LAAT MIJ GAAN
Aan het eind van de ochtend gaat Saboen de poli-ruimte schoonmaken. De vloer is erg vies. Geen wonder, het regende vanmorgen een beetje en er liepen zoveel natte vieze voeten in en uit. , , De ramen moet ik ook een beurtje geven", denkt Saboen. Terwijl hij de ramen bekijkt, ziet Saboen opeens iemand aankomen. Wat? Ziet hij dat wel goed? Komt daar Engdie aan? Zijn oude vriend van vroeger?
Engdie woont in een ander dorp, een dorp dat vijandig staat tegenover de komst van de blanken.
Saboen holt naar buiten. De twee jongens omarmen elkaar een lange tijd als teken van vriendschap. En dan hoort Saboen waarom Engdie gekomen is. „Saboen, help me toch. Mijn vader is zo ziek. Jij weet veel van ziekten, dat weet ik. Geef me wat medicijnen mee. Ik geef het dan stilletjes in wat water aan vader”.
Saboen hoort eerst nauwkeurig aan wat Engdie over zijn zieke vader vertelt. „Nee Engdi" zegt hij na lang luisteren. „Ik kan je geen medicijnen meegeven. Ik denk, dat ik weet wat je vader heeft. Hij heeft een injektie nodig. Als jij weer teruggaat naar je dorp, komen de zuster en ik achter jou aan. Als we welkom zijn, kunnen we helpen, anders niet”.
Engdie vertrekt weer. Saboen bespreekt alles uitgebreid met de zuster. Wat is het toch fijn dat Saboen zo goed indonesisch leerde in het grote ziekenhuis. Die taal kent de zuster ook goed. Wat nog moeilijk verloopt in de inheemse taal kan ze nu op deze manier zeggen.
De zuster wil mee. Alles wordt klaar gemaakt. Het is een looptocht van een paar uur. Engdie zien ze niet meer, die is vooruit gesneld.
Dan komen ze aan bij het dorp van Engdie. Hoe zal het zijn? De spanning duurt niet lang. Wanneer ze dicht bij de omheining komen, hoort Saboen al stemmen van mannen. Saboen wordt snel herkend. Onvriendelijke woorden worden hem toegeschreeuwd. Sommige mannen hebben hun pijl en boog al in de aanslag. Welkom? O nee, ze worden als vijanden begroet.
„Kom zuster, direkt terug" zegt Saboen. „Zo kunnen we niets beginnen. Gaan we toch het dorp in, dan krijgen we zeker een Pijl”.
De twee keren weerom. „Moet het echt zo? ", denkt de zuster nog even. Maar ze luistert naar Saboen. Hij kent zijn eigen volk. De twee zijn nog maar een eindje op de terugweg of daar komt Engdie weer aan. Helpen? Nee, dat kan niet op deze manier. „Je vader zal met een paar dagen sterven Engdie". We bidden voor hem en voor jou, meer kunnen we nu niet doen. Zeg je familie maar dat wij goede medicijnen hebben. Zij moeten maar beslissen of de zuster je vader mag helpen of niet. Engdie begrijpt dat er geen andere oplossing is. De goede medicijnen kan hij zijn vader niet geven. Hij keert verdrietig terug. De zuster is ook verdrietig, ook al komen ze weer veilig bij hun dorp. Saboen merkt het wel. Ze kan, maar mag de zieke nu niet helpen. O, wat vindt ze dat moeilijk! „Zuster, ga je even mee naar mijn groentetuin? vraagt Saboen dan. „Je zult blij worden als je mijn prachtige planten ziet. Over een paar dagen breng ik je misschien al een paar grote zoete aardappelen uit mijn eigen tuin”.
Ze nemen de kortste weg naar de tuin. Die gaat over een hangbrug. „Loop niet te snel" zegt Saboen nog, als ze samen achter elkaar de smalle hangbrug, die over een prachtige rivier loopt, opgaan. De zuster struikelt even. „Au" roept ze, maar ze is weer snel op de been. Wel voelt ze haar voet pijn doen, maar dat laat ze niet merken.
In de tuin is het prachtig. Saboen laat trots zijn mooie planten zien. Wat suikerriet kan er mee naar huis, lekker fris voor onderweg.
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1984
Daniel | 32 Pagina's