EUTHANASIE
Dat in ons land de voorstanders van euthanasie uit alle macht proberen hun (nog) bij de wet verboden ideeën door te drijven, blijkt wel uit de praktijk: artsen, die openlijk hebben toegegeven iemand die aan een ongeneeslijke ziekte leed te hebben „geholpen" aan een „zachte dood", werden door de rechter niet gestraft. Om de verantwoording niet meer op de arts te laten drukken schijnt er in bepaalde kringen behoefte te bestaan aan een wet waarin deze goddeloze zaak geregeld wordt. Het is nu zo ver dat een Staatscommissie Euthanasie is ingesteld, bestaande uit wetenschappelijk gevormde dames en heren. Om zich zo breed mogelijk te oriënteren over de in ons land heersende meningen heeft deze kommissie een vragenformulier opgesteld. Vóór 1 juni j.1. kon dat ingevuld en teruggestuurd worden. Ook ons bondsbestuur heeft gereageerd.
Vragenformulier Staatscommissie Euthanasie
We moesten ingaan op een aantal door de kommissie aangegeven uitgangspunten en kernnotities. Enkele daarvan luidden:
A. Onderstaand wordt een aantal gehanteerde en denkbare voorwaarden voor toelaatbaar doden op verzoek en hulp bij zelfdoding genoemd. Welke van deze voorwaarden dienen naar uw mening gesteld te worden?
1. Het moet gaan om een patiënt die door ziekte of ongeval ongeneeslijk ziek is of die medisch als ongeneeslijk is aan te merken.
2. De patiënt dient in de stervensfase te verkeren.
3. Het lichamelijk of geestelijk lijden moet (subjektief) door de persoon zelf als ondraaglijk of ernstig worden ervaren.
4. De betrokkene moet vrijwillig te kennen hebben gegeven het leven te willen beëindigen, in elk geval uit zijn lijden te worden verlost.
B. In de praktijk komt het voor dat de betreffende persoon zijn wil niet kan bepalen/uiten (pasgeborene, minderjarige, zwakzinnige, demente bejaarde). Vindt u dat in dergelijke situaties een ander dan de persoon in kwestie kan beslissen over het beëindigen van het leven? Dat wil zeggen dat „doden op verzoek" wordt vervangen door „doden in het belang van”.
Op de vragen onder A (dit zijn slechts enkele punten die de staatscommissie noemde) hebben we geantwoord: In gehoorzaamheid aan Gods gebod: „Gij zult niet doden" wijzen wij ook het doden op verzoek af. Wij kunnen daar dus geen voorwaarden aan stellen. Ons antwoord op vraag B was: Deze vraagstelling vervult ons met grote zorg.
De hier genoemde personen (een pasgeborene, mindeijarige, zwakzinnige, demente bejaarde), die hun wil niet kenbaar kunnen maken, hebben juist bescherming nodig! Wij vinden het daarom ontoelaatbaar dat anderen „in hun belang" over hun leven zouden beslissen. Hoe zou dat belang moeten worden bepaald?
Een met gezondheid en goed verstand begiftigd mens — die deze gaven van zijn Schepper ontving — heeft niet het recht te oordelen over de waarde van het leven van iemand die minder bedeeld zou zijn dan hij.
Hoorzitting euthanasie
Tegelijk met het insturen van deze reaktie kon men zich opgeven voor een hoorzitting, waarbij de standpunten nog eens mondeling konden worden toegelicht.
Op 19 juni j.1. trokken drie bestuursleden, de dames Crum, Uijl en Van der Spek, met twee adviseurs, ds. P. Honkoop en drs. M. J. van Lieburg naar Den Haag. We moeten zijn in het gebouw van het Ministerie van Justitie, waar we 20 minuten „gehoord" zullen worden. In de gang ontmoeten we al een paar leden van „De Christenvrouw", en als we even gewacht hebben komen onze Deputaten bij de Hoge Overheid naar „buiten". Ds. Paul vertelt vlug enkele ervaringen en wenst ons 's Heeren nabijheid toe als wij naar „binnen" gaan. Er zitten zeven dames en heren op een rij op een podium, elk met een microfoon voor zich. Wij
nemen tegenover hen in de zaal plaats. De voorzitter, prof. dr. Leenen, heet ons welkom en vraagt wie hij het woord mag geven.
Wij zijn verontrust
Mevrouw Crum vertelt wie we zijn en namens wie ze spreekt. „De reden van deze hoorzitting is beangstigend, omdat het gaat over euthanasie. Het doel van onze komst is onze grote verontrusting kenbaar te maken over de ontwikkelingen op het terrein van de gezondheidszorg, die er eerst toe geleid hebben dat de abortuswet werd aangenomen en die ook oorzaak zijn van de instelling van uw kommissie. ( ) Het aanvaarden van euthanasie vervult ons met grote zorg voor de toekomst van ons volk, ook ten aanzien van onze jeugd, die steeds gemakkelijker zal gaan denken over begin en einde van het leven. Naar onze vaste overtuiging bevinden wij ons op een hellend vlak. Er ontstaat een steeds grotere kloof tussen christenen die vast willen houden aan de norm van Gods Woord en hen die de mens het recht toekennen zelf de normen voor hun leven vast te stellen. ( ) Daarom is onze bede: „O, God, breng ons weder, en laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden”.
Ook mevrouw Uijl krijgt gelegenheid tot spreken. „Waarom", zo vraagt zij, „is het punt van euthanasie voor veel artsen een moeilijk vraagstuk? In de verklaring van de wereldartsenorganisatie van 1948 te Genève hebben artsen plechtig en op hun woord van eer beloofd: „Ik zal absolute eerbied bewaren voor het menselijk leven vanaf de bevruchting. Zelfs onder bedreiging zal ik mijn medische kennis niet aanwenden". God, die boven alles staat, is het die het leven geeft en neemt. Van hieruit gezien is er geen enkele ruimte voor welke vorm van euthanasie. Hoort euthanasie wel onder medisch handelen? In het werk van een arts staat centraal: het leven bevorderen. Als hij zich inzet voor het leven van een patiënt, kan hij zich toch niet gelijk inzetten voor de dood van een patiënt? In de gezondheidszorg beschikken we over een enorme kennis en techniek, maar ditbeteket niet dat we nu als mens maar eigenmachtig mogen gaan handelen, en het leven van mensen mogen verkorten of verlengen. Een arts moet iemand blijven die je kunt vertrouwen, ongeacht zijn levensovertuiging. Wanneer de rechter zich houdt aan de letter van de bestaande wet zal er voor de arts geen probleem ontstaan. Door de wijze van rechtsspraak is de tegenwoordige situatie ontstaan. Er is door uitspraken die afwijken van de bestaande wetsartikelen grote rechtsonzekerheid geschapen”.
Mevrouw Uijl eindigt met de vraag of de kommissieleden er begrip voor kunnen opbrengen dat wij verontrust zijn.
Prof. Leenen zegt dat onze zorg te begrijpen is.
Vragen van de kommissieleden
Mevrouw mr. Lensink vraagt: „Denkt u dat de problemen voor de arts kleiner worden wanneer er gëen wettelijke regeling komt? Die worden juist groter!”
„Dat komt omdat we spreken vanuit verschillende achtergronden".
Dit geeft mevrouw Lensink dan ook toe.
Prof. Leenen: „Al komt er een nieuwe wet dan heeft de patiënt toch nog het recht om euthanasie te weigeren? ”
Nu worden we gesteund door onze adviseurs.
„U gaat uit van het zelfbeschikkingsrecht van de mens. Dit is echter gebonden aan Gods Woord. Het beslissen over leven en dood valt hier buiten. Daar beschikt God over". Tot onze verbazing blijkt de ons toebedeelde tijd al weer voorbij te zijn. De voorzitter merkt nog op dat een groot aantal organisaties met „gelijke overtuiging als de uwe" deze dagen hun stem hebben laten horen. Dan kunnen we weer gaan. Er wordt geen gelegenheid meer gegeven tot een slotopmerking van onze kant.
Na de hoorzitting
Op de gang staan de afgevaardigden van de Christelijke Geref. Vrouwenbond op hun beurt te wachten. Samen met prof. Velema mogen zij nu hun standpunt toe gaan lichten.
Ds. Paul heeft ook op ons gewacht. „Hoe ging het? " Een gevoel van onbehagen konden wij niet onderdrukken: men luisterde goed, men was zeer beleefd, het ging allemaal uiterst korrekt, maar toch.... men gaat door. Je voelt het.... die wet komt er. Een wet waarin het kwaad van de euthanasie geregeld zal worden om uitwassen binnen de perken te houden! We mogen echter niet werkeloos toezien; het gaat van kwaad tot erger.
Ds. Honkoop en ds. Paul vertrekken gezamenlijk naar Rotterdam waar het Curatorium vergadert. Wij lopen terug naar het Centraal Station, waar we in de restauratie nog meer bekenden ontmoeten: delegaties van de Hervormde Vrouwenbond, van de Gereformeerde Bond en van de V.B.O.K., die 's middags hun bezwaren aan de Staatscommissie kenbaar zullen maken. Ook afgevaardigden van de Vereniging Gehandicaptenzorg worden dan gehoord.
De leden van de Staatscommissie Euthanasie hebben op verschillende manieren gehoord hoe binnen de Gereformeerde Gezindte op grond van Gods Woord over euthanasie wordt gedacht. Wij hebben het heel eenvoudig gezegd, onze deputaten bij de Hoge Overheid deden het theologisch goed onderbouwd en anderen wellicht meer wetenschappelijk en medisch gefundeerd. Wij hopen dat de kommissieleden iets zullen hebben aangevoeld van wat ons allen heeft bewogen naar de hoorzitting te gaan. We moeten ook bidden en vragen of de Heere wil zegenen wat is gezegd, zodat er nog rekening gehouden zal worden met Zijn Woord. Hij kan het kwaad nog verhoeden. „Ik vermaan dan vóór alle dingen, dat gedaan worden smekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle mensen, voor koningen en allen die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid" (1 Timotheüs 2 : 1 en 2).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1984
Daniel | 32 Pagina's