Geldbesteding
Als we spreken over geldbesteding, dan gaan we er al van uit dat er geld te besteden is. We behoeven in onze westerse kuituur daarover niet lang te aarzelen: ok na een ingrijpende recessie op ekonomisch gebied hebben we het allen nog zo goed, dat er best wat te besteden valt. Wie enigszins georiënteerd is over de situatie in de gehele wereld, weet dat het toch niet zo vanzelfsprekend is als het voor ons lijkt. Dat steeds weer te beseffen, is voor ieder van ons een goede zaak: lle goede gaven en alle volmaakte gift is van boven, van de Vader der lichten afkomende, zegt de Schrift (Jakobus 1 : 17).
Niets dus om trots op te zijn, wel erkentelijk ervoor. Stoffelijk goed is toch ook inderdaad een „goed" en tevens onmisbare voorwaarde voor een bovenminimaal bestaan. „Wij kunnen ook niet missen die dingen, die meer schijnen te dienen tot vermaak dan tot nooddruftigheid", schrijft Calvijn. „God gaf voedsel niet alleen voor de nooddruft maar ook voor de vermakelijkheid en de verblijding; kleding ook voor de versiering en eerbaarheid; en allerlei planten ook voor hun kleur en reuk", zo vervolgt hij dan.
Rentmeesterschap
Wei-zijn, ook in materieel opzicht, is bijbels geoorloofd: het kan een zegen zijn op het onderhouden van de wet van God en is een gave Gods. Maar, zoals elke gave, is het tevens een opgave. En de allereerste opgave is dan dat wij „de Oorsprong en Gever van alle dingen bekennen en voor Zijn goedertierenheid jegens ons dankzeggen zullen" (weer Calvijn).
Maar er is meer. Ieder moet beseffen dat hij rentmeester van God is ten aanzien van alles wat hij bezit. En van dat rentmeesterschap zal ieder eenmaal rekenschap moeten afleggen voor God Die de absolute Eigenaar van alles op aarde is, ook van het deel dat Hij ons toebetrouwde.
Dat werpt licht op onze bestedingsverplichtingen en kon wel eens moeten leiden tot bestedingsbeperkingen ten eigen bate.
Zo zou dat rentmeesterschap wel eens dwars door onze portemonnee kunnen gaan.
Maat houden is een bijbels gegeven. Overen bovenmatig gebruik leidt gauw tot mateloosheid. „Levende overdadig", wordt er gezegd van de verloren zoon. En overdaad moet wel betaald worden. En voor welke prijs: „Nadat hij alles verteerd had", staat er dan nog. Zo duur is overdaad. Kenmerkend voor de mateloosheid is ook dat ze altijd alles ten eigen bate gebruikt. Dat kan ook niet anders. Er is dan een uitleven van onze egocentrische drijfVeren. (Laat dat laatste woord eens goed tot je doordringen). De Bijbel noemt dat het liefhebbers zijn van zichzelf, meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods (2 Tim. 3). De wet Gods stelt ons echter ten leefregel: God liefhebben boven alles en onze naaste als onszelf.
Christelijke levensstijl
Christelijke levensstijl is dan ook geen zaak van vrome woorden, maar van een verantwoord omgaan met mensen, goederen, tijd en geld voor het aangezicht van de levende God. Dan is het leven niet in de eerste plaats gericht op eigen gemak en genot.
Het kan zijn dat zo'n leven leidt tot afzien van nog meer luxe goederen met wegwerp-
karakter en meer zorg voor armere landen en zending bijvoorbeeld. Te veel de aksenten leggen op de konsumptie, waardoor materiële prioriteiten de overhand krijgen, is uitermate gevaarlijk: het geestelijk klimaat van deze en de komende generatie kan er volledig door bedorven worden. Te sterke stijging van de konsumptie kan ook extra ontevredenheid oproepen vanwege de meer dan evenredige verlangens die er weer door worden gewekt. Nooit is het dan meer genoeg. Zo leidt dan meer geld voor luxe en komfort dan nodig is voor een goed leven, tot een vreugdeloos leven. Oververzadiging en verveling zijn dan onvermijdelijk het gevolg.
Laten we daarom kritisch zijn ten aanzien van het aanschaffen van alles wat een op materialisme ingestelde wereld ons voor houdt. Matigheid ten opzichte van luxe goederen, snoep, gebak, alkoholika, rookwaren en dergelijke is mijns inziens wel een minimum-voorwaarde. Ook is voorzichtigheid met jaloezie verwekkende zaken zeer gewenst. Onnodig dure huizen, auto's, bontjassen en andere statussymbolen verwekken meer onnodige ergernis dan we vaak beseffen.
Geld en goed moeten niet in de eerste plaats leiden tot een maximum aan genot, maar tot een maximum aan dienstbetoon.
Het zijn instrumenten die mede de naaste moeten en mogen ondersteunen. De Bijbel geeft nergens aanwijzingen voor het afschaffen ervan, maar wel voor het goed omgaan ermee. Leven we om te konsumeren of konsumeren we om te leven? We mogen wel genieten van het goede der aarde, maar de instelling waarmee we dat doen-is doorslaggevend. De Heidelbergse Catechismus spreekt van „ook de nooddruftige helpen mogen" als doel van ons getrouw arbeiden.
De bijbelse lijn
De Bijbel geeft ons een diepere motivatie dan een humanistische medemenselijkheid voor een leven dat niet alleen op onszelf is gericht, maar ook op de ander. De negatieve formulering van het „De mens zal bij brood alleen niet leven" en de positieve variant daarop: „Zoek eerst het Koninkrijk Gods en alle andere dingen zullen u worden toegeworpen", geven leefregels die niet mis te verstaan zijn.
Wie deze regels steeds in het oog tracht te
houden onder biddend opzien tot de Heere om een hart dat geneigd is tot de vrees van Zijn Naam, zal bewaard worden voor al te grote liefde tot de aardse dingen én voor wettische starheid en strengheid waardoor hij niet meer durft te genieten van het goede, waar de Prediker telkens over schrijft.
Geen wetticisme
Niemand vernacht konkrete invulling van te trekken grenzen, regels van zus of zo moet het nu gaan. Ieder mens heeft hier een eigen verantwoordelijkheid. Dat hoort bij het rentmeesterschap. Eén bijbels voorbeeld daarvan: n Leviticus 19:9 lezen we: Als gij de oogst van uw land inoogsten zult, zult gij de hoeken van uw veld niet ganselijk afoogsten". Elke boer moest dus het gewas op de hoeken van de akker laten staan voor de armen. Nergens vinden we echter voorschriften, hoe groot die hoeken moesten zijn. Wel staat er dan nog: De arme en de vreemdeling zult gij die overlaten: k ben de Heere, uw God". Het „gij zult" heeft zo geen wettisch karakter. Het is een milde uiting van Hem, „Die het recht der armen, der verdrukten gelden doet”.
Samenvatting
De Heere geeft ons veel. Een (groot) deel daarvan mogen we besteden voor onszelf, voor het nodige, het nuttige en het aangename; in deze volgorde. Spaarzaamheid voor tijden van tegenslag is ook nog steeds een goede zaak en kon wel weer eens nood-zaak worden.
Daarnaast, niet daarna, is een ieder gehouden naar vermogen bij te dragen aan de instandhouding van de eredienst en aan het welzijn van de naaste, dichtbij en veraf, die moet leven onder moeilijke omstandigheden.
Tot slot citeer ik nog één keer Calvijn: „We moeten zonder twijfel de'goederen der wereld tot dat doel gebruiken, dat ze onze loop meer bevorderen dan ophouden, want de Heere heeft ze geschapen tot ons profijt. Laat alle zorg en genegenheid u niet aftrekken of verhinderen van de bedenkingen van het hemelse leven en van de vlijt en naarstigheid in het opbouwen en versieren van uw ziel”.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1985
Daniel | 32 Pagina's