogenaamde verlinksing een aanvaardbaarder klimaat voor hen zou zijn geschapen. Wel stelt dr. Janse in zijn proefschrift
dat de bevindelijke gereformeerden, mede als gevolg van hun emancipatie geleidelijk aan de beschikking kregen over een beter opgeleid kader. En verder: door dit hogere opleidingsniveau is het huidige kader in tal van gevallen beter dan vroeger in staat om de bevindelijk gereformeerde opvattingen en belangen toe te lichten en te verdedigen, zowel ten opzichte van buitenstaanders als ten opzichte van twijfelaars in eigen gelederen.
Zou u jonge mensen die niet stevig in de schoenen staan het advies geven dan maar niet te gaan studeren?
Jonge mensen, die niet stevig in hun schoenen staan, hebben inderdaad meer gelegenheid beïnvloed te worden voor hetgeen van buiten en tegen Gods Woord in op hen afkomt. Al geldt dat natuurlijk ook voor andere situaties zoals bijvoorbeeld militaire dienst enz. Bovendien zijn we allemaal mensen die bewaring nodig hebben. Maar het afwezig-zijn van de „sociale kontröle" heeft op de een meer invloed dan op de ander. Misschien is het mogelijk het studeren vergezeld te doen gaan van beter begeleiding.
Kunt u iets vertellen over de geschiedenis en het doel van het deputaatschap voor studerenden der Gereformeerde Gemeenten?
In 1971 werd op de Particuliere Synode Oost de aandacht gevraagd „voor de ambtelijke bearbeiding van de jonge mensen uit onze gemeenten, die aan instellingen voor hoger onderwijs studeren". Aan de Generale Synode werd in overweging gegeven hiertoe een afzonderlijk deputaatschap in te stellen.
Dat is ook gebeurd en de taak van dit deputaatschap is het zich bezig houden met de kerkelijke begeleiding en zorg voor onze jongeren die studeren aan instellingen voor wetenschappelijk en hoger beroepsonderwijs.
Kunt u ook iets zeggen over het funktioneren van de werkzaamheden in de praktijk?
Om het gestelde doel te realiseren, zijn in de meeste universiteitssteden en in Wageningen, Delft en Amersfoort kringen ingesteld onder leiding van een mentor. Op deze kringen wordt bijvoorbeeld de Institutie van Calvijn bestudeerd of worden andere levens-
beschouwelijke onderwerpen behandeld of gedeelten van onze belijdenis. Daar is een goede belangstelling voor, hoewel niet al onze studenten er heen gaan.
Daarnaast organiseert het deputaatschap een drietal lezingen per jaar. En wel één lezing vlak na nieuwjaar en twee lezingen in de zomervakantie vóór het nieuwe studieseizoen. Door de grote toeloop was de zaal van het kerkgebouw van onze gemeente te Utrecht te klein en worden ze nu in „De Driestar" te Gouda gehouden. Dit bevordert ook het onderlinge kontakt, vooral door de goede akkomodatie in Gouda.
Uiteraard wil de instelling van dit deputaatschap niet zeggen dat daarmee de taak en de verantwoordelijkheid van de plaatselijke gemeenten is afgelopen of zelfs verminderd. Maar het deputaatschap wil de band van onze studerende jeugd met de eigen gemeenten onderhouden en versterken. En daarbij hun ruggesteun geven tegen de werkelijk niet geringe aanvallen die op onze jeugd worden gedaan. Ook deze arbeid mag wel gedragen worden door het gebed der gemeenten.
Wordt dit werk van het deputaatschap gewaardeerd door de studenten, of niet?
Naar onze ervaring wordt dit werk positief gewaardeerd, bijzonder ook de lezingen in Gouda. Maar ook de kringen worden goed bezocht. En dan vooral door die studenten die ernst maken met
de zaken van Gods Woord en onze belijdenis. Belangrijk is ook of de studenten hiervoor van huis uit belangstelling is bijgebracht. Waar thuis het materialisme overheerst, al is daarbij misschien een trouwe kerkgang, valt niet veel te verwachten van een positieve instelling van de jongeren met betrekking tot deze zaken.
Adviseert u aankomende studenten lid te worden van een studentenvereniging, of niet?
Toen ik zelf in Utrecht ging studeren, werd mij door een ouderejaars medische student van onze gemeenten dringend geadviseerd lid te worden van een studentenvereniging. S.S.R. was de vereniging die daar het meest voor in aanmerking kwam. Daar ben ik ook lid van geweest maar ik heb me er nooit zo thuis gevoeld. De Vrijgemaakt Gereformeerden drukten toen het stempel nogal op deze vereniging.
Met enkele leden van onze gemeenten kwamen we al samen in een aparte kring. En zo'n kring was er ook in Delft.
Uit het onderling kontakt is uiteindelijk de C.S.F.R. geboren. Ons stond voor ogen om gezamenlijk de problemen die door de studie en uit de maatschappij op ons afkwamen te bestuderen vanuit Gods Woord en onze belijdenis, die ook nadrukkelijk in de statuten is opgenomen.
En daarbij zelfs een zinsnede dat het verstandelijk verstaan van Gods Woord niet genoeg is, maar de bevindelijke toepassing ervan noodzakelijk. Op het verenigingsblad was ook de tekst vermeld: De vreze des Heeren is het beginsel der wijsheid.
Het is mijns inziens te betreuren dat de C.S.F.R. later zo veel sprekers liet optreden, waarvan we niet kunnen zeggen, dat ze het bovengenoemde beginsel voorstonden en die dan ook niet hebben meegewerkt aan het verwerkelijken van het gestelde doel. Toch zijn er tal van uitingen van het verenigingsleven die positief zijn en laten zien dat het gestelde doel niet uit het oog verloren is. Van harte hoop ik dat de eigen identiteit behouden mag blijven, ook wanneer er samengewerkt wordt in bredere verbanden bijvoorbeeld in het IFES-Nederland.
Naar mijn mening is de C.S.F.R. toch de enige vereniging waar onze studenten lid van kunnen zijn en ook hopelijk een positieve inbreng hebben. Het lid zijn van een vereniging acht ik zeker een nuttige zaak die bijdraagt aan de vorming van een student tot hetgeen van een afgestudeerde mag worden verwacht. Voor het Hoger Beroeps Onderwijs ligt het iets anders. De opbouw van de studie, die meestal gedecentraliseerd wonen en studeren, het stage-jaar enz., maken voor hen het verenigingsleven veel moeilijker. Bovendien ontbreekt daar een reformatorische vereniging.
Maar ook voor hen zijn onze lezingen en kringen uiteraard opengesteld.
Wanneer ik tenslotte onze studerenden een welgemeende raad mag meegeven, dan is het deze, dat ze zouden verlangen te mogen verstaan dat „in de vreze des Heeren het beginsel van de wetenschap is". Verder ook dat ze hun talenten goed zouden besteden, opdat ze ook straks ten nutte van Gods Kerk op aarde mogen zijn en dat ze de gemeenten waaruit ze voortkomen zouden liefhebben!
En dat kan alleen in die weg waarvan geldt: „Gij hebt mij bewaard".
ds. A. Moerkerken
W. van de Kamp
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1985
Daniel | 28 Pagina's