JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Gebeuren er nog wonderen? Nou en of!

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gebeuren er nog wonderen? Nou en of!

bondsdagverhaal door mej. J. W. van den Berg

15 minuten leestijd

Op een grote vlakte die naar het noorden toe overgaat in een gloeiend heuvelland, ligt een dorpje. Het is niet groot, ongeveer tachtig hutten, die in groepjes om een open binnenplaats zijn gezet. Op die binnenplaats vergaderen de dorpsoudsten. Als er heel belangrijke beslissingen moeten worden genomen, zijn alle mannen van het dorp aanwezig. Buiten het dorp liggen wat schrale akkers en een 500 a 600 meter naar het zuidoosten begint een uitgestrekt bos waarin je verdwaalt als je te ver van de rivier raakt, die er doorheen stroomt. Het is nu stil in het dorpje. Maar dat is geen wonder: het is midden in de nacht en iedereen slaapt natuurlijk. Iedereen? Nee, Mkomo, één van de voornaamste dorpsoudsten is nog wakker. Is hij ziek? Nou.... nee, dat niet. Heeft hij misschien ergens pijn? Nee, ook niet. Mkomo heeft zich vandaag erg kwaad gemaakt, beter gezegd: hij is werkelijk des duivels geweest en daarom kan hij de slaap niet vatten. Vanmorgen kwam er een oude jeep aanhobbelen over de vlakte. Je kon hem al van ver aan zien komen door de grote stofwolken die hij deed opwaaien. Toen de auto bij het dorpje stil hield, was hij in een ogenblik omringd door nieuwsgierige mannen, vrouwen en kinderen. Enkelen kenden de chauffeur, de meesten hadden van hem gehoord. Het was zendeling Sonnehil uit het dorp aan de andere kant van het bos. Als je daar naar toe wilt, kun je het houden woede, „nooit zal ik toelaten dat er hier over U verteld wordt, nooit! Hoort U dat!"

Zondag gaat hij luisteren

Mkomo is niet de enige die wakker is. Zapongo, zijn oudste zoon kan ook niet slapen. Hij was vanmorgen getuige van de woordenstrijd tussen de zendeling en Mkomo. Niet de boosheid van zijn vader houdt Zapongo uit de slaap, maar de woorden van ds. Sonnehil. „Toch zul je eenmaal met die God kennis maken Mkomo", had de zendeling gezegd. „Nu wil je niet, nu verzet je je. Maar mijn God is almachtig. Hij kan jouw tegenstand breken. Hij maakt van vijanden vrienden, van vervolgers volgelingen. Hij kan alles. Hij weet alles, Hij is een God van wonderen. Kom zondag maar luisteren, dan vertel ik van Hem van Zijn Zoon, Die dood geweest is en weer levend geworden is, ja Die leeft tot in alle eeuwigheid." Wat werd vader toen boos! Zapongo ziet het weer voor zich. Ze stonden recht tegenover elkaar, Mkomo en de zendeling.

Mkomo's ogen schoten vuur, zijn gezicht was vertrokken van woede, zijn vuisten waren gebald. Maar de zendeling bleef kalm en vriendelijk. Zapongo gaat rechtop zitten. Hij slaat zijn armen om z'n knieën.

Hij zou best eens over die God willen horen. Zondag gaat hij luisteren. Ja dat doet hij.

Voor de vierde keer

Het is vol in het kerkje van ds. Sonnehil. Op de achterste bank, op het uiterste puntje, zit een jongen van een jaar of veertien. De dienst was al lang begonnen toen hij binnenkwam. De mensen op de achterste bank schoven bereidwillig een eindje op. Sommigen knikten hem vriendelijk toe. Ze kennen hem. Hij komt nu al voor de vierde zondag en elke keer bijna een half uur te laat. Zendeling Sonnehil ziet hem ook komen. Hij neemt zich voor hem straks even aan te spreken, 't Is geen jongen uit het dorp, dat weet hij zeker. Maar als de zendeling direkt na de dienst naar buiten komt, is de jongen verdwenen.

Hier wachten we

Op de rivier die dwars door het bos stroomt, vaart een kano. Er zitten twee mannen in. Ze bewegen hun peddels in een volmaakt eender ritme door het water.

Ze varen stroomopwaarts, maar dat is niet te merken. Moeiteloos glijdt hun bootje voort. De voorste man wijst ineens met zijn peddel op een kleine inham. „Hier wachten we tot hij voorbij komt, dan zijn we zeker van onze zaak." Een minuut later ligt de kano onder wat overhangende struiken. De beide mannen maken het zich gemakkelijk. „De kerk is voorlopig nog niet uit", bromt de man die het plekje aanwees, „we hebben nog wel even de tijd"

Zijn striemen

Langzaam, alsof het hem moeite kost, duwt Zapongo zijn kano van de kant. Met zichtbare tegenzin steekt hij zijn peddel in het water. Hij heeft eigenlijk helemaal geen zin om naar huis te gaan. Met onweerstaanbare kracht wordt hij naar het dorp van zendeling Sonnehil getrokken, of beter gezegd: naar zijn kerkje. Vier keer is hij nu geweest en vier keer ongezien, dat weet hij zeker. Hij gaat pas naar binnen als de dienst al begonnen is. Dan zijn de spionnen van vader weg. Die staan, sinds de zendeling hun dorpje bezocht, elke zondag bij de kerk om te zien of er ook bekenden naar binnen gaan. Zapongo laat zijn peddel even rusten. Vader haat de zendeling met een dodelijke haat. Wee degene die het waagt om het kerkje te bezoeken. De zweep ligt klaar! Zapongo rilt even, vader zal niet zachtjes slaan; hij zal de haat die hij koestert tegen de zendeling, botvieren op de ongehoorzame dorpeling, wie hij ook is. „Door Zijn striemen is ons genezing geworden." Daar heeft de dominee van gepreekt. Hij heeft lang niet alles begrepen, maar dit weet hij: je bent gelukkig als de Heere Jezus in jouw plaats geslagen werd en als Hij voor jou gestorven is. Als Hij jouw zonden weggedragen heeft. Er dringen tranen op in Zapongo's ogen. Zijn zonden! Ze staan als een donkere berg voor hem, een berg zo hoog! Zo hoog als de hemel. Hij merkt niet dat zijn kano langzaam met de stroom meegetrokken wordt. Dat wordt hij zich pas bewust als het smalle bootje achterstevoren tussen wat waterplanten terecht komt. Met een haastig gebaar veegt hij de tranen uit zijn ogen en peddelt in één ruk door naar huis. Tien minuten nadat hij zijn scheepje naast dat van zijn vader heeft vastgemaakt, stappen de twee mannen uit hun kano en lopen regelrecht naar de hut van Mkomo.

U onschuldig

Het is stil in het dorpje waar Zapongo woont. Stil en donker. Dat is geen wonder, het is middenin de nacht en iedereen slaapt. Iedereen? Nee, Zapongo is nog wakker. Is hij ziek? Ja, of eigenlijk toch niet. Hij ligt half op zijn zij en zijn buik.

Dikke roede striemen staan er op zijn schouders en rug. Striemen van de zweepslagen die zijn vader hem gaf. „Ik zal je leren naar de kerk te gaan", had Mkomo geschreeuwd. „Hier, pak aan!" In blinde woede had hij op zijn zoon ingeslagen. Voorzichtig gaat Zapongo wat verliggen. Oh, au! „En door Zijn striemen is ons genezing geworden." Zapongo schrikt.

Die woorden komen hem ineens zo helder in de geest dat het lijkt, alsof iemand ze hardop tegen hem zegt. 't Is alsof er even een troostende hand op zijn hoofd wordt gelegd, alsof zijn wonden nu wat minder schrijnen. Zijn striemen. De Heere Jezus werd ook geslagen. Er wellen tranen op in zijn ogen, maar niet van pijn, ook niet van zelfmedelijden. „U onschuldig Heere Jezus", zegt hij zacht. „U had het niet verdiend."

Toch weer naar de kerk

Tussen de mensen die naar het kerkje van ds. Sonnehil gaan, loopt Zapongo. Hij heeft niet gewacht tot iedereen binnen is en de spionnen van zijn vader weg zijn. De striemen op zijn rug en schouders zijn nog niet genezen en hij weet dat zijn vader hem straks weer zal slaan, maar hij is toch gegaan, een onweerstaanbare kracht trekt hem naar deze plaats. Niemand hield hem

tegen, Mkomo was niet thuis en moeder had het veel te druk met de andere kinderen. Hij gaat op zijn eigen plekje zitten, achteraan op het puntje van de bank. Ds. Sonnehil ziet hem zitten en verwondert zich over zijn komst. Hij weet nu wie die jongen is, hij weet dat Mkomo hem geslagen heeft en dat hij hem straks weer zal slaan, harder en wreder misschien dan de eerste keer. Er is een stil gebed in zijn hart voor deze jongen. God is immers een God van wonderen?

Ben je gevallen?

Weken gaan voorbij. Op een regenachtige dag zoekt een oude jeep dwars over de vlakte zijn weg naar Mkomo's dorpje, 't Is de jeep van ds. Sonnehil en naast hem zit een vrouw in een witte jurk, zuster Hannie. Wat!? Gaat hij weer een poging wagen om het evangelie daar te vertellen?

En waarom brengt hij een verpleegster mee? Vlakbij het dorpje zet de zendeling de auto stil en vraagt aan de mensen die er omheendringen waar de hut van Mkomo staat. Zonder aarzelen loopt hij er samen met zuster Hannie heen. Mkomo is niet thuis, zijn vrouw laat hem aarzelend binnen. Zapongo zit op zijn slaapmatje en z'n ogen beginnen te stralen als hij ziet wie er binnenkomt. Hij doet een poging om op te staan, maar de dominee is al bij hem neergehurkt. , , Je was gisteren niet in de kerk Zapongo", zegt hij vriendelijk. „Wij waren erg nieuwsgierig waarom niet en daarom komen we eens bij je kijken."

Zapongo doet een poging om te glimlachen, maar dat gaat hem niet goed af. Een bloedige striem loopt dwars over zijn gezicht. „Ik kan niet goed lopen", zegt hij wat moeilijk en wijst op zijn knie. Die is dik en opgezet. Zuster Hannie opent de grote trommel die ze bij zich heeft. „Daar zullen we eens gauw wat aan doen", zegt ze. „Ben je gevallen? " Zapongo geeft geen antwoord op haar vraag. „Even je tanden op elkaar."

Wie zou dat gedaan hebben?

In het dorp van ds. Sonnehil is iets afschuwelijks gebeurd. In de nacht van zaterdag op zondag is achter het kerkje een politieagent gedood. Sporen wijzen uit dat er meer dan één dader moet zijn. De politie neemt de zaak hoog op en alle dorpen in de wijde omtrek worden doorzocht. Ook het dorpje waar Zapongo woont. Maar 't levert niets op. En nu is het al weer zaterdag. Vroeg in de morgen is Mkomo met twee andere dorpsgenoten vertrokken. Het zal wel maandag worden eer ze terug zullen zijn. Zapongo's knie is zo goed als beter. Hij is de vorige zondag weer naar de kerk geweest. Niemand nam enige notitie van hem toen hij tegen de avond terugkwam. Iedereen praatte over de moord die er gepleegd was en wie dat nu wel gedaan had. Mkomo was niet thuis en stil had hij zijn slaapmatje opgezocht.

Eerst die jongen

Het is vol in het kerkje, vol en warm. Zapongo zit op zijn plaatsje achteraan, vlakbij de open deuren. Buiten - ze zijn al vlakbij - komen een twintigtal zwaarbewapende soldaten aan. Ze grijnzen als ze zien dat de kerkdeuren wagenwijd openstaan. Da's gemakkelijk. Ze kennen hun instrukties: eerst die jongen op de achterste bank en dan nog zes andere kerkgangers.

Brand?

Over een smalle landweg rijdt een oude jeep. Achter het stuur zit ds. Sonnehil. Hij heeft een bezoek gebracht aan de gevangenis waar Zapongo en zes andere gemeenteleden nu al maandenlang opgesloten zitten, beschuldigd van moord. Hij is vanmorgen al vroeg weggereden omdat het vaak lang duurt eer hij toegelaten wordt bij de gevangenen. Maar alles ging zo voorspoedig dat hij besloot om via Mkomo's dorpje terug te rijden. Waarom weet hij niet, hij volgt de ingeving van zijn hart. Wat 'n schrik was dat zeven maanden geleden. De soldaten hadden Zapongo het eerst te pakken. „Mee jij, moordenaar!" schreeuwden ze. In 't begin mocht niemand bezoek hebben, maar nu: wonderlijk, nu mag hij zelfs preken in de gevangenis. Vanuit Holland zijn Bijbels gestuurd en kleding en geld. Maar daar is ook veel gebed voor de zeven die onschuldig gevangen zitten. Ai, oppassen nou, de weg wordt er hier niet beter op. De auto werpt dikke stofwolken omhoog want het

wegdek is kurkdroog. Het heeft in maanden niet geregend. Links en rechts liggen de verschroeide velden en daar boven staat als een grote koepel de strakblauwe lucht. Als ds. Sonnehil nog maar een kilometer of vier van Mkomo's dorpje verwijderd is, lijkt het alsof het licht van de zon wat verduisterd wordt. Ah, een wolk misschien? Zou er regen komen? Nee, er trekken alleen wat nevels langs de zon, lange wapperende slierten mist. De dominee zet de auto even langs de kant. Hij tuurt in de richting van het dorpje, 't Is net of die nevels daar vandaan komen. Er zal toch geen brand zijn? Een ruk aan het stuur brengt de jeep midden op de weg. De dominee let op geen putten en kuilen meer. Snel, snel, misschien kan hij daar helpen!

Een onbegonnen werk

Ten noorden van Mkomo's dorpje staan de velden over een grote breedte in een laaiende gloed. Tientallen mannen, vrouwen en kinderen vechten wat ze kunnen tegen het vuur dat door de droge woestijnwind aangewakkerd wordt. Met takken, bezems en schoppen slaan en wrijven ze de vonken uit. Daar waar de vonkenregen het grootst is, vechten Mkomo en vlak naast hem, gewapend met een grote takkenbezem strijdt zendeling Sonnehil. Zijn witte overhemd is vuil en nat van het zweet, zijn gezicht is bijna zo zwart als dat van Mkomo. „Zo is het ook als je Gods volk vervolgt Mkomo", zegt hij hijgend.

„Dat is net zulk zwaar werk. Hier gooi je er een paar in de gevangenis, daar sla je er één bijna dood. Maar een paar kilometer verder worden er tien tot God bekeerd. Kijk eens even om je heen, man! Kijk eens achter je! Daar en daar en ginds! Allemaal vonken. Waar komen ze vandaan? Je hebt er toch honderden uitgeslagen en gedoofd? Toch vlamt het daar en ginds en overal weer op. Geef't maar op Mkomo, 't is een zwaar en onbegonnen werk tegen God te vechten." Mkomo geeft geen antwoord. Hij zwoegt en zweet, hij slaat en wrijft. Zijn dorpje moet behouden blijven!

Maar 't hamert in zijn hoofd: „On-begon-nen-werk-man!" Even kijkt hij opzij.

„Hier sla je er één bijna dood, daar gooi je er een paar in de gevangenis. Da's zijn werk! On-be-gon-nen-werk-man! En naast hem vecht de man die hij haat met een dodelijke haat. Aan wie hij verboden heeft ooit nog één voet in het dorp te zetten. „Waar-om-helpt-u-ons? " vraagt hij kuchend tegen de rook. „U-bent-tochmijn-vijand!" „Nee-Mkomo-ik oh kijk....daar!" Een groepje bomen links achter hen vat plotseling vlam. Hoog laait het vuur op en duizenden vonken spatten meters ver in het rond!

Vrij!

't Is enkele maanden later, 't Is stil in het kerkje waar ds. Sonnehil elke zondagmorgen preekt. Toch is het overvol. Rustig, zijn Bijbeltje in de hand, spreekt hij de mensen toe. Hij vertelt hen van Paulus die als een wild dier Gods kinderen vervolgde. Maar wat een zwaar en onbegonnen werk was dat. Als hij ze in het ene dorp uitgeroeid had, werd er in het andere dorp — soms maar twee uren varen verder — een kerk gebouwd. Hoe kon dat toch? Wel, daar zorgde de Heere voor. Paulus dacht dat hij goed werk deed, maar dat hij tegen God vocht, dat hij de Heere Jezus vervolgde, wist hij niet. Totdat God het hem bekend maakte. Toen werd de vervolger een volgeling, toen werd de vijand een vriend. En dat kan de Heere nu alleen. Hij alleen kan een boos hart goed maken. Op de achterste bank zit een jongen van een jaar of 15. Zijn donkere ogen zijn strak op de zendeling gericht en hij luistert.... hij luistert met z'n hele hart! Maar.... dat is Zapongo! Hij is vrij. En die zes mannen zouden die o, stil de dominee gaat danken. „Heere Gij doet wonderen, Gij alleen. Niet alleen in Paulus' tijd. Nee, ook nü gebeuren er nog wonderen. Zapongo en de anderen zijn vrij. Dat hebt Gij gedaan. Daarvan komt U alleen de eer toe."

Een vader die bidt

Het is stil in het dorpje van Mkomo. Stil en donker. Da's heel gewoon, 't Is middenin de nacht, iedereen slaapt. Iedereen? Nee, Zapongo is nog wakker. Is hij ziek? Nee, dat niet. Heeft hij ergens pijn? Nee, ook niet. Zapongo kan niet slapen omdat hij zo blij is. Hij is weer vrij. Maar dat is nog niet alles. Hij heeft een Bijbel gehad in de gevangenis en die mag hij houden. Maar er is nog meer. Hij mag voortaan naar de kerk. Zapongo houdt het niet langer uit in de hut. Heel zachtjes staat hij op en gaat naar buiten. In de inktzwarte lucht pinkelen miljoenen sterren. Hij kijkt omhoog.

Daar woont God, hoger dan de wolken, hoger dan de sterren. Daar is ook de Heere Jezus aan Gods rechterhand. Stil — tegen de zijwand van de hut geleund — verwondert hij zich over de grote blijdschap die hij in zijn hart gevoelt. Plotseling hoort hij gerucht. Onwillekeurig drukt hij zich

dicht tegen de hut aan. Mkomo komt naar buiten. Nog geen twee passen van zijn zoon vandaan staat hij stil. Zapongo houdt zijn adem in. Mkomo kijkt omhoog. Nee, niet met gebalde vuist, zoals toen, maar hoor: , 0 God, U bent almachtig, zegt de zendeling, wilt U mijn boze hart goed maken? " Nog even blijft Mkomo staan, dan draait hij zich om en gaat naar binnen. Een paar .minuten later loopt Zapongo op z'n tenen ook naar binnen. Stil zoekt hij zijn slaapmatje op. Wat een wonderen! Zachtjes telt hij ze op:1. Weer vrij, 2. Een Bijbel, 3. Naar de kerk, 4. Een vader die tot God bidt.

En dan wordt het echt stil in het dorpje van Mkomo. Stil en donker. Da's geen wonder. 't Is middenin de nacht. Iedereen slaapt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juli 1985

Daniel | 32 Pagina's

Gebeuren er nog wonderen? Nou en of!

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juli 1985

Daniel | 32 Pagina's