Sociale zekerheid en Zondag 10
Volksverzekeringen, werknemersverzekeringen, sociale voorzieningen. Die drie bij elkaar noemen we „sociale zekerheid". Je kunt ook over maatschappelijke zekerheid spreken. Als iemand door een bepaald voorval (diep) in de portemonnee moet tasten, springt de maatschappij bij.
Een korte verkenning
Bij de sociale zekerheid rijzen nogal wat vragen. Voor we die stellen, moeten we eerst weten waarover we het precies hebben. De vo//rsverzekeringen zijn geregeld in de Algemene Ouderdoms Wet, de Algemene Weduwen en Wezenwet, de Algemene Kinderbijslagwet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. Iedereen die inkomsten heeft, betaalt daar premie voor. Vandaar vólksverzekering. De werknemersverzekeringen vinden wij in de Wet op de Arbeidsongeschiktheid, de Ziektewet, de Ziekenfondswet en de Werkloosheidswet. De werknemers helpen elkaar door met z'n allen premie te storten en uit die opbrengst een uitkering te geven bij ziekte of werkloosheid. De werkgévers doen trouwens ook een flinke duit in het fonds. Uit belastinginkomsten betaalt de overheid de sociale voorzieningen: Wet Werkloosheidsvoorziening, Algemene Bijstandswet en Wet Sociale Werkvoorziening.
De religieuze vraag
Wanneer moet ik iets betalen en wanneer krijg ik iets terug? Dat is de juridische vraag.
Is de sociale zekerheid goed voor onze ekonomie? Dat is de ekonomische probleemstelling.
Zijn de uitkeringen wel rechtvaardig? Het ethische probleem. Denk aan de minima, 't Belangrijkste is echter de vraag hoe we op grond van Gods Woord tegen de sociale zekerheid moeten aankijken. Dat is de religieuze vraag. Om die vraag gaat het in dit artikel.
Het is een bekend gegeven dat er in onze kringen vanouds grote bezwaren leefden tegen het huidige sociale zekerheidsstelsel. Om iets te proeven van het bezwaar tegen sociale zekerheid, zoals dat in onze kringen werd en wordt gevonden, moet je de verklaring die ds. Kersten schreef bij Zondag 10 eens lezen. Wij lezen in antwoord 29 H.C.: „Dat wij in alles, dat ons nog toekomen kan.... (ziekte, werkloosheid).... een goed toevoorzicht hebben op onze getrouwe God en Vader". Ds. Kersten daarover: „In de toekomst vertrouwend te zijn, is de rijke vrucht van het geloof in Gods voorzienigheid. Doch hoe weinig wordt die vrucht gevonden. Of meent ge, dat het steeds verder om zich heengrijpend verzekeringswezen wat anders zij dan het zich der beschikking Gods onttrekken voor wat de toekomst betreft? ”
De achtergrond
Om deze aanklacht goed te begrijpen, moeten wij ons een verzekeringsloze maatschappij voorstellen, waarin veel armoede heerst. Menig gezin wordt dan echter op het onverwachtst geholpen als een verhoring op het gebed. Men leeft uit Gods hand. Maar er zijn ook andere armen. Zij zijn de uitbuiting goed zat en verzekeren zich tegen allerlei ellende. Ja, de roep wordt gehoord om een overheid die de verzekering zelfs verplicht stelt.
Zo tekenen zich twee leefwijzen af: leven in afhankelijkheid enerzijds, het veilig stellen van de eigen toekomst anderzijds. Kerk en wereld. Daar tussen in bewegen zich — steeds meer — overlopers. Welnu, lees tegen déze achtergrond het citaat uit de catechismusverklaring nog eens. Is het wónder dat de wereldse „uitvinding", verzekering genaamd, ervaren werd als een slag in het heilig aangezicht van die God, Die helpt in nood? Om het principiële bezwaar te verstaan, moeten wij dus de géést (be)proeven, waaruit verzekering voortkwam.
De kerk
Maar er is méér uit de historie te melden. Hoewel mensen uit de kerk individueel de helpende hand hebben uitgestoken, hebben de kerkelijke instellingen nog al eens gefaald. Ook door ds. Kersten is erkend dat de kerk als instituut tekort is geschoten bij het oplossen van het armoedeprobleem. In die zin is de kerk er mede de oorzaak van geweest dat armenzorg een overheidstaak is geworden.
En daar ligt nu het tweede probleem van ds. Kersten. In zijn catechismusverklaring vermaant hij de énkeling, het individu, om zich niet , , der beschikking Gode te onttrekken*'. In zijn S.G.P.-redes vermaant hij de staat, de overheid, omdat deze de taken naar zich toetrok die aan de kérk voorbehouden zijn. Armenzorg moet liefdadigheid zijn. barmhartigheid. De overheid maakt van armenzorg een recht. En dat recht — een uitkering — kon slechts verwezenlijkt worden door alle onderdanen te verplichten aan het systeem mee te doen. Verzekeringsdwang dus. Mede door toedoen van ds. Kersten is overigens een vrijstelling „om des gewetens wil" mogelijk geworden. Het bezwaar van ds. Kersten lag dus hierin, dat sprake was van socialisme ofwel rechtsdenken, in plaats van christendom, ofwel barmhartigheidsdenken.
Wat zegt de Bijbel?
Goed. dat waren de achtergronden. Nu het standpunt nog. Laten wij eerst de Bijbel openslaan. Minstens twee „soorten" schriftgegevens zijn van belang. De teksten die op de enkeling betrekking hebben: de vermaningen en aansporingen om niet bezorgd te zijn, op de Heere te vertrouwen, bekommernis op Hém te werpen. En de teksten die betrekking hebben op, noem het, sociale gerechtigheid, zoals die konkreet ingevuld in de mozaïsche wetten te zien zijn (Ex. 21 en 23; Lev. 25; Deut. 15 en 24).
Als openbaring van Gods wil, vinden wij in die teksten uitgedrukt dat er een waarborg moet zijn voor een „bestaansminimum". Wij belijden dat de overheid Gods dienares is en als zodanig een instrument om de ongebondenheid der mensen te bedwingen. Ook in deze tijd moeten dus wetten uitgevaardigd worden die datgene helpen bewerkstelligen, dat blijkens Gods Woord naar Gods wil is. Het lijkt mij dan ook niet ver gezocht om de sociale zekerheid te beschouwen als een instrument van de overheid om het gebrek te korrigeren, het gebrek namelijk aan gerechtigheid naar bijbelse maatstaven. Dat geldt temeer in een maatschappij waarin de kerk absoluut niet meer bij machte is om datgene te financieren dat wij als een billijke tegemoetkoming aanvaarden. De S.G.P.-voormannen hebben dan ook gezocht naar een stelsel dat tegemoet zou komen aan het „draagt elkanders lasten", zonder een verzekeringselement te bevatten. Volgens dit zgn. omslagstelsel zouden alleen dié mensen een werkloosheidsuitkering of vergoeding voor ziektekosten krijgen, die het echt nodig hebben. De optelsom van al die uitkeringen en vergoedingen zou dan betaald moeten worden door andere burgers. Gelet op de voorziene onbetaalbaarheid van de sociale zekerheid is herbezinning vandaag dringender dan ooit nodig. Mogelijk ligt in het omslagstelsel een goed aanknopingspunt.
Een voorlopige standpuntbepaling
Naar mijn (voorlopige? ) overtuiging hangt de principiële vraag omtrent de sociale zekerheid vooral samen met onze eigen beweegredenen. Is materialisme ons motief? Ervaren wij premiebetaling als een noodzakelijk kwaad dat hopelijk goed gemaakt wordt door te zijner tijd zoveel mogelijk te kunnen „plukken? " In dat geval is — vrees ik — de verzekeringsgeest onze meester geworden.
Beleven wij echter premiebetaling als een bijdrage aan een fonds voor hulpbehoevenden, dan draagt die betaling mijns inziens het karakter van een „moderne tiende". Immers, het verzekeringselement, het zeker willen stellen van de eigen materiële toekomst, is dan geen persoonlijke beleving, laat staan doelstelling meer. Is trouwens, sociale zekerheid voor ons, jongeren niet te vanzelfsprekend geworden om er nog bij na te denken, laat staan om er bij te denken dat wij daarmee „ons der beschikking Gods onttrekken? ”
Wij maken immers niet de overgangsperiode mee. Voor ons is sociale zekerheid een gegeven. Misschien ervaart een door haar overspelige man verlaten vrouw, aangewezen op de bijstand, zo'n sociale voorziening nu evenzeer als een „beschikking Gods" als destijds onze vrome voorouders de armoede waarin zij geraakten!
Overigens zie ik genoeg bezwaren in de sociale zekerheid. Die laat ik echter onbesproken, omdat het in dit artikel ging om gevve/ctt.s'bezwaren in samenhang met Zondag 10.
Samenvatting
Het hangt van onze bedoeling bij deelname aan de sociale zekerheid af of wij ons schuldig maken aan overtreding van de „weest-niet-bezorgd" teksten, of dat wij ons juist voegen naar de „sociale-gerechtigheidsteksten". Ook met betrekking tot oudtestamentische sociale gerechtigheid lezen wij dat de Heere niet de afdracht, maar het hart aanzag.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 november 1984
Daniel | 32 Pagina's