Tekenen en wonderen, ook in 1985?
Doet God nog wat in deze tijd? Gebeuren er nog wonderen? Bemoeit God Zich nog wel met deze aarde? Heeft bidden, bijbellezen. kerkgaan nog enige zin in deze tijd? Heeft dat alles nog zin in een wereld die beheerst wordt (of wellicht juist niet meer beheersbaar is) door het menselijk kennen en kunnen?
Zie daar wat vragen van deze tijd. Vragen in Nederland. Vragen in Afrika. Vragen van ouderen en vragen van jongeren.
Misschien heb jij ook wel van die vragen. Mag ik ook een vraag stellen: wat verwacht jij van de Heere? Wat moet Hij doen, zodat je in Hem zou geloven? Nog altijd is de vraag aktueel die men eenmaal aan Jezus stelde: „Wat teken doet Gij dan, opdat wij het mogen zien, en U geloven; wat werkt Gij? " Het is niet verwonderlijk dat mensen dit aan Jezus vragen. Het Woord van God staat niet zo hoog genoteerd in ons leven. Dat is zo gekomen sinds wij „het grote wonder" — de onverstoorde gemeenschap met God — van deze aarde hebben weggevaagd. Wij leven nu met de rug naar God toe en zijn onze kennis van „het hoogste goed" kwijt geraakt.
En toch Wij mensen kunnen niet zonder religie leven. We zijn immers „van Gods geslacht". Ieder zoekt in zijn leven naar zekerheid, naar houvast, naar een hogere bestemming, maar op de verkeerde plaats.
Geloof in wonderen
Toen ik nog in Nederland was, verbaasde het mij dat in de zestiger jaren zoveel kerkelijke-en randkerkelijke mensen getroffen werden door geestesstromingen die om het hardst predikten: kom dit zien, kom dit zien, hier gebeuren wonderen!
Ik heb ze gekend, mensen die nog nooit een cent in het kerkezakje hadden gedaan en die in één dag er alles voor over kregen. Hun vakantie, hun spaargeld, alles werd opgeofferd aan de samenkomsten waar wonderen gebeurden.
Ook hier op het zendingsveld is dat zo. Er zijn tientallen sekten die allen hetzelfde onderwerp bewerken: wonderen, wonderen. Ik maakte het eens mee op zo'n vergadering waar ik uitgenodigd was, en waar men mij verzekerde dat er wonderen zouden gebeuren. Enkele mensen met allerlei kwalen — die ik hun echter niet aan kon zien — moesten op een plank gaan staan. Aan beide kanten werd de plank door een paar mannen opgetild en geweldig heen en weer en op en neer geschud. Na een paar minuten zo ? n „hersenschudding" te hebben doorgemaakt, verklaarden alle „patiënten" volkomen genezen te zijn. Tijdens het schudden waren allerlei gebeden en spreuken opgezegd. Ik weet niet in hoeverre hier een primitieve schoktherapie vruchten heeft gedragen, maar een feit was, dat heel wat mensen gehoor gaven aan dit „evangelie van bevrijding”.
Het valt mij op dat al deze geestelijke lieden, zowel in Nederland als hier, beschikken over „de geest". Het is niet de Geest die over de mens beschikt en die de mens maakt tot een „instrument", werkzaam tot eer van God. Het is de mens die met de geest doet wat hij wil, meestal tot eer en glorie van zichzelf.
Ongeloof ziet geen wonderen
Maar spreekt de Heere in Zijn Woord dan niet van wonderen die de gelovigen zullen volgen? Staat er niet in Markus 16 : 17 dat zij duivelen zullen uitwerpen en met nieuwe tongen zullen spreken? Jazeker, maar let wel op: aar volgen de
gelovigen de tekenen, maar niet omgekeerd. Waar het dus in de eerste plaats op aan komt, is het geloof. Lees nu eens wat er staat in Lukas 17:6. „En de Heere zeide: o gij een geloof hadt als een mosterdzaad, gij zoudt tegen deze moerbeziënboom zeggen: ord ontworteld en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzaam zijn.”
Waar ging het hier nu over? Wel. Jezus vroeg iets aan Zijn discipelen dat totaal tegen hun natuur inging. Hij vroeg naar geloof dat door de liefde werkende is. En dat moest openbaar komen in het betonen van vergiffenis aan een broeder. Zie maar de verzen 3 en 4. In vers 4 staat: „En indien hij zevenmaal daags tegen u zondigt, en zevenmaal daags tot u wederkeert, zeggende: Het is mij leed; zo zult gij het hem vergeven." Het gaat dus om grenzeloos vergeven en grenzeloos geduldig liefhebben. En nu zegje natuurlijk: maar dat kan niemand; dat is een onmogelijke opgave. Ik zal trouwens wel uitkijken, ik blijf niet aan de gang. Er is aan alles een grens. Ook de discipelen vonden dit een onmogelijke eis. In vers 5 staat: „En de apostelen zeiden tot de Heere: vermeerder ons het geloof’.
Maar Jezus zegt: het tekort zit niet in Mijn schenking, maar in uw gebruikmaking van hetgeen Ik gaf. Een geloof als een mosterdzaad (en dit beeld ziet meer op de kracht van het zaad, dan op de kleinheid!) zou wonderen verrichten. Vanzelf bedoelt Jezus in het zesde vers niet nu eens te gaan „experimenteren" met een boom. Nooit heeft Jezus, noch de discipelen, zoiets werkelijk gedaan. Het is ook niet nodig. Er zijn grotere wonderen gebeurd. Wonderen, waarop de scharen zich toch verhardden. Uiteindelijk zit het 'm niet in die uiterlijke wonderen. „Het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat.... Het Koninkrijk Gods is binnen u", zegt Christus in vers 20 en 21.
Het ongeloof ziet geen wonder van God, al worden er honderden door Jezus en de apostelen verricht. Doden worden opgewekt, blinden werden ziende en doven horende, maar binnen drie jaar was de Heiland „uitgeroeid", ondanks alle wonderen die Hij gedaan had.
Wonderen van geloof
Niet door wonderen en ook niet door het donderen van de wet komt onze ziel tot leven. „Gelijk het met het licht der natuur toegaat, zo gaat het ook met dezen toe met de wet der tien geboden van God door Mozes de Joden in het bijzonder gegeven.
Want nademaal deze de grootheid der zonde wel ontdekt en de mens meer en meer van zijn schuld overtuigt, doch het herstellingsmiddel daartegen niet aanwijst, noch enige krachten toebrengt om uit deze ellendigheid te kunnen geraken en omdat zij alzo door het vlees krachteloos geworden zijnde, de overtreder onder de vloek blijven laat, zo kan de mens daardoor de zaligmakende genade niet verkrijgen. Hetgeen dan noch het licht der natuur, noch de Wet kan doen, dat doet God door de kracht des Heiligen Geestes en door het Woord of de bediening der verzoening welke is het Evangelie van de Messias, waardoor het God behaagd heeft de gelovige mensen, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament, zalig te maken" (D.L. III/IV - art. 5, 6). De Heere werkt de wedergeboorte dus door de krachtige en tegelijk zeer zoete werking van Zijn Geest (zie D.L. III/IV - art. 12). Het zijn de goedertierenheden des Heeren die ons doen breken. Het is de liefde Gods die ons in opstand brengt tegen onszelf. Het is het Evangelie van de Messias dat het wonder in ons leven tot stand brengt.
Dit is het wonder der wonderen, door de wereld niet hoog geacht, maar door degenen die God liefhebben als het grootste goed ervaren. Gods liefde in Christus maakt ons beschaamd over onze zonde. Hoe kan het ook anders: we zien dan dat we gezondigd hebben tegen een goed-doend-God. De tijding dat God verzoening doen zal over al onze zonden, vertedert ons meer dan al de vlammen van de hel.
Ik denk dan ook aan een preek van Ralph Erskine over Ezechiël 16 : 63: Opdat gij het gedachtig zijt en u schaamt en niet meer uw mond opent vanwege uw schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen gij gedaan hebt, spreekt de Heere Heere." In die preek staat: Nooit zal een mens zijn zonde gedachtig zijn en zich daarover schamen, tenzij hij hoort en weet dat God verzoening doen zal over al hetgeen hij gedaan heeft." Als de Man van Smarte geen wonder voor ons wordt, zal geen wonder ons tot het geloof brengen.
Als de wonden van onze Heiland, als zijn doornenkroon en Zijn met gesels doorploegde rug, als de geloofsaanschouwing van de biddend Borg geen wonder in onze ziel teweegbrengt, zal er in alle eeuwigheid geen andere weg zijn om ons hart tot bekering te brengen. Doch Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave (2 Kor. 9 : 15). Datheen zong reeds in Psalm 22: , Dit bedenkende zullen zijn bekeerd, de volken....”
De prediking van de gekruiste Christus is geen aanrading in de zin van: , , mensen kom nu toch hier, want hier is het zo goed". Nee, het is een machtsdaad van God die doden tot het leven roept. Ik geloof vast en zeker dat diegenen zalig worden die verordineerd zijn ten eeuwige leven. Maar, met Hellenbroek, geloof ik even zeker dat God de middelen tot onze zaligheid mede besloten heeft.
Niet op remonstrantse manier, alsof God eerst afwacht of wij wel willen en dan daarna Zijn besluit neemt. Maar op bijbelse wijze: die Mij vroeg zoeken, ZULLEN Mij vinden. Want een ieder die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, die zal worden open gedaan. Doden horen de stem van de Zoon van God, en die Hem gehoord hebben, zullen leven.
Blinden zien, doven horen
Psalm 67 : 1 eindigt met de woorden: En de blinde heiden, nu van God gescheiden, eens Uw heil erkenn'." Dat gebeurt. Ook vandaag. Er zijn er hier die de vorige tijd van hun leven goddeloos geleefd hebben, maar nu alles over hebben voor de dienst van de Heere. Die in hun armoedig bestaan dankbaar zijn voor het weinige dat ze hebben.
Toen ik een paar weken geleden bij een oude broeder was en zei: „Je mag ook wel eens een nieuwe broek krijgen, zie ik". (Hij had er, denk ik, drie over elkaar aan, maar nog zag ik zijn blote been.) Toen antwoordde hij: „Och dominee, ik ben ziek en oud en ik zal nu heel gauw de witte kleren ontvangen die Jezus mij zal aantrekken als ik bij Hem mag zijn. Ik verduur veel pijn, maar dan denk ik: dit is alles door mijn zonde, maar Jezus heeft pijn geleden zonder zonde. Toen de spijkers Hem door handen en voeten geslagen zijn en Hij naakt stierf aan het kruis, heeft Hij ook voor mij het kleed van gerechtigheid verdiend." Hemelse vreugde straalde uit zijn ogen. Zijn kamer was leeg, maar was het paleis waar de Koning Zelf woonde. Toen wij samen gebeden hadden, ging ik weg. Hij wroette nog ergens een geldstukje vandaan en zei: „Hier dominee, twee shilling (twintig cent) voor de kerk van de Heere, want ik kan niet meer naar de kerk komen, maar ik heb de Heere lief." Ik geloof dat ook dit geldstukje in Gods schatkist geborgen is, zoals het penningske van de weduwe.
Het ongeloof zegt: God doet niets meer. Maar voor het geloof is zelfs het geringste nog een wonder. Guido Gezelle heeft eens gedicht:
Mij spreekt de blomme een tale Mij is het gras beleefd Mij groet het altemale Wat God geschapen heeft.
Het is juist het teken van de valse godsdienst in het laatst der dagen, dat ze zal proberen velen te verleiden door tekenen en wonderen. Zelfs in de naam van Jezus. Maar een gelovige leeft bij HET Wonder: „gij zult het Kindeke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe". Dit geslacht, deze tijd zoekt naar tekenen en wonderen, maar hen zal geen ander teken gegeven worden.
Jonge vrienden, wat zoek je? Of beter nog: Wie zoek je? Al had je persoonlijk alle wonderen beleefd die op aarde gebeuren en je hebt Jezus daarin niet ontmoet, dan sta je nog zonder bedekking voor het goddelijk gericht. Maar is dit het wonder van je leven geworden: dat God zo peilloos goed is, terwijl jij alles verknoeid hebt? Dan roep je uit: „O God, U hebt geen lust in mijn dood, dan heb ik geen lust meer in de zonde." En als je geen woorden meer hebt om te bidden, sta dan maar als de zondares bij Zijn voeten en maak die nat met je tranen. Dan zul je Zijn stem horen: Mijn zoon, Mijn dochter, ga heen in vrede, je zonden zijn je vergeven. Want hij die niet werkt, maar gelooft in Hem die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.
O, zalig wonder. Alleen om Jezus wil. Mijn God, dan zal ik U eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 januari 1985
Daniel | 32 Pagina's