JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Ons kostbareer- en troostboek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ons kostbareer- en troostboek

vraaggesprek met ds. D. Hakkenberg over Catechismusprediking

18 minuten leestijd

Een dominee met pijl en boog Dat zie je niet iedere dag. Wij zagen het (en maakten er zelf een foto van) in de pastorie in Lisse. Ds. Hakkenberg was namelijk nog maar pas terug van z'n visitatiereis naar het zendingsveld op Irian Jaya toen we bij hem kwamen i. v.m. een vraaggesprek voor , , Daniël". Hij zat er nog helemaal vol van. Zó vol, dat we het eerste uu niet toekwamen aan het interview waarvoor we gekomen waren.... Ds. Hakkenberg vertelde e. e. a. over de bezoeken aan en de ontmoetinge op de verschillende posten. , , Een zeer rijke ervaring hebben we gehad in Pass Valley, waa de vergaderingen zijn gehouden met de afge vaardigden van de nationale kerk (zoals deze gembala's en verschillende ouderlingen en voorgangers). Daar was een bijzondere band en overeenstemming. Een gevoel van eenheid. Je komt onder de indruk van het werk Gods d daar mag plaatsvinden. Het heeft ons innerlij ontroerd en ook ten zeerste verkwikt. De laat ste zondag werd ons gevraagd in Pass Valley voor te gaan. De mensen waren uit de omliggende kampongs komen lopen, uren ver. Ook alle gembala's waren aanwezig, 'k Heb toen mogen spreken over Hand. 9 : 31: , De gemeenten dan (.....) hadden vrede en werden gesticht; en wandelende in de vreze des Heere en de vertroosting des Heiligen Geestes, we den vermenigvuldigd". De Heere gaf rijke sto Na de dienst werden er door gembala Thoma Wandik nog twee jongemannen tot ouderlingevangelist bevestigd. Eén werd er uitgezonde naar Bommela en de ander naar Sumtamon. We hebben er diepe indrukken opgedaan. Oo kennis gemaaakt met de tegenstand en teleurstellingen. Maar we mogen hartelijk vertrouwen, dat het goede werk dat de Heere daar

Dominee, catechismusprediking is, als we 't goed hebben, ontstaan in de tijd van de Reformatie. Wat was de achtergrond daarvan?

Daarvoor moeten we naar Frederik III, de keurvorst van de Paltz. Het is bekend dat zijn geloofsovertuiging zich meer kon vinden in de schriftbeschouwing van Calvijn dan van Luther. Denk slechts aan Luthers misvatting over de twee naturen van Christus om de konsubstantiatieleer bij het Heilig Avondmaal te wettigen. De kerkstrijd in de Paltz bracht Frederik III ertoe een catechismus samen te doen stellen, waardoor het volk in het rechte

spoor zou worden geleid en gebouwd zal worden op het allerheiligst geloof. Zelf schreef (bad) hij: , , Geef dat de Heilige Geest het Woord in ons make tot een levende kracht, opdat het veel vrucht drage en de nieuwe mens van dag tot dag toeneme, tot Gods lof en tot bekering van de naaste". Aan dat hoge doel zou de catechismus dienstbaar moeten zijn. Ursinus en Olevianus, hoewel jong, maar rijp van geest door geloofskennis en levenservaring, hebben hun opdracht zegenrijk mogen vervullen. De Heidelbergse Synode keurde de uitgave in 1563 goed, voorzien van een voorrede van de hand van de keurvorst. Hierin stelt hij dat de christelijke religie aan de hand van deze catechismus door predikanten en schoolmeesters aan de jeugd in kerk en school zal onderwezen worden, „opdat niet meer naar willekeur nieuwigheden worden ingevoerd of dingen geleerd, die niet met het Woord Gods overeenstemmen”.

Petrus Datheen vertaalde de catechismus in het nederlands. Verschillende synoden, met name die van 1618/19 te Dordt, aanvaardden hem en eisten zelfs ondertekening ervan door de ambtsdragers. Ook verplichtte de synode invoering op de scholen en prediking eruit op de kansels.

Is catechismusprediking vandaag nog net zo hard nodig? Nu wordt er immers catechisatie gegeven en is er reformatorisch onderwijs?

De waarde van de catechismusprediking tot op vandaag toe kan in de eerste plaats onderstreept worden met het feit dat een man als Voetius in zijn tijd de H.C. op zijn kolleges in Utrecht behandelde. Ook Comrie legde de nadruk op de „schriftuurlijke waarachtigheid van de catechismusleer". Ja, hij beschouwde de catechismus als het doorbreken van het licht na de „antichristelijke duisternis”.

Met deze uitspraak staan we midden in onze tijd die zich kenmerkt door een droevige ontkerstening, maar ook grote onkunde ten aanzien van de schriftuurlijkbevindelijke waarheid. Er zijn vandaag in toenemende mate antichristelijke krachten werkzaam. Bijbelse normen in het zedelijke leven worden uitgebannen. Juist daarom is wapening en toerusting van de gemeente des Heeren hard nodig. Natuurlijk ben ik dankbaar voor het reformatorisch onderwijs. Daar wordt veel goed werk verricht, maar het neemt het belang van een indringende catechismusprediking niet weg. Op onze basisschool in Lisse wordt in de hoogste klassen de catechismus geleerd. De prediking in de zondagmiddagdienst sluit dan juist aan bij het bekende en geeft een bredere en diepgaander verklaring van de betreffende zondagsafdeling. Ik wijs op Efeze 6, waar Paulus de geestelijke wapenrusting met klem aanprijst. Daarom hoop ik met lust en liefde onverdroten voort te gaan met de behandeling van ons kostbare leer-en troostboek.

Je hoort wel eens de opmerking, dat de ouderwetse taal en de ingewikkelde zinsbouw van de H.C. een belemmering zijn voor het begrijpen ervan, vooral door jongeren. Wat vindt u daarvan?

Ik meen dat het met die zogenaamde ouderwetse taal van de H.C. nogal meevalt. Er worden inderdaad bewoordingen en uitdrukkingen gebruikt die enige uitleg behoeven, zoals: „aangeboren en werkelijke zonden", „geen bloot schepsel", „toevoorzicht", „wederstand" enz.

Hoewel de antwoorden soms in kompakte volzinnen gegeven worden, ben ik geen voorstander van een taalkundige herziening. Zo gauw wordt de kernachtige stijl van onze vaderen afgezwakt. Waar is immers het eind? We zien dat aan de reeks van bijbelvertalingen. Wij houden ons aan de Statenvertaling en daarom ook aan de redaktie van de H.C., waarin vaak teksten uit de Statenvertaling geciteerd worden. Daarmee blijven we hopelijk ook gewend aan de taal en uitdrukking van onze oudvaders. Dat beklemtoon ik vooral voor onze jongeren. De Heere geve bovenal dat wij de inhoud geestelijk mogen verstaan door de bediening van God de Heilige Geest.

Verheerlijken we op deze wijze de taal en uitdrukkingswijze van de oudvaders wellicht niet wat te gemakkelijk? Uiteindelijk is toch ook ons gewone taalgebruik veranderd. Is een werkelijk verantwoorde modernisering af te keuren?

't Valt niet te ontkennen dat ons taalgebruik zich in de loop der jaren heeft gewijzigd. Ik geloof echter niet dat er een zodanige afstand tussen ons huidig nederlands en de uitdrukkingswijze van de Heidelberger Catechismus bestaat dat een modernisering daarvan nodig is. Daar kleven mijns inziens teveel principiële gevaren en praktische bezwaren aan. Nee, zo antiek is de Catechismus niet en behoeft hij ook niet te worden! Voor alles blijft nodig dat het hart der kinderen wedergebracht wordt tot deze vaderen. Daarmee is niet gezegd dat we onze oudvaders in dat opzicht verheerlijken. Wat anders is om ze in hun waarde te houden en te laten. Ik wijs op Hebr. 13: „Gedenkt uwer voorgangeren die u het Woord Gods gesproken hebben". Laat hun heldere en krachtige taal blijven doorklinken, hopelijk tot in het hart!

Hoe probeert u de jongelui bij de prediking over de H.C. te betrekken?

De prediking van Gods Woord dient gericht te zijn op de gehele gemeente. Dat houdt in dat de jongelui ook aangesproken moeten worden of zich aangesproken moeten weten. Persoonlijk houd ik me bij het laatste. Afzonderlijke aanspraken tot de kinderen kunnen de gedachte wekken: nu is het onze beurt; het overige gedeelte van de preek is voor de ouderen. Liever probeer ik ze mee te nemen door de hele preek heen. Dan zijn er natuurlijk altijd momenten om de jeugd extra te noemen, maar niet uitdrukkelijk gescheiden van de ouderen. Overigens hebben de catechisaties bij ons — in kleine groepen — een sterk persoonlijk karakter. En met elke belijdeniscatechisant heb ik een persoonlijk en diepgaand gesprek.

Men zegt weieens, dat vooral de catechismuszondagen over de wet zich bijzonder lenen voor een aktuele prediking. Kunt u aangeven wat bijvoorbeeld allemaal aan hedendaagse zaken aan de orde kan komen bij de behandeling van het zevende gebod (Gij zult niet echtbreken)?

Deze vraag had ik wel verwacht. Het zevende gebod is in onze tijd een hoogst aangevochten zaak in velerlei opzicht. We moeten uitgaan van de wonderschone schepping van man en vrouw en de harmonische en onlosmakelijke band tussen die twee door God gelegd, totdat de dood scheiding maakt. Met grote klem blijven wij op deze goddelijke instelling wijzen. In de prediking wijzen we op de heerlijke Persoon van Christus, Die Zijn verkoren Bruidsgemeente zo uitnemend heeft liefgehad. Na de val is het de christelijke roeping dat ons huwelijk door genade daarvan het beeld vertone. Zie Efeze 5. Vanuit dit principe komt de „onkuisheid" in een schrille tegenstelling te staan tot al wat rein is. De onkuisheid is van God vervloekt. Op veel zaken kan dan gewezen worden: kleding, lektuur, film, dans, voorlichting, moderne media, vakantietijd, vrije omgang van de sexen, samenwonen, gemengd huwelijk, overspel, homosexualiteit. Vaak wijs ik op Jozef die door genade zijn lichaam een tempel van de Heilige Geest wist te zijn. En wie van ons is er dan zonder zonde? Tot troost van arme, onreine zondaren verwijs ik naar de zo dierbare Psalm 51, waar David aan het woord is na zijn zonde met Bathseba. Gods genade rijkt altijd dieper dan de grootste zonde.

En bij het achtste gebod (Gij zult niet stelen)?

Ook het achtste gebod geeft vandaag nogal wat stof voor de prediking. We houden de gemeente voor dat we verantwoording schuldig zijn aan de Heere ten aanzien van het ons toebetrouwde goed. „Geef rekenschap van uw rentmeesterschap!" En dat slaat op alle zegeningen die de Heere ons geeft. Dan komen er vragen aan de orde als: Hoe beheren we ons bezit, hoe zijn we eraan gekomen? De catechismus spreekt ook van verkwisting en misbruik van onze goederen en gaven. De dagdief en de doorbrenger zitten kort bij! Zijn we eerlijk in het zakendoen en hoe zit het met belastingontduiking? Ik denk ook aan gierigheid die de nood van zijn naaste niet helpt lenigen. En er is vandaag nog grote nood, zowel veraf als dichtbij. Zending en evangelisatie hebben veel geld nodig. Ik denk ook aan stichtingen die zich beijveren voor de vervolgde christenen achter het IJzeren Gordijn. En dan de Derde Wereld: Ethiopië, Tsjaad, Bophuthatswana, nee er is geen enkele reden om op te potten. Ten

diepste gaat het in het achtste gebod om de vraag: waaraan geven we onze kostbare genadetijd, onze lichamelijke en geestelijke krachten? In deze vermaterialiseerde tijd moet de klemmende oproep gebracht worden: „Vergadert u geen schatten op de aarde, maar in de hemel, waar de mot niet verderft, de roest niet verteert en de dieven niet doorgraven en stelen”.

In de H.C. worden allerlei dwalingen van Rome, de dopersen en de luthersen bestreden. In onze tijd zijn er zoveel andere dwalingen bijgekomen. Komen deze bij de behandeling van de H.C. ook aan de orde?

Er zijn vandaag inderdaad modern-theologische invloeden merkbaar die mij en anderen met de grootste zorg vervullen. Met kracht moet benadrukt worden de borgstelling en de voldoening en de verzoening van Christus Jezus voor de uitverkorenen alleen. Hier is het soevereine welbehagen van God in het geding, de vrijmacht van de grote Pottenbakker! Zonder tekort te doen aan de verantwoordelijkheid van alle hoorders moet het eenzijdig toepassende werk door God de Heilige Geest wezenlijke inhoud aan de prediking geven, met alle afsnijding van menselijk aktivisme. Het vervaarlijk remonstrantisme blijft immers de kop opsteken. Waar nodig zal ingegaan moeten worden op de onbijbelse opvattingen van Karl Barth, dr. Wiersinga en Prof. Kuitert. Daarnaast moeten we een open oog hebben voor de misleidende visie van dr. Woelderink op de catechismus. Letterlijk schreef deze eens: „God zet ons tegenover Jezus Christus en verlangt van ons voor Hem te kiezen". En dat met afwijzing van de plaats van vraag 8 over de noodzakelijke wedergeboorte. Hij gaat te gemakkelijk voorbij aan de weg der ontdekking in de spiegel van Gods heilige wet. Woelderink acht het onbegrijpelijk dat Christus in de H.C. tot vraag 18 verzwegen wordt. Hij stelt: „De kennis van Christus en de kennis der zonde zijn één; zonder Christuskennis geen zondekennis". In plaats van de zondaar terug te wijzen naar het verloren paradijs in Adam, wijst Woelderink liever naar het verbond. In de doop heeft God ons tot Zijn volk aangenomen. Het komt nu aan op onze keuze. Aldus Woelderink. Deze visie heeft intussen haar duizenden verslagen.

Ziet u dat gevaar van een te gemakkelijk grijpen naar het geloof, om het zo maar eens te noemen, als een groot gevaar in onze gemeenten? Ligt er wellicht niet ook het grote gevaar van een dode orthodoxie en een onjuiste lijdelijkheid?

Hier zijn twee klippen gesignaleerd, waarop we voor eeuwig kunnen stranden. Aan de ene zijde is het gevaar van de doorbraak van de mens uit. Op gevoelsgronden of op grond van verstandelijke overwegingen beeldt men zich in het geloof te bezitten. De ware vernedering ontbreekt echter, omdat de waarachtige zelfkennis gemist wordt. Men is wars van een ontdekkende, afsnijdende prediking. Er is ook geen levende werkzaamheid van de ziel. Men is binnengedrongen, zet zich aan het Heilig Avondmaal, zonder ooit echt recht buiten gestaan te hebben. Het wonder van vrije genade in de bediening van God de Heilige Geest, wordt niet beluisterd. Het gaat om de mens, niet om de eer van God, noch om de verheerlijking van Zijn deugden. Aan de andere zijde ontroert mij de koude toestemming, zelfs de harde verdediging van de rechtzinnige belijdenis, zonder dat het hart bewogen is met het lot van onze zo kostbare ziel. Ten diepste schuilt ook in de lijdelijkheid de vijandschap tegen de vrijmacht Gods, tegen de erkenning van eigen schuld en het in ongeloof afwijzen van het evangelie, waarin de Heere laat getuigen: „....maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem" (Joh. 3).

Even van het leerstellige naar het praktische: hoe gaat u konkreet in op moeilijk liggende zaken als inenten en verzekeren als zondag 10 aan de orde van behandeling is? Of laat u zulke zaken liever liggen?

In zondag 10 is een kind Gods aan het woord, dat door genade weet door Zijn vaderhand geleid te worden. Dat is een heerlijke en begeerlijke zaak. Zalig, die in dat kinderlijke vertrouwen des geloofs mag leven! Dat geeft tere vreze, ware afhankelijkheid en heilige voorzichtigheid in doen en laten tegenover de Heere. Er staat zo treffend in Psalm 37:

't Al wijs bestuur bevestigt 's vromen gangen; De hoge God keurt zijne wegen goed; Hij zorgt voor hem en waakt voor zijn belangen.

Zulk een oprecht christen zal met zijn goed en gezondheid begeren zich aan 's Heeren beleid voor nu en het toekomende over te geven, met aanvaarding van eigen ver-

vervolg vraaggesprek ds. D. Hakkenberg

antwoordelijkheid. Wat verzekeren betreft zitten we in zo'n maatschappelijke struktuur, dat je onder enkele dwangmatige verzekeringen haast niet uit kunt. Dit is onzerzijds beschamend en kan het open gebedsleven verhinderen. Ik ken kinderen Gods die uit de hand des Heeren mogen leven. Ze hebben in zorg en nood het rijkste leven. Laten we daar maar jaloers op zijn.

En dan het inenten, ook al zo'n tere aangelegenheid. Toen destijds de polioepidemie uitbrak en ik gevoelde dat de gemeente een antwoord verlangde, heb ik 's zondags gepreekt over Psalm 91 : 1 en 2, over de enige Schuilplaats in God, de Almachtige. Zonder iemand in zijn of haar geweten te binden, heb ik in die bange dagen geen andere behoefte gevoeld dan om mij en m'n gezin met de gemeente gedurig aan die God te bevelen met onderwerping aan Zijn wil en weg. En zo ligt het nog bij mij. Ik kan niet anders dan naar de Heere wijzen. „Ja, zouden wij het goede van God ontvangen en het kwade niet ontvangen? " (Job 2).

U laat de gemeente dus , , in geweten vrij", al hebt u voor uzelf geen vrijmoedigheid. Kent u ook kinderen van God die wel die vrijmoedigheid hebben?

Ja, in deze kwesties laat ik het woord van Paulus gelden: „Een ieder zij in zijn gemoed ten volle verzekerd". Je kunt hier niet dwingen. Ook niet-verzekeren en nietinenten hoeft niet uit het geloof te zijn. Ik ken ook een kind des Heeren dat een AOW-uitkering ontvangt en dat grondt op de koninklijke bediening van Christus: alles is Uwe (1 Kor. 3). Zij kreeg in de verzuchting van haar hart onderwijs uit het bekende werk van W. a Brakel: „De redelijke godsdienst". Zie het betreffende hoofdstuk. Zij ontvangt daarom haar uitkering ten diepste uit Gods voorzienige hand.

Gelet op de vraagstelling in de H. C. zou je de indruk kunnen krijgen, dat de mens in het middelpunt staat en dat de ervaringen en bevindingen van de mens dus ook wel centraal zullen komen te staan in de prediking over de H.C. Is die indruk juist?

Deze indruk, als zou de mens in het middelpunt staan, is totaal misplaatst. Dat kunnen wij er helaas van maken. Een juiste waardering van de catechismus doet me het tegendeel stellen. De H.C. is trinitarisch-theologisch van opzet: Goddrieënig wordt in het middelpunt geplaatst en de Heere Jezus als de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs voorgesteld. Waar toch begint de catechismus in de mens en waar eindigt ze in de mens? Nee, „want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen; Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid". Het wondere geheim wat in de catechismus doorklinkt is, dat een Adamskind in dit welbehagen Gods is opgenomen en door wedergeboorte — dat is inlijving in Christus door het geloof — deel ontvangt aan deze Gezegende des Vaders en aan al Zijn weldaden. Van stap tot stap wordt zo'n Adamskind door de toepassing van de Heilige Geest ingeleid in de heilige gebouwen. Daar weidt onze ziel met een verwonderend oog in die vrije gunst, die eeuwig God bewoog. Hier ligt de enige grond en ware Troost voor onze ziel!

Hoe verhoudt de indeling van de H. C. (ellende, verlossing en dankbaarheid) zich tot de orde des heils?

Met deze vraag wil ik dadelijk aansluiten op de bekende vraag 2: Hoeveel stukken zijn u nodig te weten, opdat gij in deze troost zalig leven en sterven moogt? De Heere houdt naar Zijn aanbiddelijke vrijmacht en wijsheid een heilige orde in het zaligen van zondaren. Bij de Psalmdichters kun je de trits: ellende, verlossing en

dankbaarheid, zo duidelijk bevestigd zien. Zie bijvoorbeeld Psalm 32, 40 en 116. Ik noem slechts Psalm 50: „En roept Mij aan in de dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren”.

Ursinus schrijft in zijn „Schatboek" bij zondag 1: „Welke kennis (namelijk die van de ellende) uit zichzelf niet vertroost, maar veelmeer het gemoed verslaat en nochtans nodig is om de verlossing des te beter: te begeren, te verkrijgen, te verstaan en te achten. En de schuldige dankbaarheid aan de Heere te mogen toebrengen tot Zijn eer en tot onze troost". Ik wijs ook op de leerstellige indeling van de Romeinenbrief: hfdst. 1 - 3 kennis der ellende; 4-11 kennis van de verlossing; 12-16 kennis der dankbaarheid. Kijk het maar na. Treffend is ook dat zondag 51 spreekt van „Wil ons, arme zondaren...." Tot de laatste snik blijft het „Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere”.

Moet dus eerst de wet gepreekt worden, waardoor de zondaar z'n ellende leert zien, en mag pas daarna Christus door en in het evangelie aangeboden worden?

Ik wil daar heel kort op ingaan. Wet en evangelie mogen enerzijds niet vermengd worden, anderzijds niet van elkaar losgemaakt worden. Ursinus zegt: „De wet is gelijk een spiegel die ons de vlek onzer zielen aanwijst" (Zondag 2). Het meest klare voorbeeld, in antwoord op jullie vraag, vind ik bij de grote Profeet en Leraar der gerechtigheid, Die de samaritaanse vrouw overtuigt van de zonde van haar leven om de dorst te verwekken naar het water des levens in het evangelie om niet aangeboden. De bediening van God de Heilige Geest ontledigt altijd de zondaar en maakt plaats voor de dierbaarheid, de gepastheid, de bekwaamheid, de gewilligheid en de noodzakelijkheid van Christus Jezus. Dit is vast: Hij alleen is een algenoegzaam en volkomen Zaligmaker. Het evangelie sluit niemand uit dan die zich zelf uitsluit. Welnu, in die weg begeer ik „Gode een goede reuk van Christus te zijn in degenen die zalig worden en in degenen die verloren gaan" (2 Kor. 2).

Waarin onderscheid de H.C. zich van de andere belijdenisgeschriften ?

Daar kan ik nu eens kort in zijn. Ds. G. H. Kersten geeft dat onderscheid heel duidelijk aan in zijn inleiding over het „Kort Begrip". De H.C. dient om de kennis des geloofs voort te planten. De Dordtse Leerregels zijn er om de eenheid des geloofs te bewaren tegen (veelvuldig voorkomende) dwalingen. En de Nederlandse Geloofs Belijdenis is bedoeld om zich aan de wereld te doen kennen. Deze drie Formulieren van Enigheid zijn en blijven voor ons een gezegende nalatenschap.

Zou het niet goed zijn als er ter afwisseling ook eens over de N. G.B. en over de D.L. gepreekt zou worden?

Op zichzelf een goede zaak, want het ene geschrift doet voor het andere niet onder. Ze vullen elkaar aan. Toch houden we ons maar aan de D.K.O., die alleen de catechismusprediking „voorschrijft". En dan blijven er tal van aanknopingspunten met de N.G.B. en de Dordtse Leerregels over. Daar wordt ook herhaaldelijk in de prediking naar verwezen. Ik denk bijvoorbeeld aan de omschrijving van de wedergeboorte zoals die voorkomt in de D.L. (3e en 4e hfdst., art. 12). In Lisse worden op de catechisatie voor 16-19 jarigen trouwens de 37 art. van de Ned. Geloofsbelijdenis behandeld. Zelf geef ik tien winteravonden bijbellezingen, maar sommige ambtsbroeders bespreken op lidmatencatechisaties de N.G.B. of de Vijf Artikelen tegen de Remonstranten. Een hoogst nuttige zaak, want ze dreigen tot onze schade in het vergeetboek te raken.

Hebt u nog een slotopmerking?

’t Is nu zaterdagmiddag, maar ik verlang er naar om morgenmiddag te preken over de tweede bede „Uw Koninkrijk kome". 'k Ben nog vol van het bezoek aan West-Irian. We hebben mogen horen en zien hoe het heil Gods tot aan de einden der aarde reikt. Zegt de Schrift niet: „De eilanden zullen naar Zijn leer wachten? " Ook tot ons komen de laatste boodschappen van de evangeliebazuin. En dan begeer ik van harte dat jong en oud de bede lere: „En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet’.

Dominee, hartelijk dank voor dit vraaggesprek en voor de hartelijke ontvangst. Dat u nog vol was van uw reis, hebben we gemerkt. Alle , jachttrofeeën" hebben we mogen zien. Moge de bede aan het slot vervuld worden èn in Irian èn in Nederland.

G. P. P. Hogendoorn

P. Jansen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 december 1984

Daniel | 32 Pagina's

Ons kostbareer- en troostboek

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 december 1984

Daniel | 32 Pagina's