Eens was ik een vreemd’ling
Eens was ik een vreemd'ling voor God en mijn hart. Ik kende geen schuld en gevoelde geen smart. Ik vroeg niet: mijn ziele doorziet gij uw lot? Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God.
Al sprak daar een stem uit de Heilige Blaan, van 't Lam, met de zonden der wereld belaan. Ik zocht bij de kruispaal geen veilige wijk. 'k Stond blind en van verr' in mij zelve zo rijk.
Maar toen mij Gods Geest aan mijzelf had ontdekt. Toen werd in mijn ziele de vreze gewekt. Toen voeld' ik wat eisen Gods Heiligheid deed; daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed.
Nu ken ik die waarheid zo diep als gewis. Dat Christus alleen mijn gerechtigheid is. Nu tart ik de dood; nu verwin ik het graf. Nu neemt mij geen satan de zegekroon af.
Ik deed als Jeruzalems dochters weleer. Ik weend' om de pijn van mijn lijdende Heer'. En dacht er niet aan dat ik zelf door mijn schuld, Zijn kroon had gevlochten, Zijn beker gevuld.
Toen vluchtt' ik tot Jezus, Hij heeft mij gered. Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet. Mijn heil en mijn vreed' en mijn leven werd Hij. Ik boog m' en geloofd' en mijn God sprak mij vrij.
Nu reis ik getroost onder 't heiligend kruis. Naar 't erfgoed daarboven, in 't vaderlijk huis. Mijn Jezus geleidt mij door d' aardse woestijn. , , Gestorven voor mij", zal mijn zwanenzang zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 maart 1985
Daniel | 32 Pagina's