Weggevoerd naar Duitsland gesprek met ds. J. Mijnders over zijn ervaringen in de oorlog
Dominee, u woonde bij het uitbreken van de oorlog in Dubbeldam. Daar kwamen op 10 mei 's morgens vroeg al parachutisten naar beneden om de brug bij de Moerdijk te bezetten. Wat waren uw ervaringen op 10 mei?
Ja, ik was toen 18 jaar en woonde bij mijn ouders in Dubbeldam, 's Morgens om een uur of half vijf werden wij gewekt door vliegtuiggeronk. Toen wij naar buiten gingen om te zien wat er aan de hand was, zagen wij achter in het land de duitse valschermjagers al naar beneden komen. Dicht bij ons waren militairen ingekwartierd en al gauw zaten wij midden in de gevechten. De soldaten hadden in de deuropening van het huis hun machinegeweren staan, 'k Kan mij nog goed herinneren dat die jongens volkomen verrast en ondersteboven waren. Zij lieten ons foto's van vrouw en kinderen zien en sommigen huilden als kleine kinderen, 's Avonds ging er een groep van hen op patrouille: ze zijn allen gesneuveld.
En de volgende dagen?
De volgende dagen ben ik naar mijn verloofde, die nu mijn vrouw is, gegaan, in Dordrecht. Haar vader was ongeneeslijk zien en misschien zou ik kunnen helpen, 't Was daar echter niet beter. Rond hun huis braken zware straatgevechten uit. Met ongeveer tien mensen hebben wij drie dagen en nachten in een klein keldertje doorgebracht, terwijl de kogels en granaten door de huizen vlogen. Daar heb ik drie benauwde nachten gezeten. Nee, niet uiterlijk maar van binnen. Ik voelde te moeten sterven, en niet te kunnen sterven. Toen heb ik de Heere beloofd, dat ik mijn leven zou veranderen als Hij mij sparen zou. Ik bleef gespaard maar mijn beloften bleven in de kelder liggen.
Was dat voor de eerste keer dat de Heere Zich met u bemoeide?
Nee, reeds vanaf mijn jeugd had ik diepe indrukken van dood en eeuwigheid. Ik moet echter tot mijn grote schande zeggen hier steeds overheen te hebben geleefd. De wereld trok mij meer. Ik herinner mij nog dat de ouderling op catechisatie zei — 't was toen voormobilisatie —: „Jongens als God de hele wereld in vuur en vlam zou moeten zetten om een zondaar te bekeren, dan zou Hij dat doen." Ik dacht toen: dan mogen er voor mij wel tien werelden afbranden, maar opgeven doe ik het nooit. Hier openbaart zich de doodstaat van een mens. Hij kan zichzelf niet bekeren en wil ook niet bekeerd worden.
Wij capituleerden al snel en werden toen bezet gebied. Hoe hebt u dit ervaren en was dat ook goed te merken?
't Was een ervaring die eigenlijk langzaam tot je door ging dringen. De Duitsers deelden de lakens uit. De koningin met de regering zaten in Londen.
Op straat zag je de W.A. (geüniformeerde afdeling van de N.S.B.) triomfantelijk over straat marcheren. De Duitsers gedroegen zich toen wel korrekt. Toch leefde je al direkt onder een bepaalde druk. Nu moet ik er wel bij zeggen, dat ik de bezetting alleen de eerste jaren meegemaakt heb. Er was toen ook nog genoeg eten. Je merkte natuurlijk wel dat een vreemd regiem over ons heerste, in verband met het nemen van allerlei maatregelen. Je moest ook zeer voorzichtig zijn met je woorden, want je wist, , , Der feind hórt mit" (de vijand luistert mee). Ook in ons gezin merkten we dat wij bezet waren, daar mijn twee broers in '42 verplicht te werk gesteld werden in Duitsland. De wolken werden wel steeds donkerder, en de maatregelen steeds scherper.
De maatregelen tegen de Joden, wat merkte u daarvan?
In het begin nog niet zoveel. De Joden moesten al wel gauw met een gele ster lopen en je hoorde natuurlijk van bepaalde maatregelen, zoals het ontslaan van joodse ambtenaren, en ook bordjes, „Verboden voor Joden". Maar verder wist je nog niet zoveel van de gruwelen die er gepleegd werden.
Werd in onze kringen voor de oorlog de ware aard van het nationaal-socialisme voldoende doorzien?
Nee, dat dacht ik niet. De N.S.B. was een duidelijke minderheid in ons land, en wat Duitsland betreft, wij hoopten buiten de oorlog te blijven. Ik denk dat ook het feit dat onze gemeenten voor het overgrote deel uit eenvoudige mensen bestond, een rol heeft gespeeld. We waren toen lang niet zo geëmancipeerd als nu: gestudeerd hadden er maar weinig.
Hoe stond u tegenover het verzet?
Daar kan ik niet zoveel van zeggen, omdat in de tijd dat ik nog hier was er niet veel verzet was. 'k Zou niet willen zeggen dat ik tegen geoorloofd verzet zou zijn geweest. Als echter de wortel van verzet bieden, haat zou zijn, haat tegen de Duitsers dus, dan keur ik dat af. 't Maakt ook een groot verschil of wij Gods beleid mogen aanvaarden, dat is dus niet hetzelfde als er in berusten, of dat ons verzet ten diepste opstand tegen God is. Laten we ook nooit vergeten dat ons nederlandse volk grote oorzaak gegeven had dat de hand des Heeren zwaar op ons rusten zou. Dit heb ik ook persoonlijk van harte moeten belijden. De oordelen kwamen niet ongewaarschuwd.
Wat noemt u dan geoorloofd verzet?
Ik denk hier bijvoorbeeld aan bepaalde daden met als doel om mensen van de dood te redden.
Dus bijvoorbeeld Joden onderdak verlenen of een overval op een distributiekantoor om aan de nodige bonkaarten te komen.
Ja, zoiets. Geen wraaknemingen dus. Na al wat ik meegemaakt heb, mag ik zeggen nooit geen persoonlijke haat te hebben gehad tegen de Duitsers.
U zei zoeven dat u in februari '43 opgeroepen werd om in Duitsland te gaan werken. Werd u opgepakt, of hebt u er nooit aan gedacht om onder te duiken?
Aan dat laatste heb ik inderdaad nooit gedacht, toen niet en later in Duitsland niet, hoewel ik er wel de mogelijkheid toe gehad heb. Dat wil niet zeggen dat ik onderduiken afkeur, ik had er echter zelf geen vrijmoedigheid toe. Ik moet misschien zeggen, de Heere gaf mij er geen vrijmoedigheid toe. Dit had echter een bijzondere oorzaak. Vóór mijn wegvoering behaagde het de Heere mij op mijn zondeweg stil te zetten. Ik moest niet kapituleren, maar mocht kapituleren.
Onder het lezen van Gods Woord, namelijk Psalm 91, mijn vader las deze Psalm aan tafel, „Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen". De Heere liet mij in de dadelijkheid zien dat ik buiten die Schuilplaats stond, en dat betekent sterven, en God ontmoeten. Ik kwam aan de weet wat het zeggen wil onbekeerd te zijn. Ik werd in eigen waarneming de grootste verzetstrijder die de wereld ooit gekend heeft. Het is er-hier de plaats en de tijd niet voor, maar graag zou ik aangaande dat Godswonder, verheerlijkt in het leven van de grootste der zondaren, vooral onze jeugd, wat meer willen zeggen.
De avond voor dat ik weg moest, preekte ds. Lamain in Dordrecht. Hij had als tekst Hebr. 13 : 5b: Want Hij heeft gezegd: k zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten". Ik mocht toen vast geloven dat de Heere met mij op zou trekken en mij op Zijn tijd ook weer terug zou brengen. Ik deelde dit ook mee aan mijn ouders en mijn verloofde.
Dat is u zeker wel tot steun geweest tijdens uw verblijf in Duitsland?
Ja, maar heel anders dan dat ik verwacht had. Ik had de rekening al spoedig opgemaakt. Ik moest echter, en moet nog gedurig leren, dat Gods wegen hoger zijn dan onze wegen, 'k Heb in de tijd die daarop volgde wel mogen ervaren dat de Heere een Waarmaker is van Zijn Woord, maar dan door een weg van verlies aan onze kant. De vervulling van Gods beloften lopen altijd door de diepten,
't Begon al heel gauw. Op vrijdag 12 februari '43 moest ik weg en de eerste zondag zat ik al achter het prikkeldraad, net over de grens. Van binnen zeiden ze toen: waar blijf je nou met je God. Ik wilde een preek uit mijn koffer pakken en kwam tot de ontstellende ontdekking dat er een pot stroop leeggelopen was die ik meegekregen had, waardoor de meeste preken en
enkele boekjes onbruikbaar geworden waren. En daar maakte de duivel zich weer op met de vraag: „Geloof je nu werkelijk dat de Heere met je meegaat? " Ik moest al spoedig ervaren dat de vorst der duisternis de reis ook meemaakte. Uiteindelijk kwam ik in Berlijn terecht, waar ik tewerkgesteld werd bij A.E.G. Mijn broers hadden mij gezegd datje ook op zondag moest werken.
Ik had mij voorgenomen dit zeker niet te doen. Al heel gauw kreeg ik de boodschap op zondag te moeten werken. Ik weigerde dit en vroeg een onderhoud aan met de personeelschef. Ik zei hem dag en nacht te willen werken, maar niet op zondag, daar ik Gode meer moest gehoorzamen dan de mensen. Dit had hij echter nooit gehoord, zeker in oorlogstijd niet. Toen hij zei dat hij met die God niets te maken had, zei ik dat diezelfde God hem en heel Duitsland hiervoor zeker zou straffen. Na dit gezegde drukte hij op een bel, waarna ik door twee leden van de fabriekspolitie bont en blauw werd geslagen. Twee weken later werd ik door twee leden van de Gestapo opgehaald en naar de gevangenis in Berlijn gebracht.
Met 34 man „zaten" we daar in een cel van drie bij drie meter. Slapen deed je over elkaar heen. Hierna werd ik veroordeeld tot strafkamp. Niemand wist waarheen en voor hoe lang. Vanaf dat ogenblik was ook alle kontakt met Holland verbroken. Als ooit de duivel op de been geweest is, is het toen geweest. De vraag kwam nogal eens naar boven, geloof je nog werkelijk dat de Heere je niet begeven en niet verlaten zal?
Dat deed Hij toch ook niet?
Ja, dat is zeker waar, Gods beloften falen nooit, echter op Zijn tijd en wijze. Een van de vele voorvallen in dat kamp wil ik meedelen. Aangaande het verblijf daarin, daar hebben we genoeg over kunnen lezen. Het leven van een mens telde nog minder dan van een dier. Op een zondag (alle dagen waren daar gelijk) had ik een deel van mijn dagrantsoen, een kleine boterham, in de punt van een oude laars gestopt. Ik dacht dan 's avonds nog wat te hebben. Toen ik het er 's avonds uit wilde halen, was het verdwenen. De kameroverste, ook een gevangene, die waarschijnlijk de dader was, beschuldigde mij op dat ogenblik van diefstal en schreeuwde mij toe dat ik dertig stokslagen zou krijgen. Die kreeg je dan tijdens het appèl van de kampbeul, dat ook vaak het einde betekende. Achter een kast heb ik toen geroepen tot de hemel: „Heere, U hebt toch beloofd mij niet te zullen begeven, wanneer dit echter doorgaat, zullen Uw beloften falen, wat zult Gij dan met Uw grote Naam doen? " Dan bemerk je dat het pleiten op Gods beloften geen vanzelfsheid is. Een zalige plaats om door genade houvast te mogen krijgen aan God.
Daar is het kamp geen kamp meer. Toen kwam het appèl. Ik werd vooraan gezet, waarna de beul voor mij ging staan. Ik kan dat ogenblik het best verklaren door te vertolken hetgeen de dichter zegt in ps. 77.
Onze jonge mensen moeten dat maar eens nalezen. Ik mocht daar iets ervaren van de inhoud van zondag 10: „Wat verstaat gij door de voorzienigheid Gods? " Dat niet één beul één slag kan geven als de Heere dat niet wil. Hij keek mij aan, draaide zich om en liep door. Na het appèl heb ik achter diezelfde kast mijn verwondering uitgeschreeuwd vanwege de trouw des Heeren ten opzichte van zulk een ellendige zondaar.
Hebt u ook wel eens steun van mensen gehad?
Niet zoveel, 'k Heb meest als een eenling gestaan, zeker tijdens mijn gevangenschap. Ik denk hier wel aan een broer van ds.
Verloop, wiens naam mij altijd in herinnering zal blijven. Ook denk ik aan een oude Fransman, die de Heere op mijn weg bracht. Ik zat te bidden voor mijn eten, en toen pakte hij mij bij de schouder. Hij
dacht dat ik zat te slapen. Ik zei toen dat ik altijd bad voor mijn eten. Hij begreep er wel niet zoveel van, maar zei toen: „Jij bent mijn vriend, jij doet precies zoals je thuis doet". Hij was een echt natuurmens. Soms ving hij een konijn en deelde alles met mij. Tot aan het eind van de oorlog dook hij steeds weer op en bracht mij dan eten. De wijze waarop, zou hier te ver voeren, maar dat de rammen van Nebajoth bij tijden de Kerk dienen zullen maakt de Heere waar.
Uw leven heeft meerdere keren gevaar gelopen, ongetwijfeld ook aan het eind van de oorlog toen de strijd ook in Duitsland woedde. Heeft uw leven wel eens „aan een zijden draad gehangen"?
Ja, meer dan een keer. Ik denk hier aan de vreselijke bombardementen in Berlijn, het in de direkte omgeving verkeren toen Dresden in één nacht totaal verwoest werd en met recht een „dodenstad" werd genoemd. Ik denk ook in het bijzonder aan de laatste maanden, toen ik weggevoerd werd naar Tsjechoslowakije. Ik heb toen twee maanden tussen de Amerikanen en de Russen in gezeten. Dagen van veel vrees en benauwdheid, maar ook dagen waarin de Heere betoonde een Waarmaker van Zijn Woord te zijn.
Nog een zaak wil ik noemen en dan wil ik dit vraaggesprek beëindigen, want hoe zou ik de trouw des Heeren onder woorden brengen, maar ook de ontrouw van de zondaar. Nadat ik uit het kamp gekomen ben, geheel verzwakt en uitgehongerd, heb ik nadat ik weer wat eten kreeg een inwendige bloeding gekregen. Mijn laatste krachten voelde ik wegvloeien. Ik hoorde de dokter zeggen: „Die haalt het niet meer". Voor ze mij naar het ziekenhuis brachten, heeft op mijn verzoek een vriend nog een stukje uit de Bijbel gelezen. Ik was echter te zwak om er naar te luisteren. Dit heb ik toen nog wel gezegd, dat de Heere geen onrecht zou doen wanneer Hij daar mijn leven af zou snijden. Daar had ik het naar gemaakt. Maar welk een wonder. De Heere deed geen half werk. Ik herstelde na vier weken onder vele gevaren van bombardementen in het ziekenhuis te hebben verkeerd. Bijna elk avond werd ik met bed en al de schuilkelder in gebracht.
Hoe verging het u bij de bevrijding?
Ik zat nog steeds tussen de Amerikanen en de Russen in toen de boodschap op een morgen kwam dat Duitsland had gekapituleerd. 't Kan half mei geweest zijn, dat weet ik niet meer. Ik ben toen met nog drie Hollanders gaan lopen naar Zwickau in Saksen. Daar heb ik een week gebivakkeerd in een school. Hierna hebben ze ons naar Eisenach gebracht, waar ik praktisch zonder eten nog twee weken achter het prikkeldraad heb gezeten. Vandaar zijn wij op transport gesteld naar Holland. Tijdens deze reis kregen wij amerikaanse voedselpakketten.
Op 6 juni stond ik geheel onverwacht voor de deur van mijn verloofde. Wat dit was laat zich niet op papier zetten na haast tweeëneenhalf jaar elkaar niet gezien te hebben. Ik hoorde toen dat de vader van mijn vrouw enkele maanden daarvoor was overleden. Een zeer droeve mededeling. Wij zijn toen direkt doorgegaan naar mijn ouders, die met mijn broers en zusters allen nog gezond waren.
Een ding had ik aan het eind van deze reis nog over, namelijk mijn bijbeltje dat ik van mijn verloofde gekregen had bij mijn vertrek. Hierin had ik twee teksten geschreven, die de Heere waar gemaakt heeft, zij het door een weg van onmogelijkheid en verlies aan mijn kant, namelijk Klaagl. 3: „Het is goed voor een man dat hij het juk in zijn jeugd draagt" en „Want Hij plaagt of bedroeft des mensenkinderen niet van harte".
Na het gesprek met ds. Mijnders praatten we nog wat na over de viering van de bevrijding straks, 't Bedroeft hem zoals deze viering op tal van plaatsen zal worden gehouden. Zelf hoopt hij in de prediking Gods daden te mogen gedenken. Naar de lezers van ons blad, naar onze jongeren wil hij nog wel kwijt: „Laat je bijbeltje de gids voor je leven zijn met de bede in je hart: „Maak in Uw Woord mijn gang en treden vast". De Heere is nog Dezelfde. Hij kon mij bevrijden, Hij kan dat ook jullie. Deze dagen van herdenking mochten ons alle leiden tot de heilige wetenschap van onze geestelijke gebondenheid aan de vorst der duisternis, maar door genade ook leiden tot die geestelijke vrijheid in Christus".
Daar sluiten we ons graag bij aan, onder dankzegging aan de drie predikanten die over hun oorlogs-en bevrijdingservaringen het een en ander wilden vertellen. Laten we inderdaad stijlvol en dankbaar de bevrijding herdenken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 april 1985
Daniel | 36 Pagina's