Zijn onze belijdenisgeschriften aan herziening toe?
Wij kennen in onze kerken een zestal belijdenisgeschriften. In chronologische volgorde zijn het:
* de Apostolische Geloofsbelijdenis * de Belijdenis van Nicea (325. de Godheid van Christus) * de Belijdenis van Athanasius (± 500, de Drieëenheid) * de Nederlandse Geloofsbelijdenis (1561, rekenschap van de hoop die in ons is) * de Heidelberger Catechismus (1563, onderricht in de leer) * de Dordtse Leerregels (1618-1619, tegen de remonstranten).
De eerste drie zijn een erfgoed van de vroege kerk, de laatste drie zijn een erfgoed van de nederlandse Reformatie. Alle zijn ontstaan als antwoord op afwijkingen in de leer en daarom vertonen zij meestal twee aspekten. Aan de ene kant geven zij aan: dit geloven wij, dit belijden wij. Aan de andere kant: dit wijzen wij af.
Scheiding
Een belijdenis maakt dus scheiding. Dat is een bijbels gegeven, zie bijvoorbeeld 1 Joh. 4 : 1-3. Daar roept de apostel de gemeente op de geesten te beproeven. Dit is hard nodig, want er zijn valse profeten. Hoe kan men die onderkennen? Wel, heel eenvoudig, aan hun belijdenis! Elke geest, die niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit de anti-christ. De belijdenis van Athanasius eindigt ook zo: Dit is het algemeen geloof, hetwelk indien iemand het niet getrouw en vast gelooft, die zal niet kunnen zalig worden."
De Dordtse Leerregels geven in ieder hoofdstuk na de verklaring van de rechte leer een afwijzing van de dwalingen.
Samenbinding
Een belijdenis scheidt dus de geesten. Tegelijk werkt hij ook samenbindend. De nederlandse kerken hebben op de Synode van Embden (1571) juist door het ondertekenen van de Nederlandse Geloofsbelijdenis hun onderlinge eendracht in de leer willen tonen en door het ondertekenen van de Franse Geloofsbelijdenis hun nauwe verbinding met de franse kerken. Vandaar dat onze drie gereformeerde belijdenisgeschriften de verzamelnaam dragen van de Drie Formulieren van Enigheid. Hierboven noemde ik ze een erfgoed van de nederlandse Reformatie, maar daarbij mogen wij niet hun internationale karakter vergeten.
De Nederlandse Geloofsbelijdenis is immers nauw verwant aan de franse van 1559 en de schotse van 1560. Alle drie dragen het stempel van Calvijn. De naam van Heidelbergse Catechismus spreekt voor zichzelf, hij komt uit het toenmalige calvinistische bolwerk Heidelberg. De Dordtse Leerregels zijn uiteraard een in Nederland ontworpen geschrift. Ze hebben een opvallende inzet. Het gaat over de predestinatie. Men begint er echter niet mee, maar men werkt erop aan. Dat hebben wij te danken aan de bekende ds. Bogerman, de voorzitter van de Nationale Synode. Hij is daarbij op zijn beurt beïnvloedt door de ter synode aanwezige theologen uit de Pfalz. Ook de andere buitenlandse theologen hebben bij het een en ander hun inbreng gehad.
Belijden en belijdenis
Als het gaat over belijdenisgeschriften, gaat het over belijden en belijdenis, woorden van hoge komaf, voluit bijbels. Belijden of belijdenis is geen formele, koud-zakelijke verklaring van geloofswaarheden, maar een zaak van hoofd én hart. Rom. 10:8-11 maakt dat duidelijk. Die met de mond de Heere Jezus belijdt en met het hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zal zalig worden. Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met de mond belijdt men ter zaligheid. Het komt aan op de belijdenis van het geloof in Christus. De martelaren hebben dit met hun leven betuigd. Desgevraagd konden zij niet anders. Hoe staat het in dit opzicht met jou en met mij?
Zijn de belijdenisgeschriften aan herziening toe?
Herziening is een zeer geladen woord. Het wordt anders als wij bedenken dat een van de kernwoorden van de Reformatie was „Sola Scriptura", alleen de Schrift heeft gezag. De belijdenissen, hoe voortreffelijk ook, zijn mensenwerk. Zo wordt in de voorrede van de Schotse Belijdenis uitdrukkelijk verklaard, dat als iemand daarin een artikel of een zin vindt, in tegenspraak met het Woord van God, hij dat naar voren moet brengen. Als zijn beroep op de Bijbel terecht blijkt te zijn, wordt hem van tevoren al beloofd, dat men de belijdenis zal wijzigen. De vertegenwoordigers van de regering verzochten de Synode van Dordrecht de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus door te lezen en te zien of er iets was dat niet met de Bijbel of met de buitenlandse gereformeerde belijdenissen scheen overeen te komen.
Alle afgevaardigden, zowel de buitenlandse als de nederlandse, konden met de voorhanden zijnde tekst akkoord gaan. De nederlandse afgevaardigden gingen na de eigenlijke synode nog even door.
Artikel 22 van de Geloofsbelijdenis gaf aanleiding tot uitvoerige gedachtenwisseling. Daar vond een kleine toevoeging plaats. Het „voor ons" aan het slot, werd aangevuld met „en in onze plaats". Maar dat gebeurde pas, nadat men unaniem verklaard had, dat men geheel bij de tekst van de belijdenis wilde blijven, en dat het „geenszins geraden is eenige verandering in de woorden van gemelde Belijdenis te doen, waartoe door velen gewichtige redenen zijn bijeengebracht".
Niet gewenst en niet mogelijk
Dit laatste advies kunnen wij ons ter harte nemen. Een echte herziening is niet gewenst en ook niet mogelijk. Niet gewenst, omdat het maar tot verdeeldheid zou leiden. Niet mogelijk, omdat wij niet meer over de brede basis beschikken, waarop onze belijdenissen tot stand kwamen. Wij hebben zoeven gezien de band, die men toen met de buitenlandse gereformeerde kerken voelde en de invloed van die kerken inzake de belijdenisgeschriften.
In ons eigen land zijn de kerken van gereformeerde signatuur te klein of te smal, om zo iets groots tot stand te brengen. Te klein, omdat wij door voortgaande afscheiding in een aantal kerken uiteen gevallen zijn. Te smal, omdat ons de geestelijke breedte en diepte ontbreekt, die onze oude gereformeerde kerken typeerde, niet alleen tijdens de vervolging, maar ook tijdens de Dordtse Synode. Ook zij hadden hun tegenstellingen, maar men hield elkaar vast.
Herschrijving?
Met herschrijving ligt het mijns inziens anders, althans als bedoeld wordt wijziging van de taal. In een uitgave van rond 1925 van Nieuwe Testament, de Psalmen van Datheen, de Heid. Cat, enz. wordt vr. 1 van de Catechismus nog als volgt beantwoordt: „Dat ick met lijf ende ziele beyde in 't leven ende sterven, niet mijn, maer mijns getrouwen Saligmakers Jesu Christi eygen ben, die met sijnen dierbaren bloede voor alle mijne sonden volkomenlick betaelt ende mij uyt alle gewelt des duyvels verlost heeft; ....". Hier zal niemand bezwaar maken tegen aanpassing van de spelling en wijziging van woorden als „lijf' in „lichaam". De synode van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt aanvaardde in 1981 een gemoderniseerde tekst van drie belijdenisgeschriften waaronder de Catechismus, in 1984 van de overige drie, en gaf ze vrij voor kerkelijk gebruik.
Het antwoord op vraag 1 van de Heidelbergse Catechismus luidt daar als volgt: „Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven, het eigendom ben, niet van mijzelf maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus. Want Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen
betaald en mij uit alle heerschappij van de duivel verlost....". Wij zien wel dat deze nieuwe tekst niet meer is dan een modernisering wat woordkeus en konstruktie betreft. Het is geen eenvoudige taak geweest om daarbij de inhoud volledig te handhaven. Mijns inziens is men daarin geslaagd.
Toch vallen vertrouwde woorden en zinswendingen weg en juist ten aanzien van een belijdenisgeschrift ligt dit zo gevoelig.
Zo'n herschrijving of een poging daartoe zou daarom binnen onze gemeenten alleen maar verwijdering bewerken. Het grootste probleem is bovendien niet de zinsbouw, maar de begrippen waar het om gaat. Mag ik het zo zeggen? Veelal ontbreekt ons de geestelijke kennis en belangstelling. Het geloof is uit het gehoor en het gehoor uit het Woord van God en daar geven onze drie gereformeerde belijdenissen een kernachtige en geestelijke uitleg van. Laten wij deze biddend bestuderen, zodat ook wij ze van harte mogen beamen.
Een nieuwe belijdenis nodig?
Je hoort nogal eens: onze oude belijdenissen zijn goed en nuttig, maar zij geven geen antwoord op de vragen waar wij nu voor staan. Neem bijvoorbeeld de positie van Israël, de kwestie van vrede en veiligheid enzovoorts.
Het is waar. dat daar in de belijdenisgeschriften niet direkt over gesproken wordt. Maar ten aanzien van een nieuw belijdenisgeschrift gelden mijns inziens dezelfde bezwaren als die ten aanzien van een herziening ervan. Een praktijkvoorbeeld kan iets ervan illustreren. In 1949 aanvaardde de hervormde synode „Fundamenten en Perspektieven van Belijden". Men was namelijk van oordeel dat een nieuw belijden nodig was „tegen de afgoden en verzoekingen dezer eeuw". Het werd aan de kerken als proeve aangeboden. maar het is nimmer aanvaard. Vooral de vrijzinnigen en de Gereformeerde Bond hadden bezwaren, zij het niet van gelijke aard. Wel heeft de hervormde synode rapporten en uitspraken de gemeente ingezonden, bijvoorbeeld inzake de kinderdoop, de Bijbel, de uitverkiezing. Dit is tot vandaag de dag doorgegaan. Kijk, dat laatste kan wel en dat kennen wij ook binnen onze gemeenten. Verschillende van onze synodes hebben zich in het verleden tot de gemeenten gericht en dat kan opnieuw gebeuren, als bepaalde klemmende zaken om een antwoord en getuigenis vragen. Maar ook hier zal gelden: in de beperking toont zich de meester.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 maart 1985
Daniel | 32 Pagina's