VERSLAG VAN DE REGIONALE VERGADERING TE GRONINGEN
De vergadering wordt om half twee in de Magnaliakerk geopend door ds. Th. van Stuyvenberg. Hij houdt een kort openingswoord, waarin hij alle aanwezigen namens het bondsbestuur hartelijk welkom heet. Na het zingen van Psalm 19 : 1 en 5 en schriftlezing van Psalm 19 vertrekken vier bussen naar Ulrum. Tijdens deze busreis wordt interessante informatie verstrekt over het groninger landschap, de boerderijen, borgen, enz.
In de geheel gevulde kerk van Ulrum, waarin 1834 de Afscheiding begon, houdt de heer Th. van Woerden uit Lexmond een inleiding over:
„De Afscheiding van 1834 in haar oorzaak en wording"
De Afscheiding vond niet plotseling plaats. Reeds lang was er onrust in de kerken. Er ontstonden dwalingen en meningsverschillen, o.a. met betrekking tot de goddelijke Drieëenheid en de psalmberijming.
Sommigen trokken zich terug om thuis godsdienstoefeningen te houden.
Na de franse tijd bemoeide koning Willem I zich ook met kerkelijke zaken. Als gevolg hiervan werd in 1816 het ontwerp: „Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk van het Koninkrijk der Nederlanden" koninklijk goedgekeurd. Dit was in strijd met het recht van de kerk. Er kwamen wel protesten van classes en predikanten. Deze werden echter niet aanvaard.
Predikanten moesten een formulier ondertekenen waarin men instemming betuigde met de „leer welke overeenkomstig Gods heilig Woord in de aangenomen formulieren van enigheid is vervat". De praktijk wees uit dat dit ruimte liet voor meerdere opvattingen en spoedig heerste een nieuwe geest in de oude kerk.
In Ulrum begonnen de moeilijkheden met ds. Hendrik de Cock die in 1801 te Wildervank was geboren. Na zijn theologische studie in Groningen huwde hij in 1824 metFrouwe Venema. Hij was een aanhanger van het humanistisch christendom. In 1829 werd hij in zijn derde gemeente Ulrum bevestigd door zijn voorganger en vroegere leermeester prof. Hofstede de Groot
Omkeer in de prediking
Het kwam tot een verandering in zijn leven door zijn vrouw die hem zei niet genoeg te hebben aan zijn preken en door een opmerking van een oude catechisant „Als ik ook maar één zucht tot mijn zaligheid moest toebrengen, dan was het voor mij eeuwig verloren". Hier werd duidelijk uitgedrukt dat de redding van de mens voor honderd procent genade is. De Cock ging oude schrijvers lezen, de Institutie van Calvijn e.d. Zijn preken werden anders. Hij legde het aksent op het borgwerk van Jezus Christus, waarbij God verheerlijkt en de mens vernederd wordt. Van heinde en verre kwamen de mensen nu naar hem luisteren.
Hij doopte toen kinderen van ouders die zich bezwaard voelden in hun eigen kerk nog het Jawoord" uit te spreken. Dit uiteraard tot grote ergernis van de betrokken predikanten.
Een tweetal predikanten schreef een brochure en Hendrik de Cock antwoordde daarop met „Verdediging van de ware gereformeerde leer en de ware gereformeerden". Het had als ondertitel: „De schaapskooi van Christus aangetast door twee wolven". Hierop werd hij geschorst. Deze schorsing werd nog twee jaar verlengd. Naar aanleiding van zijn schrijven: „Evangelische gezangen getoetst, gewogen en te licht bevonden", werd hij afgezet
Op 8 oktober 1834 kwam ds. H. P. Scholte uit Doeveren hem bezoeken. Deze predikant werd door de kerkeraad uitgenodigd op zondag 12 oktober te preken, maar dit werd door de konsulent verboden, terwijl hij toch predikant in volle rechten was. Staande op een boerenkar preekte hij toch op die zondagmiddag.
Afscheiding
Na deze zondag riep ds. De Cock zijn kerkeraad bijeen en deelde mee vrijmoedigheid te hebben zich af te scheiden. De kerkeraad was hier ook voor. Deze vond plaats op 13 oktober 1834 met een Akte tot Afscheiding of Wederkering. Daarin werd verklaard „dat men geen gemeenschap meer wilde hebben met de Nederlandse Hervormde Kerk totdat deze terugkeert tot de waarachtige dienst des Heeren". De volgende zondag meende ds. De Cock recht te hebben op de kansel, maar de politie verhinderde hem de preekstoel te betreden. Staande op de ouderlingenbank preekte hij. 's Middags werd de dienst gehouden in de schuur van de pastorie. Het gevolg was gevangenisstraf voor de predikant en inkwartiering bij de gemeenteleden. De infanterie kwam namelijk „om de orde te handhaven".
Ds. De Cock vestigde zich daarna in Smilde en trok door Groningen, Friesland en Drenthe om woord en sakrament te bedienen in andere afgescheiden gemeenten. Bij dit optreden werd hij zeer gehinderd door de overheid. Vaak werden zijn bijeenkomsten verstoord, beboet of hij werd gevangen genomen. In een van zijn brieven schreef hij: „De wegen des Heeren zijn moeilijk voor vlees en bloed, maar de Heere heeft Zelf gezegd: „In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen".
Op 14 november 1842 overleed hij op 41-jarige leeftijd.
(wordt vervolgd)
M Scherpbier_Witvliel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juli 1984
Daniel | 32 Pagina's