Om de schat van Christus’ bruid
Vanaf het begin der wereld heeft de strijd over de schat van Christus' bruid, namelijk de ware religie, de gemoederen beziggehouden. Dat geschiedde ook in de vorige eeuw, de in de vaderlandse kerkgeschiedenis zo belangrijke eeuw van het Reveil, de Afscheiding en de Doleantie.
Over deze ook voor ons zo belangrijke periode (veel van hetgeen zich immers in onze tijd op het gebied van kerk en staat manifesteert, is te herleiden tot hetgeen in de vorige eeuw is geschied), heeft het hoofd van de ds. J. Fraanjeschool te Barneveld, de heer W. van der Zwaag, een boeiende, waardevolle beschrijving afgeleverd. Het is te hopen dat velen, in het bijzonder onze jongeren, zich zullen verdiepen in deze kerkgeschiedenis, daar we hier te maken hebben met een natuur die, in tegenstelling tot zo vele anderen, met waardering spreekt over de aloude, bevindelijk-gereformeerde religie. Hoeveel respekt we ook hebben voor kerkhistorici als Algra, Van der Does, Rullmann en Praamsma, de bevindelijken komen er bij hen toch maar bekaaid af. Van der Zwaag echter heeft in dit werk lijnen getrokken, waardoor je wel moet konkluderen dat het schriftuurlijk-bevindelijke niet iets tijdgebondens is geweest.
Het reveil
De auteur bespreekt eerst in 't kort de achtergrond van zowel Reveil als Afscheiding, namelijk de geest der Verlichting, die in de achttiende eeuw steeds meer de kerk binnendrong. De Aufklärung mondde in kerkelijk opzicht uit in het opzijzetten van de Dordtse Kerkenordening van 1618 door de uitvaardiging in 1816 van het „Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk", inklusief de dubbelzinnig geformuleerde proponentsformule. Zo werd 1618 op z'n kop gezet. Als reaktie op de verstandelijke en zielloze orthodoxie bespreekt Van der Zwaag dan het Reveil, dat vrij sterk internationaal georiënteerd was, maar toch ook als een nationale beweging gezien kan worden. Terecht wordt hierbij aandacht besteed aan Willem Bilderdijk, die een belangrijk stempel op deze geestesbeweging heeft gedrukt. Jammer echter dat er slechts enkele bladzijden voor de „vader van het Reveil" uitgetrokken zijn. Van der Zwaag zegt daardoor dingen, die je als lezer graag wat meer uitgewerkt had gezien, bijvoorbeeld: „Het zou echter onjuist zijn Bilderdijk als een rasechte romantikus te karakteriseren. Daarvoor was hij teveel calvinist". De hier door de schrijver gesuggereerde tegenstelling lijkt me op z'n minst aanvechtbaar. Bovendien: als Bilderdijk niet tot de echte romantici gerekend mag worden, wie dan nog wel in de periode van de Romantiek?
De tragiek van het Reveil
Een apart hoofdstuk is gewijd aan „de Bilderdijk in de theologie", Hermann Friedrich Kohlbrugge, ook al zo'n man wiens hand — op 't eerste gezicht dan — tegen alles was en de hand van allen tegen hem. Dit hoofdstuk is zeer boeiend, niet alleen door de figuur van Kohlbrugge, maar ook door de wijze waarop Van der Zwaag deze geschiedenis brengt. De schrijver laat hier duidelijk de tragiek van het Reveil naar voren komen: „Het kerkelijk vraagstuk bleef onopgelost en levensgroot boven de Reveilkring hangen". Maar ook in het leven van Kohlbrugge zelf kreeg de tragiek van het Reveil gestalte. Kohlbrugge werd uiteindelijk zowel aan het Reveil als aan de Afscheiding geërgerd. Toch bleef deze „kwekeling der beproeving" innerlijk verbonden aan beide.
De Afscheiding
Met de Afscheiding van 1834 kwam het Reveil als het ware op de kansel. In het bijzonder de historische aspekten en personen rond de Afscheiding worden hier besproken, zoals de conventikels, vader Schotsman, het Adres van ds. Molenaar, Van Zuylen van Nijevelt, Vijgeboom en natuurlijk ds. De Cock.
Ook aan de dogmatische aspekten wordt enige aandacht besteed. Vrijwel niets echter ben ik tegengekomen betreffende de sociologische kant van de Afscheiding, maar dat zal de historikus Van der Zwaag ook niet beoogd hebben. Trouwens, ik ben de eerste om toe te geven dat die sociologische visie zeer omstreden is.
Anderzijds kun je die visie niet geheel verwaarlozen, wanneer je een werk schrijft met wetenschappelijke pretenties. Eveneens wordt te weinig gesproken over de situatie buitenslands in de eerste helft der negentiende eeuw. De vaderlandse kerkgeschiedenis mag je daar immers niet geheel los van zien.
Interessant is het gedeelte dat handelt over de relatie Reveil-Afscheiding, een studieobjekt waarover het laatste woord nog niet gevallen is. Na op objektieve wijze de geschiedenis van de Afscheiding tot 1869 behandeld te hebben, (o.a. de Drentse en Gelderse richting), gaat de auteur over op een weergave van het ontstaan van de Gereformeerde Gemeenten onder het Kruis, die hij de „dissidenten binnen de Afscheiding" noemt. Vervolgens komen de predikanten Ledeboer, Budding, Van Dijke en Bakker ter sprake, die zich min of meer op een zijspoor der Afscheiding bevonden: in het afscheidingsisolement. Dat isolement duurde voort totdat in 1907 de uit hun arbeid voortgekomen, verspreide, conventikelachtige gemeenten zich verenigden met de overgebleven Gereformeerde Gemeenten onder het Kruis tot de Gereformeerde Gemeenten.
Na het „voortgezet Reveil" (de strijd voor kerkherstel), de Doleantie, alsmede de vereniging van Afscheiding en Doleantie in 1892, volgen nog enkele interessante hoofdstukken, zoals over het neocalvinistische reveil, waarin Kuyper, Bavinck c.s. in de schijnwerpers staan, maar ook over herleving van het oude calvinisme, waarin Hoedemaker, Visscher en Kersten voor het voetlicht treden.
Verder waagt Van der Zwaag nog een poging tot evaluatie t.a.v. de gereformeerde gezindte in de twintigste eeuw, waarbij hij zich echter beperkt tot enkele hoofdlijnen en in het oog springende gebeurtenissen. Al met al krijgt daardoor de twintigste eeuw erg weinig aandacht in vergelijking met de negentiende eeuw.
De Una Sancta
In het laatste hoofdstuk maakt de auteur een balans op van de Una Sancta ofwel de enige, heilige en algemene christelijke Kerk. Door alle verwarring en verdeeldheid heen mocht de bevindelijke godgeleerdheid blijven doorklinken: iets van het heilgeheim dat voor de wijzen en verstandigen verborgen is, maar aan Gods kinderen naar vrijmachtig welbehagen wordt geopenbaard. Het zijn, aldus Van der Zwaag, in onze tijd helaas spaarzame en wegstervende klanken.
Na de bronvermelding volgen nog een verklarende woordenlijst en — onmisbaar voor de snelle speurder — een register van persoonsnamen. Het lijkt me overbodig de inhoud van dit boekwerk aan te bevelen. Ook de uitvoering — vele portretten verluchten het geheel — mag er zijn.
Ondanks al het kleinmenselijke en onder alle stormen heeft de Heere Zijn Kerk, ook in Nederland, in stand gehouden. Dat we in de toekomst ook in onze gemeenten iets van die genade (algemeen en bijzonder) zouden mogen ervaren, waarop ds. N. J. Engelberts gedoeld zal hebben, toen hij in een voorwoord van de uitgave der notulen van de Algemene Kerkvergadering der Kruisgezinden in 1866 te Zwolle schreef: „Staat de Gereformeerde Kerk naar buiten aan allerlei miskenning en zelfs verachting ten deel; wordt naar binnen door den Booze niets onbeproefd gelaten om verwoesting aan te richten: de Heere verlaat ons echter niet, want te midden van den strijd mogen wij blijken Zijner goedertierenheid en zorg ondervinden".
N. a. v. W. van der Zwaag. Om de schat van Christus' bruid. Vaderlandse kerkgeschiedenis sinds Reveil en Afscheiding. Uitg. De Groot Goudriaan; 1984. 315 pagina's. Prijs f 49, 50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juli 1984
Daniel | 32 Pagina's