Willem van Oranje en Petrus Datheen
een historische tegenstelling en een aktuele spanningsverhouding
Willem van Oranje, de vader des vaderlands, de nationale held, de stichter van onze staat.... hij is bekend genoeg. En wie zijn of haar kennis wil opfrissen, kan dit jaar bij de herdenking van zijn sterfjaar voldoende gemakkelijk toegankelijke informatiebronnen vinden. En dan Datheen: de man van de oude psalmberijming, de vertaler van de Heidelberger Catechismus, een vooraanstaand theoloog!
Korte levensbeschrijving
Oranje en Datheen waren tijdgenoten. Vergelijk maar de jaartallen:1533-1584 - en 1531 - 1588. Een tijd lang werkten zij aan hetzelfde doel: e bevrijding van de Nederlanden, maar reeds voor de dood scheiding kon maken, hadden diepgaande meningsverschillen voor een gevoelige verwijdering gezorgd.
Er is sprake van een heel verschillende levensloop. Willem van Oranje was afkomstig uit een adellijk geslacht en hij werd opgevoed aan het hof van Karei V. Petrus Datheen was een burgerzoon, die werd voorbestemd voor een geestelijk ambt en in het klooster van Yperen zijn vroege jeugdjaren doorbracht. Een staatsman en een theoloog.... deze verschillende bestemming lag al min of meer in de jeugd besloten. Toen Oranje nog volop verkeerde in een roomse omgeving, was Datheen al een overtuigd calvinist geworden. En waar Oranje nog samen met overtuigde roomskatholieke edelen, als Egmond en Hoorne, samenwerkte in de bestrijding van de spaanse absolute vorstenmacht, daar maakte Datheen al volop kennis met de roomse inquisitie, die geloofsgenoten van hem op de brandstapel bracht. Een tijd lang liepen beide levens weliswaar als vluchtelingen in het buitenland parallel, maar het levenseind was toch wel weer erg verschillend: Oranje stervend in het midden van het volk waarmee hij zich verbonden had, Datheen min of meer vergeten in een vreemde omgeving!
Een tijd van samenwerking
Wat bracht deze zo verschillende personen samen? Of kunnen we beter zeggen: Wie? Onder Gods voorzienigheid mochten Oranje en Datheen een tijd lang samenwerken, werken aan de zaak van de bevrijding van de Nederlanden. De Prins zocht als balling vooral steun voor „zijn" strijd bij de lutheranen in Duitsland. Hij keerde zelf ook terug tot het geloof van zijn kindeijaren en ging over tot het lutheranisme. Alleen uit politiek belang? Er zijn voldoende aanwijzingen dat Oranje ook zijn innerlijke levensovertuiging een ontwikkeling heeft doorgemaakt, die hem maakte tot een overtuigd protestant en hem zelfs steeds dichter bracht bij het calvinisme. De gereformeerde vluchtelingengemeenten sloten zich steeds dichter aan bij Willem van Oranje en steunden zijn militaire invallen in de Nederlanden. De eerste kontakte liepen echter vooral via Lodewijk, die eerder dan zijn broer Willem tot het calvinisme overging. Een van de belangrijkste woordvoerders van de vluchtelingengemeenten was Petrus Datheen, een van de predikanten van Heidelberg. Het was dan ook niet zo verwonderlijk dat hij opdook als veldprediker in het leger van Lodewijk, zowel bij de inval in Groningen in 1568 als bij de slag op de Mookerheide in 1574. In 1570 ontmoette Datheen voor de eerste maal Willem van Oranje zelf. Hij zocht toen als afgevaardigde van de vluchtelingengemeente van Emden officieel kontakt met de Prins om te onderzoeken welke mogelijkheden tot samenwerking tegen Alva er waren. Bij dat eerste kontakt bleef het niet. Toen in 1572, na de verovering van Den Briel, eindelijk verscheidene steden in opstand kwamen, stuurde Oranje Datheen naar Holland om als zijn „raad en
kommissaris" in godsdienstige aangelegenheden orde op zaken te stellen.
Dat was een kolfje naar Datheens hand: hij organiseerde het calvinistische gemeenteleven voor de teruggekeerde vluchtelingen. De Prins vertrouwde hem ten volle en zag hem als raadsman van hem en zijn broers Jan en Lodewijk van Nassau. In 1573 ging Willem van Oranje openlijk tot de gereformeerde religie over. Een vruchtbare samenwerking tussen Oranje en Datheen leek ook naar de toekomst toe voor de hand te liggen. Het heeft niet zo mogen zijn.
De scheiding der geesten
Het is de Pacificatie van Gent in 1576 die leidde tot een scheiding tussen beide strijders voor bevrijding van de spaanse tirannie. Twee strijddoelen: de vrijheid om God te mogen dienen naar Zijn Woord en handhaving van de eens geschonken politieke vrijheden en rechten, liepen enige tijd parallel. Na de spaanse furie in Antwerpen zag Willem van Oranje kans het overwegend roomse Zuide te winnen voor de strijd tegen Spanje. Een politiek ideaal van vereniging van alle Gewesten, werd tijdelijk werkelijkheid in deze Pacificatie, waarin men beloofde gezamenlijk de spaanse soldaten te veijagen. Rooms en protestant zouden elkaar op het punt van de godsdienst moeten gaan verdragen. Zo kon ook Datheen terugkeren naar zijn geboortestreek. Hij dook dan ook op in Gent, waar een calvinistische minderheid van de bevolking niet alleen eindelijk opgelucht kon ademhalen, maar kans zag de rollen volledig om te draaien. De kerken werden van beelden gezuiverd en allemaal in gebruik genomen voor de gereformeerde eredienst De roomsen werd geen kerkgebouw meer overgelaten.
Datheen en andere calvinisten hadden twee belangrijke bezwaren tegen de politiek van Willem van Oranje in deze tijd: het zoeken van aansluiting bij Frankrijk en de zogenaamde godsdienstvrede. Oranje was van mening dat de strijd tegen het machtige Spanje nooit zonder buitenlandse hulp tot een goed einde kon worden gebracht. Onverzettelijke calvinisten verweten hem daarentegen dat hij „vlees tot zijn arm stelde" en meer op God moest vertrouwen. Voor iemand als Datheen gold echter vooral als bezwaar dat de buitenlandse hulp werd gezocht bij het roomse Frankrijk en het hof dat nog slechts zo kort geleden mede-verantwoordelijk was voor de Bartholomeüsnacht. Men vertrouwde Anjou allerminst in het calvinistische kamp en — naar later bleek — terecht! Datheen verzette zich ook fel tegen de godsdienstvrede die in de Pacificatie van Gent was vastgelegd. In feite kwam deze godsdienstvrede er op neer dat in het roomse zuiden de rooms-katholieke godsdienst de overheersende zou blijven. Wel werd een einde gemaakt aan de geloofsvervolging. Een politiek kompromis, dat voor Datheen onaanvaardbaar was. Datheen kon geen genoegen nemen met een ondergeschikte positie van de gereformeerde religie, zelfs niet met een gelijkwaardige plaats. Met artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis zag hij als taak van de overheid de ware godsdienst te bevorderen „en uit te roeien en te weren alle valse godsdienst".
Het theokratisch ideaal en de politieke werkelijkheid
In zijn verzet tegen de politiek van Willem van Oranje vertolkte Datheen een gereformeerd theokratisch ideaal. De vraag of hij daarbij voldoende oog had voor de politieke werkelijkheid — een kant waarvoor Oranje uiteraard alle aandacht had —, laten we nog even buiten beschouwing. Maar was de wijze waarop hij de theokratische opdracht uitdroeg en er mede gestalte aan gaf boven alle gerechtvaardigde kritiek verheven? Ik meen dat hij uitgleed op twee punten: in zijn aansluiten bij Hembyze en in zijn afgeven op Oranje. Hembyze heeft als „calvinistisch" volksleider in Gent min of meer een staatsgr ep gepleegd. Hij zette de wettige overheid a? n de kant en heeft zich zelfs met militair geweld verzet tegen de hogere overheid van Staten-Generaal en Willem van Oranje. Datheen heeft zich door deze revolutionair, die zeker door geen onbaatzuchtige motieven werd gedreven, laten meeslepen en meegewerkt aan een politieke aktie die nooit mag worden goedgepraat. Daarmee was hij zelf weliswaar nog geen echte revolutionair geworden, maar laadde hij toch wel de schijn op zich. Maakte hij als geestelijk leider bij zijn strijd voor de vestiging van een theokratisch Genève niet gebruik van „ongeestelijke" middelen? En verviel hij daardoor niet in dezelfde fout als Oranje die in het zoeken naar buitenlandse hulp „vlees tot zijn arm stelde? " Ook de wijze waarop Datheen zich tegen Oranje en diens godsdienstpolitiek afzette, is ver van fraai. Van meerdere kanten bereikte Willem van Oranje het bericht dat Datheen openlijk van de kansel af had verklaard „dat de Prins van Oranje de Religie achtede en zoo
licht veranderde als een omhangsel van een kleedt; dat hy nog om Godt, nog om Religie gaf, maar van staet, en nut, zynen afgodt maekte, zoo dat indien hy wiste, ofte dagte, dat zyn hemde iet van Religie wiste, ofte rieken zoude, dat hy 't zelve zoude uittrekken, ende in 't vier werpen, ende verbranden". De Prins reageerde woedend op wat hem ter ore kwam. Later zou Datheen zich als gedaagde op de synode van Middelburg in 1581 per brief vanuit Duitsland, voor deze en andere beschuldigingen van aantijgingen aan het adres van Willem van Oranje moeten verantwoorden. Hij ontkende de Prins ooit voor een godloochenaar te hebben uitgemaakt, al moest hij wel toegeven dat hij in het vuur van zijn rede wel eens meer had gezegd dan hij kon verantwoorden. Helaas, ook ten aanzien van Datheens uitvaren tegen Oranje zal wel moeten gelden: „Er is geen rook zonder vuur". De breuk tussen Oranje en Datheen was een zichtbaar feit geworden en kon — ondanks verscheidene verzoeningspogingen — niet meer worden geheeld. Een verschil in inzicht leidde tot een persoonlijke verwijdering. Met andere woorden het was uiteindelijk een scheiding der geesten.
Een aktuele politieke vraagstelling
In het R.D. van maandag 14 mei stond een artikeltje met de volgende kop: Ds. Blenk op Oranjeherdenking „Protestants Nederland": Prins Willem bij 't C.D.A. en S.G.P. in spoor van Datheen.... Drs. C. Blenk zag een duidelijke lijn lopen van het ideaal van verdraagzaamheid dat Oranje huldigde naar het C.D.A. en van het theokratisch ideaal van Datheen naar de S.G.P. In de Oranje-bijlage van het R.D. van 29 mei belichtte dr. H. A.
Hofman de verhouding Oranje-Datheen onder het volgende opschrift Oranje en Datheen: konflikt tussen kompromis en principe. Waar Blenk vooral de nadruk legt op het verschil in ideaal, gaat Hofman meer in op het verschil in benadering: sterk redeneren vanuit het theokratisch principe of meer gericht zijn op het politieke kompromis.
Nu is er uiteraard wel een zeker verband tussen een tolerantie-ideaal en het gemakkelijk sluiten van een politiek kompromis enerzijds en een theokratische opdracht en een principiële politiek anderzijds. We moeten echter niet doen alsof de zaak simpelweg zó ligt: als we maar vasthouden aan een zuiver theokratisch ideaal, dan kunnen we het politieke kompromis wel voorkomen. Zo redeneert wel de groep verontruste S.G.P.-ers van „De Stichting tot Handhaving van de Staatkundig Gereformeerde Beginselen". Het gaat volgens deze groep „niet (om) wat is haalbaar, maar (om) de eis van het beginsel". Met andere woorden men wijst het politieke kompromis van de hand en wil het theokratisch beginsel onverkort
handhaven en — waar dat in de politiek niet te realiseren is — zich beperken tot getuigen. Het is echter zeer de vraag of er ooit een tijd is geweest of zal zijn waarin het theokratisch beginsel onverkort kon of kan gehandhaafd worden. Dat is Calvijn in Genève niet gelukt, Datheen niet in Gent, de gereformeerden in de Republiek ook niet.
Kompromissen zijn onontkoombaar
Het kompromis is gegeven met deze aardse bedeling, met de zondige werkelijkheid. Nu kan men ons tegenwerpen dat we het nooit met de zonde op een akkoordje mogen gooien. Dat is zeker waar! Maar het is ook waar dat een christen aan deze kant van het graf leeft onder de zonde. En die zonde heeft alles doortrokken. Het is geen jasje dat we zo maar even uittrekken, waarna we er van af zijn. Een waarachtig christen kan nooit zeggen dat de zondige werkelijkheid hem niet aangaat, maar hij strijdt wel tegen de zonde en zucht onder „het lichaam der zonde en des doods". Daarom blijft hij zich toch mede-verantwoordelijk weten voor deze zondige werkelijkheid, ook in de praktische politiek. Hij wénst geen kompromis te sluiten, maar ontkomt hier op aarde nooit aan het kompromis. Ook een partij als de S.G.P. ontkomt daar niet aan, zeker niet als ze geroepen zou worden regeringsverantwoordelijkheid te dragen. Het C.D.A. kunnen we dus moeilijk verwijten dat ze kompromissen sluit, maar wel hóe ze dat doet. Deze partij sluit te gemakkelijk een kompromis. Wanneer blijkt nog eens dat ze zich tot het uiterste verzet tegen bepaalde ontwikkelingen? Er zijn ook grenzen aan de zaken waarin een kompromis mag worden gesloten. Mag men bijvoorbeeld ooit medeverantwoordelijkheid dragen voor het doden van ongeboren leven, zoals het C.D.A. meende te mogen doen?
Wellicht had Datheen onvoldoende oog voor de noodzaak van het politieke kompromis, om Noord en Zuid te verenigen in de strijd tegen Spanje. Concessies op het gebied van de godsdienst waren voor hem onoverkomenlijk. Wellicht was Oranje te veel de praktische politikus, die manoevreerde binnen de politieke grenzen van zijn dagen. S.G.P. en C.D.A ? Wie weet!
Een persoonlek spanningsveld
In de politiek was er in de tijd van Oranje en Datheen en is er ook nog in onze tijd een spanningsvolle verhouding tussen het
theokratisch ideaal en de zondige politieke werkelijkheid, die noodzaakt tot het sluiten van kompromissen. Ook Mozes, de politikus van het oude verbond, was genoodzaakt kompromissen te sluiten „vanwege de hardigheid des harten". Het bleek later echter wel nodig dat de Heere Jezus er aan herinnerde: „maar van den beginne is het alzo niet geweest". Zo behoorde het dus niet te zijn, maar helaas is het wel zo geworden. En nu zouden we ons kunnen afvragen wat wij daar nu in onze eigen situatie nog mee te maken hebben. Is dit alleen een probleem uit het verleden of hooguit voor de politikus in onze tijd? Ook in ons persoonlijk leven worden we geplaatst voor een spanningsveld tussen ideaal en werkelijkheid, de eis van God en de onmogelijkheid daaraan te voldoen. „Wel in de wereld, maar niet van de wereld zijn"....
Hoe moeten we ons dat staan in deze wereld voorstellen? De spanning is afwezig als we ons leven inrichten naar het schema van deze wereld. Die spanning verdwijnt ook als we deze wereld aan haar lot overlaten en ons aan onze verantwoordelijkheden onttrekken. Die spanning is wel voluit aanwezig als de Bijbel ons een christen tekent als een gast, een vreemdeling, een pelgrim, maar ook als soldaat en wachter. Het echte Godsrijk ligt boven. De pelgrims, die daarheen op weg zijn, „werken zolang het dag is", zuchtend onder de werkelijkheid van de zonde, „totdat de volkomenheid Uws rijks kome".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juli 1984
Daniel | 32 Pagina's