JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Thomas Chalmers, een sociaal predikant

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Thomas Chalmers, een sociaal predikant

10 minuten leestijd

Het woord socialisme is voor reformatorische christenen een negatief beladen woord. En dat is begrijpelijk. De levens-en wereldbeschouwing van het socialisme is volkomen atheïstisch en materialistisch. Christendom en socialisme sluiten elkaar daarom uit. Bovendien heeft de praktijk van ruim honderd jaar socialisme — en het daarmee verwante kommunisme — de afkeer van deze politieke stroming in christelijke kring alleen maar groter gemaakt. Zo zeer zelfs dat elk sociaal voorstel uit die hoek bijna als vanzelfsprekend met argwaan bekeken wordt. Toch moeten we daarmee uitkijken. Het socialisme mag onbijbels zijn, de Bijbel zelf is wel „sociaal". Denk alleen maar aan de herhaaldelijk voorkomende vermaning in het Oude Testament om goed te zorgen voor de armen, de weduwen, de wezen en de vreemdeling (zie o.a. Deut. 14 : 28 en 29). Ik denk ook aan het volgende:

* Vrijheidsjaar en jubeljaar waren mede bedoeld om te grote verschillen tussen rijk en arm te voorkomen.

* Bedelarij was in Israël niet toegestaan (zie Deut. 15:4).

* Het aren-lezen was een goddelijke instelling: et was verboden datgene dat na eerste oogsting was blijven staan of hangen nogmaals te oogsten. Ook mocht men de hoeken van het land niet helemaal afoogsten (vgl. Lev. 19 : 9 en 10 en Deut. 24 : 19 - 22).

Dat christenen hun sociale roeping in de loop der geschiedenis niet altijd hebben verstaan, is helaas waar. Gelukkig was dat niet altijd zo. Ik denk in 't bijzonder aan de eerste christen-gemeenten en aan de tijd van het Reveil. In dit artikel gaat het over het sociale werk — dat niets anders is dan de dienst der barmhartigheid — van de „vader" van de schotse Afscheiding van 1843, Thomas Chalmers.

De tijd waarin Chalmers leefde

Evenals in ons land was in Schotland in de achttiende eeuw de invloed van de Verlichting en het Rationalisme in de gereformeerde Church of Scotland doorgedrongen. De „verlichte" predikanten werden de „Moderates" (de gematigden) genoemd. Als reaktie daarop was de beweging van de „Evangelicals" ontstaan. Tegenover het min of meer remonstrantse en oppervlakkige christendom van de „Moderates" grepen de „Evangelicals" terug naar wat steeds de kern was geweest van een bijbels-reformatorisch christendom. Tot twee keer toe had het heersende theologische klimaat in Schotland al geleid tot een afscheiding, namelijk in 1731 onder leiding van Ebenezer Erskine en in 1743 onder leiding van Thomas Gillespie. Anderen hadden de strijd binnen de Church of Scotland echter voortgezet.

Zijn levensloop

Thomas Chalmers werd in 1780 geboren. Zijn ouders behoorden tot de „Evangelicals". Dat zette een stempel op zijn opvoeding. Tot zijn jeugdlektuur behoorden de „Pictorial Bible" (een geïllustreerde Bijbel) en „The Pilgrim's Progress" (de Pelgrimsreis). Op elfjarige leeftijd ging' Thomas Chalmers studeren aan het United College in St. Andrews. Deze hogeschool was zoiets als een gymnasium en universiteit tegelijk. Het was Thomas' wens predikant te worden. Behalve theologie studeerde hij ook wis-en natuurkunde en deze studie bekoorde hem steeds meer. Duidelijk bleek hij aanleg voor deze exakte vakken te hebben. De studie bracht hem echter steeds meer in het kamp van de

„Moderates”. Toen hij in 1799 werd toegelaten tot de evangeliebediening, waren z'n preken dan ook meer moraliserend dan zuiver bijbels. Aan een gemeente dacht Chalmers nog niet: hij volgde voorlopig nog kolleges wiskunde, scheikunde en filosofie. Pas in 1802 probeerde hij een eigen gemeente te krijgen. Dat werd Kilmany, een plaatsje vlakbij de universiteitsstad St. Andrews. De keus was niet toevallig. Chalmers aasde namelijk op een hoogleraarschap in één van de exakte vakken, naast z'n predikant-zijn. Hoogleraar werd hij niet, wel assistent van een professor in de wiskunde. Met enthousiasme gaf Chalmers les. Z'n bekendheid als wiskundige begon zelfs te stijgen. In zijn gemeente zag men hem vrijwel alleen op zondag.

Keerpunt in zijn leven

In 1809 werd Chalmers ernstig ziek. Ruim vijf maanden kon hij zijn werk niet vervullen. Dat bracht hem tot nadenken. Hij zag zijn leven in het licht van de eeuwigheid. Sterfgevallen in de familiekring, o.a. een broer en een zus, en het lezen van boeken van Pascal en Vinet droegen bij aan deze verdieping in z'n leven. Chalmers nam zich voor zijn leven te veranderen. Z'n dagboek geeft een duidelijk verslag van deze verandering. Toch was hem nog niet het volle licht opgegaan. Later zou hij zelf zeggen dat hij zich in deze periode bevond op het pad van de werkheiligheid. De diepe betekenis van de rechtvaardiging van een zondaar uit enkel genade verstond hij nog maar ten dele. Dat werkte God in zijn hart toen hij Wilberforce's boek over praktische godsdienst (Practical View of Christianity) las.

Gevolgen voor prediking en kerk

Nu greep hij ook naar Edward Fishers „Merg van het Evangelie" en naar Calvijns Institutie. Had hij eerst de werken van Fisher. Boston en de Erskines links laten liggen, nu verdiepte hij zich daarin. Na het lezen van Fishers boek schrijft hij in z'n dagboek: „Ik gevoel een toenemende vreugde in de volheid en genoegdoening van Christus. O mijn God, breng me nader en nader tot Hem". Zijn preken veranderden. Had hij vroeger slechts enkele uren van voorbereiding nodig, nu werd het onderzoeken van de Bijbel zijn dagelijks werk. Had hij eerst gepreekt over onderwerpen als „de hoffelijkheid" en „het kwaad dat de laster sticht", nu preekte hij over de rijkdom van Christus voor verloren zondaren. Evenals de Erskines legde hij veel nadruk op het aanbod van genade. Hij boog zich dan over de preekstoel heen, vertelde later een van z'n hoorders, om — als 't mogelijk was — ons te bewegen dit aanbod aan te nemen. Door z'n gaven werd Chalmers steeds meer de leider van de „Evangelicals". In 1834 besloot de Synode van de Church of Scotland op zijn voorstel dat voortaan de gemeenten het veto-recht zouden hebben als door het zogenaamde patronaatsrecht de overheid een te beroepen predikant aanwees. De „Moderates" beriepen zich op de rechter en in 1838 stelde het gerechtshof hen in het gelijk. Een jaar later deed het Hogerhuis dat ook. De situatie spitste zich toe. De invloed van de „Evangelicals" nam toe. Eerder afgescheiden predikanten keerden naar de Church of Scotland terug. Er kwam zelfs een opwekking, waaraan vooral de naam van de bekende predikantdichter M'Cheyne, leerling van Chalmers, verbonden is. Uiteindelijk, na een tienjarige strijd vond de Afscheiding (Disruption) plaats. Op 18 mei 1843 ontstond de Free Church of Scotland.

Chalmers’ sociale werk

Na de verandering in zijn geestelijk leven, werd Chalmers een echte pastor. Naast afzonderlijke huisbezoeken belegde hij wijksgewijs bijeenkomsten waar hij een korte bijbelbespreking hield en waar de aanwezigen daarna vragen konden stellen. De jeugd bereikte hij door katechisatie en door een bijzondere bijeenkomst elke zaterdag in de pastorie. Chalmers hechtte veel waarde aan deze persoonlijke omgang met zijn gemeente. Beroemd (maar te weinig nagevolgd) is zijn uitspraak: „A house-going minister creates a churchgoing people". (Een huis-bezoekend predikant geeft een kerk-bezoekende gemeente). In 1815 nam Chalmers een beroep naar Glasgow aan, een stad met een opkomende industrie. Zoals overal bracht de zogenaamde Industriële Revolutie ook in Glasgow veel sociale ellende (erbarmelijke woonomstandigheden, lage lonen en lange werktijden). Deze sociale ellende leidde op haar beurt tot ontwrichting op zedelijk

gebied en toenemende onkerkelijkheid. Chalmers zag zich dan ook voor de vraag gesteld hoe hij deze arbeidersmassa nog kon bereiken met de boodschap van het Evangelie. Allereerst ontplooide hij ook hier een geweldige pastorale zorg. Zijn wijk (parochie) was niet alleen de armste, maar ook de grootste van Glasgow:11.000 zielen telde ze! Voor een predikant een onmogelijke opgave. Vandaar dat Chalmers in de eerste plaats streefde naar vergroting van het aantal predikantsplaatsen en het inschakelen van hulppredikers en catecheten. Prediking ging bij Chalmers voorop. (Zelf had hij bijzondere kanselgaven, maar maakte ook veel werk van zijn preken. Hij schreef ze zelfs van te voren uit).

Chalmers begreep — evenals de zending vandaag — dat de Kerk in gebreke zou blijven als ze niet ook oog had voor de schrijnende materiële noden. Om het leven van de armen goed te leren kennen, offerde hij eens z'n vakantie op en ging enkele weken bij een arbeidersgezin wonen. Al gauw kwam hij tot de konklusie dat het bestaande systeem van armenverzorging totaal gereorganiseerd moest worden. Elke plaats verzorgde in die tijd de eigen armen en behoeftigen. Het geld daarvoor werd voor een groot deel door de Staat verschaft uit de zogenaamde armenbelasting. Twee hoofdbezwaren had Chalmers tegen het bestaande systeem. Allereerst vond hij het onjuist dat de overheid deze belasting verplichtend oplegde. Dat leidde tot vermindering van de vrijwillige giften voor de diakonie en een uitholling van de taak van de diakenen. Bovendien had de staatsbemoeienis geleid tot een automatisme bij de uitdeling. Dat werkte misbruik in de hand, waardoor het systeem onnodig veel geld kostte. Met toestemming van de overheid bracht Chalmers in zijn eigen parochie een heel ander systeem in praktijk. De parochie werd verdeeld in wijken, die elk onder de hoede kwamen van een ouderling en diaken. Het diakonaat met vrijwillige giften van de kerkleden werd in eer hersteld. Alle behoeftigen werden persoonlijk bezocht. Veel nadruk werd gelegd op de persoonlijke verantwoordelijkheid ten aanzien van zaken als spaarzaamheid, arbeidsroeping en ouderplicht. Als er echt hulp nodig was, behoorden allereerst familie, vrienden en buren te helpen. Daarna kwam de kerk en als laatste de overheid. Met name bij rampen en in langdurige gevallen — bijvoorbeeld bij blijvende arbeidsongeschiktheid of krankzinnigheid — was het de taak van de staat om steun te geven. En het resultaat van deze verandering? „In het tijdsverloop van drie jaar en negen maanden, waarin Chalmers de leiding der zaken in handen had, was hetgeen voor de armen moest worden opgebracht tot een vijfde verminderd, terwijl de dronkenschap was afgenomen en het gezinsleven meer bloeide en er daardoor meer mogelijkheden waren voor de doorwerking van het Evangelie”.

Aldus een verslag. Chalmers experiment was uniek in die tijd. Het opkomend ekonomisch liberalisme leidde tot uitbuiting van de arbeiders. Chalmers kwam — op bijbelse grond: een arbeider is zijn loon waard — op voor hun positie. Zo verzette hij zich tegen het verbod van (vak)vereniging en werkstaking.

Lijnen naar nu

Het is Chalmers grote verdienste geweest, dat hij als een van de eersten de sociale problemen van zijn tijd heeft pogen aan te pakken vanuit Bijbelse principes. Zijn talloze geschriften daarover zijn voor velen richtinggevend geweest. Allereerst benadrukte hij de roeping van de kerk. Zij mocht haar diakonale taak niet verwaarlozen. Chalmers had daarbij het hele volk op het oog. Dat was anders dan bijvoorbeeld bij de Erskines. Zij wezen elke overheidsbemoeiing af en daarmee ook overheidssteun. Zij waren geheel aangewezen op eigen giften, maar zorgden dan ook alleen voor de eigen armen. Ongetwijfeld geniet Chalmers' systeem de voorkeur. In een maatschappij met een steeds groter wordende onkerkelijkheid is ze echter vrijwel onmogelijk. Bovendien zag (en ziet) niet elke christen de sociale roeping van de kerk zo duidelijk als Chalmers. Daardoor nam de Overheid steeds meer die zorg op zich en ontstond het hele stelsel van sociale voorzieningen en verzekeringen. Ook nu weer zien we gelijksoortige bezwaren als in de tijd van Chalmers.

Een herbezinning is daarom zeker op zijn plaats. In , , Ons Contact", het , jeugdblad van de SGP", werd in nr. 2 van 1983, getiteld , , Om de sociale zekerheid", een eerste aanzet daartoe gegeven, met name in een artikel van Prof. J. Blaauwendraad. Door de krisis van vandaag zijn de kansen tot herziening groter geworden. De kleine christelijke partijen zouden mijns inziens gezamenlijk met een doordacht alternatief moeten komen. Persoonlijk denk ik dat een systeem met een minimum uitkering de voorkeur verdient. In dit alternatief zal de rol van de overheid bescheidener moeten zijn. Daartegenover zullen christenen hun plicht tot christelijke barmhartigheid (beter) moeten verstaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 november 1984

Daniel | 32 Pagina's

Thomas Chalmers, een sociaal predikant

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 november 1984

Daniel | 32 Pagina's