Klacht en Jubel
facetten uit de kleine kerkgeschiedenis rondom ds. N. H. Beversluis
Het is een goede zaak, jongelui, als jullie weten wat je kerkelijke achtergrond is. En daarvoor is méér nodig dan te weten dat je behoort tot de Gereformeerde Gemeenten. Daarvoor is ook nodig dat je in hoofdzaken de geschiedenis van deze gemeenten kent. Je zult iets moeten afweten van de hoofdzaken rondom 1907, het jaar waarin de Kruisgemeenten en de Ledeboeriaanse gemeenten tot eenheid mochten komen, waardoor ons kerkverband ontstond. Maar ook een stukje 19e eeuwse kerkgeschiedenis kan geen kwaad. Nu heb je de „grote" en „kleine" kerkgeschiedenis. De „grote" kun je vinden in de handboeken. Daarin vind je inderdaad de grote lijnen terug die getrokken kunnen worden in de geschiedenis van de kerk, mondiaal en landelijk gezien. De „kleine kerkgeschiedenis" is een begrip dat we de laatste jaren in de Gereformeerde Gezindte regelmatig tegenkomen. Het is de geschiedenis van de veelal kleine afgescheiden kerken in Nederland na 1834.
Opbloei van de kleine kerkgeschiedenis
Gezaghebbende predikanten uit deze kerken, plaatselijke ontwikkelingen van een bepaalde gemeente of het kerkelijk portret van een bepaalde plaats vormen meestal de onderwerpen van deze „kleine kerkgeschiedenis". Ik vind de opbloei hiervan een positieve ontwikkeling, al wil ik er wel direkt bijzeggen dat we onze aandacht niet alleen hierop moeten richten. De „kleine" kerkgeschiedenis moet een onderdeel blijven vormen van de „grote". Het zicht op Gods heilshandelen met Zijn wereldkerk mag niet ten koste gaan van een ver doorgevoerde kerkhistorische detailstudie, die niet verder komt dan het eigene. Maar toch, al lijkt mij deze kritische opmerking enigszins op z'n plaats te zijn, ik ben blij met het vele dat de laatste jaren in onze kring over het eigen kerkhistorisch verleden verschenen is. Ik denk bijvoorbeeld aan het boek van M. Golverdingen over ds. G. H. Kersten, waarin facetten van zijn leven en werk worden behandeld. Of aan de driedelige verzameling van geschriften van en over ds. L. G. C. Ledeboer, verzorgd door H. Natzijl. Bijzonder interessant zijn ook de herdenkingsboekjes van een bepaalde gemeente, meestal geschreven door een plaatselijke deskundige. Ook een boek als „Gereformeerd Rijssen" geeft tal van wetenswaardigheden die het beeld van een stukje kleine kerkgechiedenis weer wat scherper maken. Een hoogtepunt voor de „fijnproevers" vormen wel de Acta van zowel de Kruisgemeenten als de Afgescheidenen tot 1869. Een bijzonder rijke schat aan originele stukken, van het hoogste belang voor een reconstruktie van de werkelijke feiten.
Klacht en Jubel
De heer C. de Jongste heeft in het nu te bespreken boek eveneens een witte plek op de landkaart der kleine kerkgeschiedenis ingekleurd:
een boeiende levensgeschiedenis van één onzer „voortrekkers", ds. N. H. Beversluis.
Ik ga natuurlijk niet uitvoerig vertellen, wie ds. Beversluis was. Daarvoor kun je terecht in „Klacht en Jubel". Je moet nu alvast wél weten dat hij één van de belangrijkste Ledeboeriaanse predikanten is geweest, juist vóór de eenwording in 1907. De hoofdlijn in De Jongstes betoog is zo ongeveer: zoals ds. G. H. Kersten in de Kruisgemeenten van grote invloed is
geweest om de kerkelijke eenwording in 1907 te bewerkstelligen, zo is ds. Beversluis dat geweest aan de Ledeboeriaanse kant. En deze conceptie is waarschijnlijk grotendeels juist, al kan ik me niet geheel onttrekken aan de gedachte dat De Jongste „zijn" predikant zo positief mogelijk voor het voetlicht laat treden.
De Nederlands Hervormde Kerk
Ik vind deze studie ook hierom van zo'n groot belang, dat we hierin heef duidelijk geconfronteerd worden met het zogenaamde ledeboeriaanse standpunt t.a.v. de Hervormde kerk, de kerk der vaderen. Toen Beversluis nog lerend ouderling te Middelburg was, heeft hij in 1900 een uitstekend boekje geschreven over ds. L. G. C. Ledeboer en zijn gemeenten. Daaruit leren we dit standpunt, ook door De Jongste uitvoerig weergegeven goed kennen.
Beversluis schrijft o.a.:
„In krachtige taal vermaande hij (— Ledeboer, B.) tot geheele terugkeer tot de oude paden. De Dordsche leerregels waren hem lief, omdat ze in hunnen grondslag uit God waren. „Keert ge terug", was zijn woord, „keertgeheel terug". — Ledeboer is waarschijnlijk teruggekeerd tot de belijdenis der vaderen, uitgedrukt in de oude belijdenisgeschriften en formulieren en dat wel door 's Heeren genade onder een smartelijk gevoel van het grote gemis onder dat alles, veroorzaakt door eigen schuld en zonden. — Geen kerken naast de Kerk, maar vastklevende, onder beding van genade, aan het puin en de fondamenten van de aloude Gereformeerde Kerk in Nederland, was zijne leuze. — Onder den invloed des Heiligen Geest es biddende inwachten de hulpe des Heeren, om door ontblooting van Diens sterke rechterhand hersteld te worden in een van God gewilden stand, die wij verlaten hebben en helaas! nog steeds verder verlaten. — Doch daarom kon hij ook de onreine handen niet uitslaan tot kerkherstel, gelijk zoo velen, maar moest in de breuke blijven staan en wachten, of God de Heere naar Zijne ontfermende liefde over Sion, zelf wilde herstellen en oprichten en bouwen, wat door 's volks zonden was nedergeworpen. Och! mochten we daar gebleven zijn".
Deze visie van Ledeboer was voor velen in Beversluis' tijd al onbekend, laat staan in onze tijd, 84 jaren later! Dit uitvoerige citaat moge duidelijk maken, dat we in Beversluis met een originele en krachtige persoonlijkheid te doen hebben. Dat kan het fraaie portret van hem tegenover de titelpagina trouwens ook al duidelijk maken.
Een veelzijdig beeld
De heer De Jongste heeft zich geen enkele moeite bespaard om een zo veelzijdig mogelijk beeld van de begenadigde prediker en pastor die Beversluis was, te geven. De hier en daar geuite kritiek op de compositie van het boek deel ik niet. De afwisseling van zuiver biografische en kerkhistorische hoofdstukken is mij althans goed bevallen.
Het is eveneens een verdienste van de auteur dat hij zoveel soms nog nooit eerder gebruikte bronnen heeft aangeboord, waarvan ik slechts noem de onuitgegeven
handschriften van ds. Beversluis zelf, het Reglement van orde dat de Ledeboerianen in 1903 aanvaardden en de „schoenendoos van Janse" met 200 brieven van Beversluis aan ds. D. Janse uit de periode 1869 - 1902. Uit al dit materiaal wordt ook veelvuldig geput en geciteerd. Het is De Jongste gelukt een boeiend en levendig portret te tekenen van een belangwekkend figuur en zijn tijd. Daarbij laat hij zich vaak meeslepen door zijn eigen enthousiasme. Dat levert nogal eens een stijl op die lichtelijk retorisch genoemd moet worden (iets dat hij overigens ook Beversluis zélf verwijt!), maar dat neem ik graag voor lief. Ik vraag me alleen af of de schrijver hierdoor ook met name jonge lezers aan zich binden zal. In ieder geval zou ik hem willen aanraden in het vervolg de gulden regel te bedenken, dat schrijven óók schrappen betekent.
Dan is er nog iets dat dit boek boeiend maakt; en dat is de bijzonder uitvoerige wijze waarop „1907" beschreven wordt, kompleet met de bijlagen waarin het Kort Verslag van de Deputatenvergadering en dat van de Algemene Vergadering der Gereformeerde Gemeenten in Nederland in dat jaar opgenomen zijn.
En wanneer jullie nog niet overtuigd zijn van het waardevolle van dit boek, jongelui, neem het dan eens ter hand om de vele foto's, waaronder veel zeldzame!, en andere illustraties te bekijken. Al bladerend en foto's kijkend zul je dan ongetwijfeld al iets van de sfeer proeven die dit boek onmiskenbaar uitstraalt.
Beversluis' prediking en gedichten
De schrijver heeft gemeend twee hoofdstukken niet zelf te moeten schrijven, maar aan deskundigen over te laten. Het hoofdstuk over Beversluis' poëzie (de predikant was geen onverdienstelijk dichter) is door de heer E. Kooijmans geschreven. Hij plaatst daarin terecht deze poëzie in de traditie van Lodenstein, Sluiter, de achttiende-eeuwse stichtelijke dichters en Ledeboer, die eveneens schrijver was van een groot aantal stichtelijke liederen. Het hoofdstuk van ds. M. Pronk over Beversluis' prediking had de auteur m.i. best zelf voor zijn rekening kunnen nemen. Ik proef namelijk toch niet zoveel affiniteit tussen Pronk en Beversluis en kan eerlijk gezegd de kritiek die hij hier en daar op deze oude prediker uitoefent, slecht hebben. Bovendien acht ik het minder juist deze twee hoofdstukken in dit boek op te nemen. Het ligt namelijk in de bedoeling in een volgend deel de nagelaten preken en de poëzie van Beversluis op te nemen. Het zou beter geweest zijn deze hoofdstukken daar op te nemen als inleiding op de preken en gedichten.
Je zult misschien denken: hoe kom ik ooit door 442 pagina's kerkgeschiedenis heen? Probeer het eens. Ik garandeer je dat het geweldig meevalt! Nogmaals: het is nodig dat je weet waar je kerkelijk gezien vandaan komt. Met dit boek sta je aan één van de bronnen van ons kerkelijk leven als Gereformeerde Gemeenten.
N. a. v. Klacht en Jubel, facetten uit de „kleine" kerkhistorie rondom ds. Nico laas Hendrik Beversluis (1850-1931) door C. de Jongste. Uitg. Van den Berg B. V, Zwijndrecht. 442 pagina's. Prijs f 42, 50
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juni 1984
Daniel | 32 Pagina's