Landbouwontwikkelingshulp: bij de boen Luis gaan Zitten
Op een koude dinsdagmiddag, de thermometer wijst - 7° C, worden wij heel warm door mevrouw Moens ontvangen. De professor komt even later ook aanrijden. Nog maar nauwelijks is hij binnen of de telefoon gaat. Zo te horen een internationaal gesprek! Prof. Adriaan Moens is op 29 maart 1922 te Koudekerke in Zeeland geboren. Na de lagere school volgde hij de Mulo en de HBS. In 1940ging hij naar de Landbouw Hogeschool in Wageningen. Vanwege de Tweede Wereldoorlog moest de studie in 1943 onderbroken worden. Na de oorlog werd de draad weer opgepakt en in 1949 studeerde de heer Moens af. Terwijl de studie in 1948 nog in volle gang was, werd hij reeds benoemd tot hoofd van de afdeling arbeid bij het Instituut voor de Landbouwtechniek en Rationalisatie. Dit Instituut werd in dat jaar opgericht om de mechanisatie van de landbouw in Nederland te ontwikkelen. In 1961 werd de heer Moens hoogleraar aan de Landbouw Hogeschool in Wageningen. De eerste kennismaking met de tropen was in 1967 toen hij op verzoek van de regering naar Suriname ging. In 1974 kwam er onder zijn leiding een nieuwe
Professor, het is bekend dat u intensief betrokken bent bij de landbouw in de ontwikkelingslanden.
Kunt u ons vertellen waardoor uw belangstelling voor de Jerde Wereldlanden is ontstaan?
Ja, graag! In 19(1 kreeg ik van de regering het verzoek om een bezoek aan Suriname te brengen. Er waren in Suriname problemen .met de mechanisatie van de rijstteelt. In die drie weken werd mijn belangstelling voor de tropen gewekt. In 1970 ben ik voor de Wereldvoedsel-en Landbouworganisatie begonnen met een projekt op het gebied van de ontwikkeling van de mechanisatie in de rijstteelt in de verschillende rijstgebieden van de wereld.
Rijst is voor meer dan de helft van de wereldbevolking hoofdvoedsel. Dat is nogal wat! De wereld heeft een snel groeiende bevolking. Met name in Azië en Zuid-Amerika was er een groeiend tekort aan rijst. Een van de oorzaken was een gebrek aan technische middelen voor irrigatie en voor de rijstteelt. Samen met een aantal andere instituten uit landen als India, Senegal, Nigeria en Indonesië hebben we het projekt opgezet om te onderzoeken welke machines er ontwikkeld zouden moeten worden vooral voor de kleine boeren. Dit projekt duurde tot 1976.
De ervaringen die ik opgedaan heb met dit projekt, heb ik gebruikt in het onderwijs. In 1974 ben ik begonnen met het geven van kolleges in de tropische landbouwtechniek aan de Landbouw Hogeschool.
Mijn taak aan de Landbouw Hogeschool is in de eerste plaats het onderwijs en het onderzoek van de landbouwmechanisatie in Nederland, maar in de laatste tien jaar heb ik veel aandacht besteed aan de ontwikkelingen van doelmatige mechanisatiesystemen in ontwikkelingslanden aangegrepen door de grote nood.
In het kader van de aktie , , De hand aan de ploeg" wordt een gedeelte van de opbrengst besteed in Tsjaad, een van de Sahellanden. Waar liggen naar uw mening de oorzaken voor de grote voedselschaarste in dit gebied?
De Sahellanden liggen in een gordel die van het westen naar het oosten van Afrika loopt. De strook strekt zich uit van Mauretanië tot Ethiopië. In dit gebied valt in de periode van mei tot oktober slechts 100 tot 300 mm regen. Onder druk van de groeiende bevolking trokken de mensen naar de Sahel in een periode dat er voldoende regen viel. Maar ook zijn er perioden waarin er minder dan 100 mm regen valt. Dan kan er geen enkel gewas
vraaggesprek met prof. ir. A. Moens
groeien. Dit was ook in 1984 het geval. Er ontstaat dan een direkte hongersnood. Deze wordt dus veroorzaakt doordat mensen in een gebied zijn gaan wonen waarin niet altijd voedselproduktie mogelijk is zonder irrigatie.
Een ander punt in dit verband is dat rond 1960 de meeste Sahellanden onafhankelijk werden. Daarvoor waren het veelal koloniën van europese landen. Ze moesten zich toen zelfstandig gaan ontwikkelen. Daar hadden ze de kapaciteiten niet voor. Die hebben ze ook nu nog niet. De deskundigen zijn vertrokken, terwijl er onder de eigen mensen geen deskundigen waren.
Irrigatiekanalen groeiden vol planten, pompen stonden stil omdat ze niet onderhouden werden. Er was geen elektriciteit en ga zo maar door. Door de afwezigheid van deskundigheid op landbouwgebied heeft er lange tijd geen ontwikkeling plaatsgevonden. En dat is eigenlijk de oorzaak van deze hongersnood.
Dus de snelle bevolkingsgroei, de politieke ontwikkeling en de klimaatschommelingen, die drie dingen kun je wel zeggen, hebben de huidige situatie veroorzaakt.
Hebt u ervaring met projekten in een Sahelland?
Ja, we hebben van oost naar west allerlei projekten. Ik heb van Mali studie gemaakt. Mali is een van de landen waarop de hulp van het Nederlandse Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking is gericht. We werken er omdat het er politiek rustig is. In Tsjaad, waar de nood zeker groter is, is het vanwege de burgeroorlog niet mogelijk onderzoek te doen of werk te verrichten.
We hebben in Mali projekten bij de boeren in de dorpen. Elk dorp heeft zo'n 50 tot 100 boeren. In ieder dorp zijn één of twee voorlichters. Deze mensen hebben een opleiding van een jaar gehad door Nederlandse deskundigen. De opleiding wordt door Nederland betaald. Van dag tot dag vertellen de voorlichters wat de boeren moeten doen. Ook wordt er gezorgd voor betere watervoorzieningen en betere werktuigen. Hierdoor komt het land mooi vlak te liggen. Op de akker wordt een laagje water gezet. De rijst wordt gezaaid en goed onderhouden.
Er worden tegenwoordig ongeveer 10.000 ploegen ter plaatse gemaakt. Vroeger kwamen de ploegen uit Frankrijk. Voor de zware klei waren deze ploegen niet geschikt. Zelfs met twee ossen kreeg men de grond niet omgewerkt. De nederlandse deskundigen hebben studie van de ploeg gemaakt. Er kwam een andere ploeg, die lichter trekt en ook lichter is in gewicht.
De boeren zagen dat het ploegen met de nieuwe ploeg beter ging. De kosten werden berekend en de ploeg aangeschaft.
Zo is de produktie van de rijst gestegen van 5.000 kg. rijst per boer per jaar naar 10.000 kg. De boeren hebben nu genoeg rijst als voedsel voor het gezin en zelfs nog een deel over om te verkopen. Je merkt dat bij een goed gekoördineerde aanpak van dit soort projekten, goed met de boeren is samen te werken. Wij streven er naar de boeren zelfstandig te laten werken. Daarvoor moeten ze echter eerst wel deskundige begeleiding ontvangen. We moeten bij de boer in huis gaan zitten, dat is ontwikkelingshulp van onderaf.
Wat zijn voor u de duidelijkste kenmerken van een ontwikkelingsland?
Een ontwikkelingsland is een land waar het bruto-inkomen per hoofd van de bevolking kleiner is dan 3000 dollar per jaar. We onderscheiden landen met lage inkomens (minder dan 300 dollar) en landen met matige inkomens (300-3000 dollar). In Mali is bijvoorbeeld het bruto-inkomen 110 dollar, in Nederland is het gemiddeld 11.000 dollar per hoofd van de bevolking per jaar. Wij zijn dus honderd keer zo rijk als een Malinees.
Verder zijn er in ontwikkelingslanden slechte onderwijsvoorzieningen, een slechte landbouwontwikkeling en een slechte infrastruktuur (slechte wegen en havens e.d.). Zelf spreek ik niet graag over ontwikkelingslanden. Ieder land is in feite in ontwikkeling, ook de ontwikkelde landen.
Ik gebruik liever de term , .low income countries" (lage-inkomens-landen).
Het lage inkomen is het hoofdkenmerk van een ontwikkelingsland.
Ir. Van Rossum zei onlangs in een interview met het Reformatorisch Dagblad nauwelijks van een beleid te kunnen spreken waar het de werkzaamheden van mevrouw Schoo en haar Ministerie van Ontwikkelingssamen werking betrof.
U hebt al meer dan twintig jaar nauwe kontakten met het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking. Hoe beoordeelt u het beleid?
In de tijd van minister Pronk werd er bij voorkeur ontwikkelingshulp geboden aan socialistische en kommunistische landen.
Deze landen, denk bijvoorbeeld aan Vietnam, stonden in een goed blaadje. Nu wordt er door mevrouw Schoo en haar Ministerie enigszins afstand genomen van deze landen. Er wordt wat beter gekeken naar het aanwezig zijn van werkelijke demokratische vrijheden in de landen waar hulp geboden wordt.
Aan Vietnam, Cuba en Angola wordt nu geen ontwikkelingshulp meer verleend. Wat dat betreft kunnen we positief tegenover het beleid staan.
Een ander punt is dat de socialisten alles van de staat verwachten. De vier miljard voor ontwikkelingshulp die Nederland jaarlijks opbrengt willen zij zoveel mogelijk via nationale en internationale gouvernementale organen in de landen brengen.
Het bedrijfsleven werd door minister Pronk
en zijn ministerie als vuil winstbejag gezien en daarom uitgeschakeld.
We gaan nu een beetje in de richting, en ik zou nog meer in die richting willen gaan, dat het bedrijfsleven rechtstreeks ingeschakeld gaat worden bij ontwikkelingshulp.
Aan landbouwprojekten bijvoorbeeld zouden jonge boerenorganisaties uit Nederland mee moeten werken. Het opzetten van een fabriek is niet in de eerste plaats een taak van de regering van dat land. De nederlandse industrie kan hierbij effektiever helpen. Veel meer groeperingen uit de samenleving zouden de ruimte moeten krijgen om via subsidie direkt mee te helpen de vier miljard te gebruiken, om in bepaalde landen de ontwikkeling te steunen.
En wat dat betreft is mevrouw Schoo toch wel op de goede weg.
Bent u ook niet-beroepsmatig betrokken bij ontwikkelingssamenwerking?
Ja, als je kennis krijgt van de werkelijke problematiek in de ontwikkelingslanden, is het prettig en nuttig niet alleen in je werkgebied met deze kennis bezig te zijn, maar ook in je omgeving de mensen bekend te maken met de nood in de ontwikkelingslanden.
Zo ben ik in 1974 in het Deputaatschap voor de Zending gekomen. Op de zendingsvelden is de maatschappelijke ontwikkeling nauw gekoppeld aan de verkondiging van Gods Woord.
Op de eerste plaats staat bij het zendingswerk het brengen van het Evangelie. De zendingsopdracht is: „Predik het Evangelie aan alle kreaturen". Dat is de drijfkracht van waaruit de zending bezig is. Maar zonder medische hulp zouden we toch niet beantwoorden aan Gods opdracht. En in het verlengde van het medische werk ligt het landbouwwerk. De mensen zijn vaak ziek en hebben velerlei problemen. Dit is vaak een gevolg van onvoldoende voeding en gebrek aan hygiëne. Daarom is dan de volgende taak, dat we er voor zorgen dat ze middelen en onderwijs krijgen om de landbouw te beoefenen. Over het algemeen een dankbaar werk! Juist ook de kontakten die gemakkelijk via het landbouwwerk maar ook via het onderwijs en medische hulp gelegd worden, is er vaak een ingang om Gods Woord te verkondigen. Kijk bijvoorbeeld naar het werk van ir. Minderhoud, landbouwkundige in Zuid-Afrika.
Het onderwijs in de landbouw geeft hem de mogelijkheid te vertellen dat God de Schepper en Onderhouder is van alle dingen. Hier kun je duidelijk de harmonische samenwerking zien tussen Woordverkondiging en landbouw. Deze samenwerking heeft zich als bijzonder nuttig geopenbaard. Niet alleen binnen de Gereformeerde Gemeenten, ook bij andere zendingsorganisaties. Bij bezoeken aan zendingsvelden van andere organisaties merk ik de laatste tijd dat er steeds meer nadruk gelegd wordt op het tijdelijke, de Woordverkondiging vindt dan niet meer in volle omvang plaats en staat helaas niet meer centraal. De verbinding aan het zendingsdeputaatschap ervaar ik als een aangename taak. Uit de kontakten met het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking is mij gebleken dat men daar de zending waardeert als een zeer efficiente manier van ontwikkelingshulp.
Het zendingsdeputaatschap ontvangt voor bepaalde projekten bijvoorbeeld voor het salaris van een arts en voor andere middelen subsidie van de regering. De efficiency van het besteden van geld voor de zending is gelegen in de kleine administratie en het kleine aantal tussenpersonen. Het geld komt bijna rechtstreeks aan de daadwerkelijke hulp ten goede. Van de ƒ 100, — die de zending ontvangt gaat heel weinig aan kosten verloren.
Om de maatschappelijke ontwikkeling van een land met laag niveau te bevorderen moet in deze ontwikkeling struktuur aangebracht worden. Er is aansluiting nodig bij de ontwikkeling in het land. Je kunt als zendingsorganisatie geen grote stuwdam bouwen, geen grote weg aanleggen. Daarvoor ontbreken geld en manschappen. Voor deze grotere projekten is geld nodig van de regering van zo'n land. Dit betekent, dat we als christenen positief achter een regeringsbeleid kunnen staan, dat ontwikkelingshulp geeft. Maar onze bezwaren komen aan de orde, wanneer de hulp naar regeringen gaat, die mensen verdrukken, mede-christenen vervolgen, abortus bevorderen e.d. Dit zijn o.a. de zaken waar ir. Van Rossum terecht op wijst.
Ook de Stichting Woord en Daad is een uiterst belangrijke organisatie die zich met ontwikkelingshulp bezig houdt. Ik kan geen projekt van hen aanwijzen dat niet goed is.
Terloops liet u het woord af scheidskollege vallen. Stemt die gedachte u, terwijl u zoveel internationale werkzaamheden hebt opgestart en nog begeleidt, niet enigszins weemoedig?
Nee, gelukkig heb ik er geen moeite mee.
Ik heb al meer dan 40 dienstjaren achter de rug. Mij past dankbaarheid dat ik het heb mogen doen. Er zijn opvolgers die het kunnen overnemen. En ik houd nog genoeg over. Ik denk daarbij aan de zitting in het deputaatschap, het kerkewerk in de gemeenten hier, mogelijk meer aandacht voor Woord en Daad dan ik in het verleden — door tijdgebrek — heb kunnen geven; misschien nog wat ander advieswerk in de landbouwontwikkeling in de Derde Wereld. Mijn vrouw is veel alleen geweest (mevrouw Moens knikt instemmend). Ik hoop dat de Heere ons nog het leven schenkt om samen te zijn.
Als we in de hal onze jassen aantrekken en onze sjaals omknopen vervolgt de professor zijn verhalen over zijn buitenlandse reizen. De wandversieringen, zoals een prachtig opgezet vogeltje uit Irian Jaya en een mooie surinaamse klok, nodigen daartoe uit.
Ook de tientallen kaarten die bij de jaarwisseling uit alle delen van de wereld op Bergweg 30 gearriveerd zijn, getuigen van de vele goede kontakten die de hoogleraar in het buitenland gelegd heeft. Vol indrukken over wat we gehoord hebben vertrekken we. Over de onderdeur kijkend ('t was een fotootje waard) wensen meneer en mevrouw Moens ons nog een goede reis. We worden nagezwaaid totdat we uit het gezicht verdwenen zijn.
Professor en mevrouw Moens, nogmaals hartelijk dank, voor de tijd die u voor ons vrijmaakte en het gezellige gesprek.
J. Reijnoudt
A. Reijnoudt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1985
Daniel | 32 Pagina's