De eenzijdige barmhartigheid van God
1 Koningen 18: 1 en 2
En het gebeurde na vele dagen dat het Woord des Heeren geschiedde tot Elia, in het derde jaar, zeggende: a heen, vertoon u aan Achab; want Ik zal regen geven op de aardbodem. En Elia ging heen om zich aan Achab te vertonen. En de honger was sterk in Samaria. 1 Kon. 18 : 1 en 2
We weten niet hoe lang Elia precies geweest is bij de weduwe te Zarfath. We lezen in het Nieuwe Testament bij de apostel Jakobus, dat het oordeel van de droogte drie jaar en zes maanden heeft geduurd. Hier in het eerste vers wordt gesproken over het derde jaar. Waarschijnlijk is Elia ongeveer zes maanden tot één jaar bij de beek Krith geweest en ongeveer tweeëneenhalf tot drie jaar te Zarfath. Dus een lange tijd. Na vele dagen, zo staat er dan ook in vers één. Maar dan komt het woord des Heeren weer tot Elia: Ga heen, vertoon u aan Achab; want Ik zal regen geven op de aardbodem. Dus de Heere zal het oordeel opheffen. Er was immers een dubbel oordeel: het regende niet, maar bovenal was in Elia het levende woord uit Israël weggenomen. Maar nu zal het oordeel worden weggenomen: er komt regen, maar bovenal zal het levende woord terugkeren naar Israël.
De oordelen zelf brengen een volk niet terug
Wat een neerbuigende goedheid Gods. Wat een eenzijdig ontfermen. Op dat eenzijdige valt hier alle nadruk. Want nergens lezen we, dat Achab of Israël tot inkeer zijn gekomen. Integendeel: Achab doet alles om die gehate Elia in handen te krijgen; Izebel vervolgt de profeten; het volk buigt als tevoren voor de Baals en de Astartes. Daarom is het hier ontferming van één kant. Natuurlijk, we zullen later horen van die zevenduizend; zij zullen hebben geweend, geworsteld en gezucht. Maar als geheel gingen koning en volk door op de weg der zonde, ondanks alle oordelen. Hier is te zien, dat de oordelen op zichzelf er ons niet brengen. Een mens kan nog zulke slagen ontvangen, maar op zichzelf brengen die ons nog niet aan de voeten des Heeren. Alleen als God er in meekomt. Maar nergens lezen we dat zulks bij Israël het geval was. Integendeel! Dus hier is sprake van eenzijdig ontfermen. De Heere vond in dat afgodische volk letterlijk niets. Alles komt hier van één kant, van Gods kant.
Eenzijdige barmhartigheid van God
Zo is het altijd met de barmhartigheden Gods. In de mens is nooit iets te vinden. Het zijn eenzijdige barmhartigheden. De Heere vraagt naar mensen, die naar Hem niet vragen. De Heere is altijd de Eerste: in Zijn opzoekende liefde; in het werk der bekering; in de oefeningen van het geloof. In het leven van Gods kinderen is de Heere altijd weer de Eerste. Is dat in jullie leven al een wonder geworden? Dan gaat er eerst wel een grote streep door al het onze. De Heere heeft van ons niets nodig. Hij kan van ons niets gebruiken. Anders zou genade geen genade meer zijn. Er zijn mensen, die zeggen: als ik eerst maar eens berouw had, als ik eerst maar eens verbroken was, dan zou de Heere wel op mij neerzien. Maar zo zijn we bezig, vaak zonder er erg in te hebben, genade en werk te vermengen. Alsof de Heere afhankelijk zou zijn van óns berouw. Als de Heere eerst moest wachten op ónze tranen, op ónze verbrokenheid, dan zou het een verloren zaak zijn. Maar het werk Gods is een eenzijdig werk. Alles komt van boven, ook dat berouw, ook die verbrokenheid. Daarom kan het. Omdat de eenzijdige barmhartigheid Gods dwars door onze hardheid en onze verbrokenheid heenbreekt, daarom kunnen zondaren zalig worden.
De Heere zegt hier: Ik zal regen geven. Dat is nu eenzijdig ontfermen. Want de Heere vond in Israël niets. Wat is de
diepste oorzaak van dat eenzijdig ontfermen? De Heere kan van Zijn volk niet meer af. Israël was het verbondsvolk. De Heere was Zijn Woord aan Zijn volk kwijt. Hij had Zijn eer verbonden aan de verlossing van Zijn volk. Uit het volk des Verbonds zal Christus voortkomen. Daarom wordt het oordeel opgeschort. Daarom keert het levende woord naar Israël terug. Daar ligt de diepte in het ontfermen Gods. Israël is een type van het geestelijk Israël, dat is de kerk van alle tijden. De Heere kan van Zijn kerk nooit meer af. Waarom niet? Hij heeft haar verkoren uit eeuwige liefde. Hij heeft haar gegeven aan Christus. En Christus heeft haar gekocht met Zijn bloed. En zij wordt geheiligd door de Geest. De eer van God is verbonden aan de zaligheid van Zijn kerk. Hij is Zijn woord aan Zijn volk kwijt. Zijn gemeente wordt gedragen in de voorbede van Christus. De Heere kan nooit meer van Zijn kinderen af. Gods kind kan diep vallen. Kan heel ver weg dwalen. Maar wat Gods volk niet kan? Uit de liefde Gods vallen! Uit de doorboorde handen van Christus vallen. Uit het genadeverbond vallen. Dat is onmogelijk. Dit alles betekent natuurlijk geen vrijbrief om te zondigen, maar het zal wel leiden tot eeuwige verwondering voor de gemeente Gods.
Elia buigt wéér voor Gods leiding
Zo komt in vers één de boodschap van Gods eenzijdig ontfermen over Israël tot Elia. Met kracht en heerschappij. En waar de Heere zó spreekt, moeten wij buigen. Elia buigt eronder. Hij had gebeden om het oordeel, zo was hij aan Gods kant terechtgekomen. Maar nu de Heere het oordeel gaat opheffen, zegt hij niet: Laat het oordeel nog voortduren, want Israël buigt nog steeds voor de afgoden. Nee, hij mag weer buigen. Maar het betekent wel, dat hij de strijd in moet. Zijn vlees had wel in Zarfath willen blijven: het was daar zo goed! Maar Elia heeft zichzelf over voor de strijd. Wij ook? Het wil vandaag ook heel wat zeggen zich over te hebben voor de smaad van Christus en voor de strijd! Daar is Gods kind lang niet altijd. Gods kinderen lijken zo veel op de slaperige bruid op het bed van zorgeloosheid (Hooglied 5). Wat is de Kerk vaak vadsig en lui. Wat is er weinig van de geest van Elia, die onvoorwaardelijk valt aan Gods kant. Dit is zeker: als genade heerschappij heeft in het hart, krijgen we onszelf onvoorwaardelijk over voor de strijd en de smaad van Christus. Ten diepste is dit alleen vrucht van het werk van Christus. De Borg had Zichzelf over voor de strijd en de hel. En als een mens zich voor de eer en de smaad des Heeren over krijgt, is dat alleen omdat hij bediend wordt uit Christus.
Afscheid in Zarfath
Elia moet de strijd weer in. Op weg naar de frontlinie. Straks zal op de Karmel het geding worden beslist tussen Baal en Jehovah. En Elia zal midden in die botsing staan. Maar hij heeft zichzelf ervoor over. Gezegende plaats! Maar dat wordt ondertussen wel afscheid nemen in Zarfath. Er waren daar banden gevallen door de Heere Zelf gelegd. Dat zijn banden, die wel kunnen rekken, maar nooit breken. Het zal een moeilijk afscheid zijn geweest daar in Zarfath. Zij zullen elkaar op aarde wel niet meer hebben teruggezien. Maar het is toch geen afscheid voorgoed geweest. Gods kinderen nemen nooit voorgoed afscheid van elkaar. Zij kunnen altijd zeggen: Tot ziens! Is het hier niet, dan boven.
Voor die weduwe van Zarfath is dit alles ook weer een les geweest. Zij moet afscheid nemen van Elia. Elia was het middel geweest, waardoor zij in leven was gebleven, waardoor zij aan God verbonden was. Iemand, die in ons leven het middel Gods was, wat kunnen we ons daaraan hechten. Zo zelfs, dat we er heimelijk op gaan steunen. En dan neemt God het middel wel eens weg, opdat we alleen op de Heere zouden worden geworpen. Zo heeft God het middel uit het leven van deze vrouw weggenomen, maar ze heeft God overgehouden. En als Elia er straks niet meer is, dan mag deze vrouw toch ervaren: Gij evenwel, Gij blijft Dezelfd' o Heer! Als mensen wegvallen is dat het ergste niet, als we de Heere maar mogen overhouden.
Gespreksvragen
1. In het eenzijdige van het werk Gods ligt de ruimte en de mogelijkheid van zaligworden. Begrijp je dat?
2. Het spreekwoord zegt: nood leert bidden. Is dat waar?
3. Wat betekent het, dat het welbehagen Gods de bron van de zaligheid is?
4. Noem voorbeelden uit de Bijbel van kinderen Gods, die zichzelf overhadden voor de strijd en de smaad van Christus? En ook voorbeelden van mensen, die zich daar niet voor overgehad hebben?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1984
Daniel | 32 Pagina's