„EN OPWAARTS ZIENDE NAAR DE HEMEL, ZUCHTTE HIJ, EN ZEIDE TOT HEM:„EFFATHA!”
Op een zonnige zomermiddag! Een paar vrolijke levenslustige meisjes van zo'n jaar of zes spelen samen het bekende spel: „Jij bent de vader, ja? Dan ben ik de moeder, en dan gaan we
Zo te zien is er geen enkel verschil tussen hen. Allen zijn gezond. Een poosje gaat alles goed, maar even later staat toch één van hen buiten spel. Steeds deed zij het fout. Ze begreep van het hele spel weinig of niets. Anneke is zich nog niet bewust van de oorzaak van dat buitenspel raken. Ze gaat vrolijk alleen iets anders doen.
Als moeder begrijp je het wel, en word je er soms pijnlijk door getroffen, want — misschien wat extreem gesteld — maar is dit niet het beeld wat Anneke ook in de toekomst wacht? En zal zij het dan ook zo gemakkelijk aksepteren dat ze er niet bij hoort, omdat zij niet kan horen?
Wat er aan vooral ging
Niet altijd is de oorzaak van doofheid bekend, maar in het geval van Anneke is de oorzaak duidelijk een rodehondinfektie, die ik als moeder in de eerste maand van de zwangerschap doormaakte. Wij wisten toen niet dat Anneke doof zou zijn, wel dat er kans was op één of meerdere afwijkingen. Ondanks deze zorg mocht zij toch met blijdschap worden verwacht, in het geloof dat, „al deze dingen in Zijn boek waren geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was".
Na de geboorte kon, behalve een heel licht hartgebrek, geen duidelijke afwijking worden gekonstateerd. Wij zagen wel een reaktie op licht, maar op geluid reageerde Anneke helemaal niet.
't Was nog te vroeg om daar konklusies uit te trekken vond de kinderarts. Met enige achterstand ontwikkelde Anneke zich als elke andere baby. De gedachte aan doofheid verdween ook langzamerhand. Ze was ongeveer één jaar, toen we weer argwaan kregen. De geluidjes die ze maakte, gingen nog steeds niet op woordjes lijken. Ze verdwenen zelfs langzamerhand. Het kontakt met haar bestond voornamelijk uit oogkontakt.
Veel vragen
We werden verwezen naar een audiologisch centrum. Na enkele onderzoeken kwam vast te staan, dat Anneke zó doof was, dat ze het spreken alleen langs visuele weg zou kunnen leren.
De vragen stormen dan op je af. Zou een hoorapparaat dan echt niet helpen? Zou ze wel kunnen leren praten? Zo niet, wat dan? Het audiologisch centrum had gezorgd voor verwijzing naar een doveninstituut, zodat wij in kontakt kwamen met de maatschappelijk werkster van „Effatha" voor de hometraining.
Zij bezocht ons tot dat Anneke naar school ging. Gericht op haar ontwikkeling deed zij om de 3 a 4 weken spelletjes met Anneke, later afgestemd op het onderwijs van „Effatha". Voor zover mogelijk beantwoordde zij onze vragen, en gaf ons adviezen. Direkt kreeg Anneke een hoorapparaat om de eventuele aanwezige hoorresten te stimuleren. Anneke was toen ongeveer twee jaar.
Naar school
Na vooraf enkele gewenningsbezoekjes te hebben gebracht aan de school en het internaat, ging Anneke, toen zij vier jaar was naar de „voorschool" van „Effatha" (vgl. gewoon kleuteronderwijs). Dat betekende van maandag t/m vrijdag verblijven in het internaat. Op school wordt les gegeven in groepjes van 6 a 7 kinderen, terwijl het spreekonderwijs individueel is door een speciale leerkracht. In het begin zie je met spanning uit naar de eerste resultaten, en je ervaart het bijna als een wonder als de eerste woordjes, voor jou
verstaanbaar worden gezegd of kunnen worden afgelezen (liplezen).
De vorderingen zijn langzaam. Woord voor woord moet alles worden geleerd. Het praten, het mondbeeld, het schriftbeeld, later ook het zelf schrijven. Aan het einde van het eerste jaar had Anneke een taalbezit van onge-
veer 50 woorden. Na drie jaar voorschool zit Anneke nu in het eerste jaar van de kernafdeling (vgl. gewoon basisonderwijs).
Ook daar ligt nog steeds de nadruk op taal; het duidelijk
spreken, goed taalgebruik, vaardigheid in spraakafzien en begrijpend lezen. Wij kunnen nu goed met haar praten, maar voor anderen is zij nog niet zo goed verstaanbaar.
Zij hoort er toch bij!
Een moeilijkheid apart is het bijbelonderwijs. Omdat een doof kind erg visueel is ingesteld, zijn abstrakte dingen moeilijk duidelijk te maken. Bovendien beperkt het geringe taalbezit de mogelijkheden. Op school begint men er daarom pas mee op ongeveer 8 a 10 jarige leeftijd. Toch proberen wij met behulp van veel plaatjes haar wat eenvoudige verhalen te vertellen.
Anneke gaat nu ook regelmatig mee naar de kerk, en dat is best een opgave als je 't alleen van het kijken moet hebben. Maar ze vindt zelf, als je „zo groot" bent, gaan ze toch allemaal, zo hoort dat toch?
Het is goed en nodig, dat er speciale diensten voor doven zijn, en ik hoop dat er in de toekomst nog meer zullen zijn. Want ook voor Anneke is dat ene nodige onmisbaar. Laten wij daarom die zorg niet alleen overlaten aan de weinigen, die er zich in geoefend hebben. Het gesprek met de dove is niet gemakkelijk, maar zij hoort er toch ook bij, en dan toch allereerst bij de plaatselijke gemeente.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1984
Daniel | 32 Pagina's