JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

DE FUIF

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE FUIF

Kort verhaal door mevr. C. A. Donze-Servaas

14 minuten leestijd

't Is pauze.

In groepjes staan de jongens en meisjes van klas 4 A met elkaar te praten. De gesprekken gaan bijna allemaal over één onderwerp, de verjaardagsfuif aanstaande vrijdagavond bij Nancy Vancauteren. Een beetje afzijdig, met een nijdige trek op haar gezicht, staat Loes de Winter naar het opgewonden gebabbel te luisteren. Ze neemt geen deel aan de konservatie.

Waarom zou ze ook, ze heeft er geen enkel belang bij om de eenvoudige reden dat zij niet naar die fuif toemag. Ze had dit van te voren wel geweten maar toch heeft ze gisteren bij haar vader nog een poging gewaagd om toestemming te krijgen het feestje mee te mogen vieren. Zonder resultaat natuurlijk. Woedend was ze geweest. , , U behandelt me als een klein kind", had ze vader toegesnauwd. „Wat steekt er nu achter om gewoon naar een verjaardagspartijtje van een schoolvriendin te gaan. Naar Els van der Hout mocht ik toch ook? "

Geduldig, zonder boos te worden, had vader met haar gesproken. „Natuurlijk mocht je naar Els. Ik gun je heus wel een pleziertje, Loes, maar bij zulke mensen als de Vancauterens hoor je niet. Ik ken die Vancauteren vrij goed, omdat hij bij mij op de zaak werkt. Het is een ruwe onverschillige man die om God noch gebod geeft. Hij kan geen paar zinnen zeggen zonder er bij te vloeken en als je er wat van zegt, gooit hij er nog een schepje bovenop. Nee Loes, ik kan het echt niet verantwoorden om je daar naar toe te laten gaan". „Maar Nancy kan het toch niet helpen dat ze zo'n ruwe vader heeft", had ze nog eens geprobeerd. „Haar moeder is best een aardige vrouw. Ik heb haar eens gesproken toen het open school was en ze was erg vriendelijk". Maar vader had voet bij stuk gehouden en toen hij ging „preken", was ze boos naar boven gelopen en had de hele avond op haar kamer zitten mokken. Maar ook dat had niet geholpen.

Ze mocht niet naar Nancy!

Loes balt in haar jaszak de vuisten. Bah, wat heeft ze er de smoor in. Zie haar klasgenoten eens plezier met elkaar hebben, de voorpret straalt van hun gezichten af. Alleen zij valt daar buiten. O ja en vanzelfsprekend Martijn Verhoeven. „De blikken dominee", zoals de klas hem altijd noemt. „Maar die wil natuurlijk zelf niet, die vrome kwezel", denkt Loes. Ze schrikt er zelf van. Nu laat ze zich toch wel erg ver in haar boosheid gaan dat ze het zelfs op Martijn uitwreekt. Op Martijn die ze altijd zo bewonderd (al zou ze het voor geen goud aan iemand willen bekennen) omdat hij steeds zo recht door zee gaat en openlijk voor zijn principes uit durft te komen, zelfs tegenover de leraren. Even zakt de boosheid wat af bij Loes, maar als ze het vrolijke gepraat van haar klasgenoten weer hoort, laait de begeerte om met hen mee te doen weer hoog in haar op.

„Zeg jij komt toch ook wel hè? " vraagt Nancy dan ineens aan haar. „Je hebt toch wel zin? Je zegt zo weinig". Voor Loes antwoord kan geven, zegt Miranda Streuvel spottend: „Ik denk dat ze niet van haar pappie mag. Stel je voor, op een fuif bij onkerkelijke mensen. Ze moest er eens van weten".

Er valt opeens een stilte en alle ogen zijn op Loes gericht. Deze voelt zich vuurrood worden. „Wat gemeen, wat ingemeen van Miranda", flitst het door haar heen.

„Ach meid doe niet zo gek", valt ze dan uit naar het spot-lachende meisje. „Natuurlijk kom ik naar je fuif', hoort ze zichzelf dan tegen Nancy zeggen. Dan luidt de bel.

Opgelucht draait Loes zich om. Blij dat de bel een eind aan de situatie maakt en loopt de school binnen. In de gang voelt ze ineens een hand op haar schouder. Als ze omkijkt, ziet ze Martijn Verhoeven. „Niet doen Loes. niet doen!" zegt hij dringend.

Dan loopt hij gelijk door. Niemand heeft het incidentje gezien.

Onder de les vliegen Loes' gedachten heen en weer. Wat heeft ze nu toch gedaan. Om zich groot te houden, heeft ze tegen Nancy gezegd dat ze zou komen. Wat nu?

„Verzin toch een list", fluistert een stemmetje in haar binnenste. „Laat je niet als een klein kind behandelen. Je vader is zo vreselijk ouderwets". „Niet doen Loes!" klinkt een andere stem in haar. „Je vader heeft het beste met je voor en ook Martijn heeft je gewaarschuwd". „Maar ik kan niet terug", denkt ze dan. „Stel je voor dat ze nu tegen Nancy zou zeggen: „Ik kom toch maar niet". Wat zou de klas haar dan uitlachen en bespotten. Het zweet breekt Loes uit bij de gedachten alleen al. Nee, ze kan echt niet meer terug. Bijna onmerkbaar haalt ze de schouders op alsof ze de stem van haar geweten van zich af wil schudden.

Ze gaat toch!!

Langzaam rijpt er een plan in haar hoofd.

Als de school uitgaat, zorgt Loes dat ze Nancy nog even kan spreken. „Wat heb je nog op je lever? " vraagt Nancy vrolijk als ze het wat verlegen gezicht van Loes ziet. „Toch geen geldgebrek? " Glimlachend schudt Loes haar hoofd. „Nee, gelukkig niet, maar eh.... ik wil.... ik zou.... zou ik niet bij jullie kunnen slapen? Mijn vader moet er 's morgens altijd zo vroeg uit enne.... als ik dan laat thuiskom wordt hij soms wakker en...." „O kind natuurlijk", snijdt Nancy een verdere uitleg af. „We hebben plaatst genoeg, 'k Vindt best gezellig, kunnen we nog wat nakaarten samen in bed". „Zou je moeder het toch wel goedvinden? " vraagt Loes nog wat aarzelend. „Natuurlijk wel", wuift Nancy alle bezwaren weg. „Je komt maar hoor, of liever gezegd, je blijft maar", lacht ze Loes geruststellend toe. „Ik zal tegen mama zeggen dat ze schone lakens op m'n bed legt. Nou ajuus hoor, tot morgen".

„Moe, is het goed dat ik morgen naar tante Janny ga? Het is weer al zo lang geleden dat ik er geweest ben. Ik wil dan blijven slapen en zaterdag terug komen". Met een vuurrode kleur klijkt Loes naar moeder, met wie ze staat af te wassen, aan. Hè, wat vervelend dat ze zo bloost. Als moeder maar niets in de gaten heeft. Maar moeder, die net een pan staat af te schuren, zegt alleen maar: „Wel ja, doe dat kind, dat zal tante Janny leuk vinden". Haastig hangt Loes de theedoek weg. „Die pan droogt u zelf nog wel af hè, Ik moet nog zoveel huiswerk maken". Als moeder toestemmend knikt, is Loes de keuken al uit. Hè, wat bonst haar hart vreemd. Langzaam loopt ze de trap op. „Bedriegster, bedriegster!" hamert het in haar hoofd. Hoe durf je, je eigen moeder zo te bedriegen door net te doen of je bij tante Janny gaat slapen, terwijl je naar Nancy gaat". Even krijgt Loes de neiging om terug naar moeder te lopen en haar alles te vertellen. Maar dan hoort ze weer de spottende stem van Miranda: „Ik denk dat ze niet van haar pappie mag" en dan loopt ze toch maar naar boven.

„Hallo luitjes, kom binnen! Gooi jullie jassen hier maar op een hoop hoor. Ja, gooi die helmen er ook maar bij, die zoeken we vannacht weer wel uit, als we daar tenminste nog toe in staat zijn!"

Lachend wijst Nancy een hoekje in de hal aan waar haar klasgenoten één voor één hun mantel of jas neergooien. Wat beduusd door deze vreemde begroeting, staat Loes het even aan te zien. Netjes van aard, zoals ze is, stuit het haar tegen de borst het zelfde te doen. Even aarzelt ze nog. Dan hangt ze, onopgemerkt, haar mantel aan de kapstok en legt haar helm er onder. Even later zitten ze allemaal, gezellig in een grote kring, een kop koffie te drinken met een grote mokkapunt er bij. Nancy kijkt trots naar de nieuwe armband die ze van haar klasgenoten gekregen heeft. „Nog eens bedankt hoor allemaal", zegt ze dankbaar. „Daar had ik nou toch al zo lang zin in".

„En zoals altijd heb je je zinnetje weer gekregen hè", zegt haar vader. Dan begint hij een paar leuke voorvallen te vertellen over toen Nancy nog klein was. „Hij doet het gelukkig zonder vloeken", denkt Loes. „Zie je wel dat het allemaal wel meevalt".

Het akelige schuldgevoel dat ze steeds over zich heeft, ebt wat weg en ze begint zich meer op haar gemak te voelen. Dan, ineens, in het vuur van zijn gesprek, maait Vancauteren een kop koffie van de tafel.

Er klinkt een grote vloek door de kamer. Loes ijst er van. Het schuldgevoel valt gelijk weer op haar. Ze ziet vaders ernstig gezicht weer voor zich: „Nee Loes, dat kan ik niet verantwoorden om je daar naar toe te laten gaan". Ze moet ook denken aan wat Martijn in haar oor fluisterde:

„Niet doen Loes, niet doen!" Mevrouw Vancauteren haast zich intussen om de natte boel op te ruimen. Als ze daar mee klaar is, vraagt ze: „Zullen we nu maar gaan man voor je weer iets omgooit? "

Direkt staat Vancauteren op en met een:

„Zullen jullie niet al te veel de beest uithangen? " beent hij de kamer uit gevolgd door zijn vrouw die zegt: „Het zal wel laat worden Nancy, zal je de knip niet op de voordeur doen? anders kunnen we er niet in". Ze steekt nog even haar hand op: „Nu jongelui veel plezier hoor". Nancy zwaait voor het raam de auto na waarmee haar ouders wegrijden. Dan draait ze zich om en zegt: „Nou jongens, de ouweluitjes zijn weg, dan kunnen wij eens fijn de bloemetjes gaan buitenzetten". „Begin dan maar om me een flinke borrel te geven", beveelt Joop Harmsen. Loes denkt dat hij het als een grap bedoeld maar tot haar grote verbazing doet Nancy een deur van het wandmeubel open en trekt er een blad uit dat vol met flessen drank staat van allerlei soort. Nancy deelt glazen uit en begint handig in te schenken. Dat heeft ze al eens meer gedaan, ziet Loes. „Wat wil jij? " vraagt ze aan Loes. „Heb je niet iets fris? " vraagt Loes argeloos, waarop ze

allemaal in lachen uitbarsten alsof ze om iets heel geks vroeg. „Hoor dat begijntje eens", buldert Henk Klevers. „Is er een kast vol met verrukkelijke dranken en dan vraagt ze me daar om iets fris".

„Toe nou Loes", zegt Nancy, ook nog lachend, het is nu geen gelegenheid om een frisdrankje te drinken hoor. Hier neem eens een beetje van dit en ze duwt een glaasje met rode drank in de' handen van Loes.

Deze durft, na zo uitgelachen te zijn, niet meer te weigeren. Wat gelaten staat ze met het glaasje te draaien. De anderen letten nu niet meer op haar. Ze ziet dat Nancy al voor de tweede maal met de flessen rondgaat. Zou ze ook eens durven proeven? Voorzichtig neemt ze een slokje. Bah, wat is dat spul slecht, het brandt in haar keel. Ze begint er van te hoesten. Maar om weer niet uitgelachen te worden, drinkt ze het glas toch maar met kleine teugjes leeg. „Zeg, ik blijf niet met die flessen ronddraaien hoor", roept Nancy. „Ik zet ze hier neer, wie wil pakt maar". Met afschuw ziet Loes dat dit niet tegen dovemansoren gezegd is en het duurt niet zo heel lang of verschillende jongens en zelfs al een paar meisjes hebben meer drank op dan goed voor hen is. Dat is wel te horen aan de taal die ze uitslaan. Dan gaat Nancy een plaat opzetten en even later schalt er keiharde muziek door de kamer. „Dansen jongens", roept Geralda Huissens met een schelle stem. „Stoelen aan de kant", valt Joop haar bij en begint gelijk al een grote stoel naar de achterkant van de kamer te sjorren. Dat voorbeeld wordt door enkele andere jongens gevolgd.

In een ommezien is de voorkant leeg en zijn er paartjes gevormd die op de maat van de muziek ronddraaien. Loes ziet het allemaal verbijsterd aan. Het feest neemt een heel andere wending dan ze verwacht had. Heeft ze daar nu zo naar verlangd? En moet ze daar haar ouders zo voor bedriegen?

Het wordt een echte dans-en drinkpartij beseft Loes. Ze voelt zich ineens heel eenzaam en het is net of het allemaal vreemde jongens en meisjes zijn en niet haar vertrouwde klasgenoten. Dan buigt Hein Klevers zich over haar heen. „Mag ik deze dans van u? " vraagt hij overdreven deftig. Loes ruikt zijn drankadem en ze walgt er van. „Ik kan niet dansen", zegt ze kort. „O dat geeft niks hoor", verzekerd Hein haar. „Dan hupsen we zo maar een beetje in het rond. Kom maar". Hij slaat zijn arm om de schouders van Loes. Wild slaat deze de arm weg. „Blijf van me", bijt ze hem toe. „Nou kalm maar hoor heilig boontje", zegt Hein dan woedend. „Wat kom je hier eigenlijk doen? Wacht maar, straks zullen we je wel laten dansen", sist hij nog in haar oor en loopt dan met grote passen naar een ander meisje. Loes merkt dat ze onder het dansen over haar smoezen en ze wordt bang. Wat is die Hein van plan? De tranen springen in haar ogen.

Wat voelt ze zich ellendig. De vreselijke muziek doet pijn in haar hoofd en ze wordt duizelig van al dat gedraai voor haar.

Bovendien is het glas wijn haar misvallen en ze voelt zich steeds misselijker worden.

Ze moet weer aan vader denken: „Zou je er kunnen sterven Loes? " Ze had, toen vader dit aan haar vroeg haar schouders opgehaald en was boos naar boven gelopen. Maar als ze hier nu eens echt moest sterven? Dat zou toch kunnen? Ze voelt zich zo ziek. Het angstzweet breekt haar uit. Kon ze maar weg! Maar omdat ze, uitgerekend vanavond, haar brommer niet gestart kreeg, heeft ze die bij Marry Vilder in de schuur gezet en is bij haar achterop meegereden, dus heeft ze nu geen vervoer. En Nancy woont wel een kilometer of vier van de stad. Loes zucht eens diep. Ze ziet geen kans om heel dat eind te gaan lopen, zeker niet nu ze zo beroerd is.

Dan moet Loes ineens overgeven. Ze holt de kamer uit naar het toilet. Hè, dat lucht toch een beetje op. Achter de kamerdeur hoort Loes het gedrein van de muziek en het geschuifel van voeten op de parketvloer.

Boven dit alles uit hoort ze een brallende stem: „Waar is ons begijntje, die moet leren dansen!" Dan is er nog maar één gedachte in Loes: „Weg!"

Ze rukt haar mantel van de kapstok, grist de helm van de vloer en opent de deur die ze zachtjes achter haar dicht laat vallen.

Dan rent ze zo hard ze kan het pad over, het tuinhek door en de weg op. Ze weet niet eens welke kant ze op gaat. Ze holt maar door. Na een poosje kan ze niet meer. Haar hoofd bonst alsof het uit elkaar zal barsten en een stekende pijn in haar zij doet haar ineenkrimpen. Daar staat ze nu, helemaal alleen op een onbekende weg en het begint al donker te worden. Ze begint zachtjes te huilen.

„O Heere, help me toch", snikt ze dan.

„Vergeef me dat ik zo dwaas gedaan heb en help me toch". Ja, nu je in nood bent heb je de Heere nodig", fluistert er weer een stemmetje in haar. „Maar nu zal Hij ook niet naar jou luisteren". Dan voelt Loes zich nog ellendiger. Langzaam sjokt ze maar verder. Opeens is er een brommer

naast haar. Ze heeft hem helemaal niet aan horen komen. Ze kijkt op en dan....

„Martijn!!!" Het klinkt als een juichkreet.

„Stap maar op" zegt hij kort. „Hoe wist je...." begint Loes. „Ik had wel gedacht dat je daar weg zou lopen", zegt Martijn. „Het is alleen nog een beetje vroeger gebeurd dan dat ik verwacht had, vandaar dat ik je nu pas oppik". Achter op de brommer zit Loes weer zachtjes te huilen maar nu van blijdschap. „Dank U wel Heere", klinkt het in haar hart. „Dank U wel dat U me toch geholpen hebt. Wilt U me vergeven en bewaar me dat ik zoiets nooit meer doe". Als Martijn voor Loes' huis stopt, wuift hij alle dank van haar weg. Ernstig kijkt hij haar aan en vraagt: „Wat ga je nu doen Loes? " „Alles eerlijk bekennen aan vader en moeder", zegt Loes zonder aarzelen. „Daar ben ik heel blij om", zegt Martijn zacht. Even houden zijn ogen de hare vast. Dan keert hij zich om en start zijn brommer. Als hij wegrijdt, steekt hij nog even zijn hand op en roept: „Tot ziens Loes!" Het klinkt als een belofte.

Nog even staat Loes hem na te kijken, dan loopt ze vastberaden het stoepje op en drukt op de bel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juli 1985

Daniel | 33 Pagina's

DE FUIF

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 juli 1985

Daniel | 33 Pagina's