IS de S. G. P. a-democratisch?
Er is in onze tijd sprake van een grote invloed van de massamedia (kranten, radio en t.v.). Dat geldt ook voor het politieke leven. Politici zijn zich er heel goed van bewust dat zij in woorden en daden op de voet worden gevolgd. De kiezer heeft een mening en er is hen veel aan gelegen die te weten en daarop invloed uit te oefenen. Telkens komen bureaus voor opinipeilingen dan ook met gegevens: winst voor die, verlies voor deze partij. En dat betekent onrust voor de politici.
De strijd om de macht
Was het vroeger zo, dat men in betrekkelijke rust, uitgaande van beginselen, probeerde de politiek gestalte te geven, nu leeft men veelal bij de waan van de dag, opgezweept door allerlei ontwikkelingen. De politieke leider van de Partij van de Arbeid, de heer Den Uyl, heeft naar aanleiding van deze ontwikkelingen een schot afgevuurd in de richting van de drie rechtse protestants-christelijke partijen: het G.P.V., de R.P.F. en de S.G.P. Ze vertonen volgens zijn zeggen a-demokratisch gedrag.
Het is de heer Den Uyl natuurlijk niet ontgaan dat opinie-onderzoeken leren dat de Partij van de Arbeid flink op winst staat en dat de regeringspartijen, de één meer, de ander minder, op verlies moeten rekenen.
De uitslag van enquête-cijfers duidt erop dat de huidige koalitie, als er geen grote veranderingen meer intreden, haar meerderheid kwijtraakt. En dat betekent dat het moeilijk zal worden een nieuw kabinet C.D.A.-V.V.D. te vormen. En dan is het niet onwaarschijnlijk, zo redeneert men in politiek Nederland, dat de frakties van het C.D.A. en de V.V.D. steun zullen gaan zoeken bij de kleine konfessionele partijen.
Samen zou men dan op een meerderheid kunnen rekenen.
Tegen die achtergrond is de uitspraak van de heer Den Uyl, in Zwolle gedaan tijdens een herdenking van de oprichting van de S.D.A.P., begrijpelijk. Een schot voor de boeg, zogezegd. Een zet van een politiek leider op het politieke schaakbord, vooruitlopend op de ontwikkelingen voor de verkiezingen in het jaar 1986.
De bedoeling is duidelijk.
De heer Den Uyl wilde een schrikbeeld oproepen voor deze ontwikkelingen, waarvan het de vraag is of ze ooit gestalte zullen krijgen. Maar dat is in de politieke strategie niet zo belangrijk. Het schrikbeeld wordt opgeroepen in de hoop dat de kiezersaanhang eieren voor haar geld zal kiezen. Met name die kiezers die hun stem zullen uitbrengen op de V.V.D. of op het C.D.A.
Tijdens de algemene beschouwingen over de begroting 1985 is er een diskussie ontstaan tussen de heer Den Uvl en het G.P.V., de R.P.F. en de S.G.P. Ook van de zijde van het C.D.A. is een standpunt naar voren gebracht.
Blijkens de berichten had de heer Den Uyl het daarbij zelfs over het a-demokratisch karakter van de drie kleine christelijke partijen. Met name de S.G.P. moest het daarbij nog wat meer ontgelden dan de andere partijen.
Bij deze diskussie bleef de heer Den Uyl volhouden dat, wanneer men zich beriep op de Bijbel om te komen tot bepaalde standpunten, men zich „onttrok aan de normale diskussie", en vervolgens noemde hij de Bijbel „een vage en niet te verifiëren bron”.
Het gezag
In de loop der eeuwen is steeds weer de vraag gesteld: waar halen wij het recht vandaan om over andere mensen te heersen. Anders gezegd: Waar ontleent de overheid zijn gezag aan.
Die vraag werd klemmender naarmate de
ontwikkelingen zich voltrokken en er samenlevingsverbanden ontstonden, bijvoorbeeld de steden, waar vrede, orde en rust moest heersen.
Vanuit de Bijbel weten wij dat het gezag van God afkomt, in het gezin en in groter verband: in de staat.
De Bijbel laat ons ook zien dat altijd weer en overal mensen niet willen erkennen dat God de hoogste Gezagsdrager is en dat alle gezag van Hem afkomt.
De volkswil
Eén van de eerste denkers, die er niet van uitgaat dat het gezag van God afkomstig is, is Marcilius van Padua. Hij leefde rond het jaar 1300. Deze kwam tot de konklusie dat het gezag niet uitgaat van een bovennatuurlijke kracht, ook niet goddelijk is, maar dat het gezag uit gaat van het volk. Het gezag komt dus niet van boven volgens zijn idee, maar van beneden. Het vindt zijn bron niet in de door openbaring verlichte rede, maar in de wil van de samenleving.
Deze denker heeft een antwoord willen geven op allerlei problemen die er kwamen in verband met de vraag: Van wie komt het gezag, wie oefent dat gezag rechtmatig uit. Maar met het antwoord dat hij gaf, waren de problemen niet opgelost, maar kwam er een nieuwe probleemstelling, die het denken en doen in toenemende mate is gaan beheersen.
Rousseau
Deze gedachtengang bereikte eigenlijk zijn hoogtepunt (of vanuit bijbelse visie gezien: het dieptepunt) in de opvattingen van Rousseau.
Hij heeft geleerd dat de mensen niet alleen aan geen gezag onderworpen zijn, maar dat de vrijheid die de mens heeft, zelfs een onoverdraagbaar recht is. Hij heeft er geen vrije beschikking over. Mensen kunnen zich in feite aan geen gezag onderwerpen, ook niet door middel van een verdrag, zoals men dat tot dan toe had aangenomen. Samenvattend stelde hij dus: de macht van het volk kan niet worden overgedragen. Zij is absoluut, onbeperkt, en alle mensen zijn volstrekt gelijk. Dit betekent dus dat de mensen hun macht niet aan een subjekt buiten hen, hetzij een koning of, modern gezegd, een parlement, kunnen overdragen.
Deze opvattingen krijgen praktisch gestalte tijdens de franse revolutie. Vanaf die tijd worstelen politieke partijen die zich op deze uiterste vorm van volkswil beroepen, met de vraag: hoe verenigen wij deze volkswil met een stelsel van politiek verantwoordelijke mensen. Die politiek verantwoordelijke mensen zijn immers altijd en overal de vertolkers van de volkswil. En omdat dit praktisch zoveel problemen gaf, zijn er allerlei stelsels ontstaan, die nooit tot volle tevredenheid zullen kunnen funktioneren.
Niet alleen de S.G.P. is een beginsel-partij. De P.v.d.A. is het ook. In de bovenomschreven leerstellingen ligt de grondslag voor de ideologie van de P.v.d.A.
En de P.v.d.A. blijkt zich bij dit gelijkheidsbeginsel heel wat beter thuis te voelen dan bij de beginselen die de Bijbel ons voorhoudt.
Calvijn
De Reformatie heeft de bijbelse boodschap weer voluit willen laten funktioneren, ook voor het staatkundige leven.
Het , , Er staat geschreven, en er is geschied", zoals Groen van Prinsterer dat later neerschreef, is door de mensen van de Reformatie ook voor de praktijk toegelicht. Met name Calvijn heeft in tal van zijn werken — zonder overigens te kiezen voor een bepaalde regeringsvorm — ook weer helder laten zien dat de Heere God in Zijn algemene genade ons overheden schenkt.
Maar dat , , Er is geschied" heeft hij ook nadrukkelijk aan de orde gesteld, daarbij wijzend op de invloed die ook het volk van Israël in het Oude Testament door middel van de oudsten uitoefende bij de regering van een stad of van het land.
Artikel 36 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis laat ons zien van welke grote invloed het werk van de reformatoren is geweest.
Het is merkwaardig dat men zich ter verdediging van de leer van de uiterste volkswil nog al eens op Calvijn beroept.
Allerlei schrijvers komen tot de konklusie dat er een grote geestesverwantschap zou zijn tussen Calvijn en Rousseau en dat hun opvattingen in eikaars verlengde liggen.
Zelfs in bepaalde protestantse kringen kan men die redenering nog wel eens beluisteren.
Maar het zal inmiddels duidelijk zijn uit het voorgaande, dat hiervan geen sprake is.
Het is immers de Reformatie, en met name Calvijn, die heeft teruggegrepen, niet naar de mensen, maar naar de oorsprong van het gezag, die niet in de mens ligt. maar bij de Heere God.
En daar waar het calvinisme tot bloei kwam, zijn er principiële grenzen getrokken tussen het ambt van de overheid en de rechten en vrijheden van het volk.
Dit bijbelse denken heeft niets van doen met het uitgangspunt dat de eigenlijke soevereiniteit berust bij het volk, zodat de overheid eigenlijk niets anders kan en mag zijn dan de gehoorzame uitvoerster van de wil van dat volk.
Op dat reformatorisch uitgangspunt wil de S.G.P. zich ten volle baseren.
Het zal duidelijk zijn dat aan de invloed van het volk in het reformatorisch denken en in het verlengde daarvan door de S.G.P.
een belangrijke plaats wordt toegekend. Dat is één van de redenen waarom de S.G.P. vanaf haar oprichting heeft deelgenomen aan het demokratisch bestel.
De staatsinrichting in ons land
Ons land is een parlementaire demokratie. Dat betekent dat wij onder meer een gekozen volksvertegenwoordiging hebben.
Die volksvertegenwoordiging is dus een afspiegeling van de geestelijke en maatschappelijke stromingen die ons land kent. Wij hebben een grondwet en daaruit voortvloeiend een aantal andere wetten.
De grondwet en de andere wetten komen tot stand doordat de volksvertegenwoordiging, de leden van de Eerste en de Tweede Kamer in meerderheid daartoe besluiten nemen. aan de rechten van de burger en geeft regels voor de verhouding en de verantwoordelijkheden van de regering en het parlement.
De S.G.P. heeft, zoals gezegd, vanaf haar oprichting binnen die vastgestelde regels willen en kunnen funktioneren.
Dat wil natuurlijk niet zeggen dat de S.G.P. het met alle wetten en voorstellen eens was. Maar dat geldt eveneens van de P.v.d. A. En als de S.G.P. zich dan volgens de heer Den Uyl niet op de Bijbel zou mogen beroepen, om te komen tot bepaalde standpunten (dat zou a-demokratisch zijn) dan geldt dat evenzeer van de ideologie van de P.v.d.A., die ten diepste ook niet ter diskussie wordt gesteld.
Wanneer de S.G.P. vond dat een wet niet in overeenstemming was met Gods Woord of met het algemeen belang, hebben daar vertegenwoordigers langs wettige (demokratische) weg geprobeerd een wijziging van die wet tot stand te laten komen of de wet niet in werking te laten treden. Ook daarom is het onjuist te stellen dat de S.G.P. a-demokratisch zou zijn. Sterker nog, als men deze maatstaf aanlegt bij het doen en laten van een aantal leden van de P.v.d.A., is het nog zeer de vraag of juist de leden van die partij niet van a-demokratisch handelen kunnen worden beticht.
Om maar een voorbeeld te noemen: het is in het verleden zelfs voorgekomen dat een volksvertegenwoordiger, behorend tot deze partij, in strijd met de wettelijke regels deelnam aan het kraken van een zwembad op zondag.
Maar er wordt niet alleen in Den Haag geregeerd en politiek bedreven. Ook in de provincie-hoofdsteden en de gemeenten wordt er bestuurd, en vanzelfsprekend heeft dat ook alles te maken met de politiek.
Het beeld dat wij daar te zien krijgen, pleit ook al niet in het voordeel van de P.v.d.A. In enkele gemeenten waar de P.v.d.A. een flink aantal raadszetels bezet, is gekozen voor een links programkollege.
De rechtse minderheid (soms ook de konfessionele) wordt dan volledig buiten spel gezet.
Dit staat op gespannen voet met de gemeentewet.
Immers, de gemeenteraad is volgens de wet het hoogste bestuursorgaan in de gemeente. Het kollege van burgemeester en wethouders behoort een afspiegeling te zijn van de samenstelling van de gemeenteraad.
Het formeren van zo'n zogenaamd programkollege met uitsluiting van (grote) minderheden uit de raad, is dan ook in strijd met de geest van de wet en naar mijn zienswijze a-demokratisch.
De praktijk leert ons dus dat daar waar linkse partijen de macht in handen kunnen krijgen, zij de neiging vertonen de demokratische uitgangspunten die zij belijden, te vergeten. De beschuldiging van de P.v.d.A. is dus ongegrond.
Het is echter goed om die aantijging te gebruiken om ons te verdiepen in hetgeen de reformatoren hebben geschreven over het gezag en de taak van de overheid en de rechten en vrijheden van het volk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 1985
Daniel | 32 Pagina's