Twijfelmoedig vragen
Eerste bondsdaglezing door evangelist J. Kwantes
„Wie zal ons het goede doen zien? " Dat is de vraag van de bange wereld. Niet met dezelfde woorden. Ook niet met hetzelfde antwoord als in Psalm 4, maar in andere toonaarden. Wij zien het niet meer zitten. Wie zal een oplossing vinden voor onze wereld? Wie haalt ons uit de malaise?
Angst
Wie is niet bang als hij leest van kruisraketten met twaalf atoomkoppen en een rijkwijdte van 10.000 kilometer. Die een land en een volk in een enkel ogenblik kunnen uitschakelen. Tot niets verpulverd, zo de eeuwigheid in. Wie is niet bang als hij onze ekonomische toestand ziet? Wie vraagt zich nooit af: hoe moet het nu verder? Met mijn diploma mavo, havo, atheneum, MTS, HTS.... Je solliciteert en iedere keer is het: nee. Komt dan in jouw hart ook niet — misschien met andere woorden — de vraag op: „Wie zal ons het goede doen zien? "
Absalom
Psalm 4 is gemaakt in de tijd van de opstand van Absalom. Absalom was een heel mooie jongen, maar ook een verwende jongen, een heel slechte jongen. Er staat in de Bijbel dat hij schoon was van gedaante en aanzien. We kennen ook nu nog dat type. Het zijn de charmeurs, de boulevardiers. Kushandjes gevend. Knipogend. Daar wil ik onze meisjes voor waarschuwen. Die charmeurs hebben menig meisje diep ongelukkig gemaakt. Deze Absalom stal het hart van Israël. En David, zijn vader, had het niet door. Absalom had zijn broer Amon op een sluwe wijze om laten brengen tijdens een schaapscheerdersfeest. Daarna was hij naar zijn opa in Gesur gevlucht. Maar hij kwam terug. Hij deed toen alsof hij heel ootmoedig geworden was. Maar niets was minder waar dan dat. Hij kwam terug met de snoodste plannen. Hij wilde iets zijn: och dat men mij ten rechter aanstelde. En als er iemand uit Israël met een zaak tot de koning kwam, zei hij: „Zie uw zaken zijn goed en recht, maar gij hebt geen verhoorder van des konings wege".
Hoogkonjunktuur
Het was in die tijd een periode van hoogkonjunktuur. Nog nooit was het rijk van Israël zo groot geweest. Er was geen buitenlandse vijand. Er was rust.
Maar in een tijd van hoogkonjunktuur dreigen ook altijd gevaren. Dat hebben wij in ons land ook ervaren. Na de oorlog gingen we bouwen. Walcheren moest droog. De Betuwe moest weer bloeien. En we hadden geen tijd om aan iets anders te denken. Nederland moest herrijzen. En Nederland is herrezen. Er is vrede gekomen. En rijkdom. Wij zijn allen gezegend. Ons land is verlost van een oppermachtige vijand. En we mogen als volk en vorstenhuis weer in vrijheid leven. Maar nu dreigen van alle kanten gevaren: materialisme, bandeloosheid, gezagsondermijning.
Davids vlucht
Absalom organiseert een coupe. Hij gaat met toestemming van zijn vader naar Hebron om de Heere een gelofte te doen, zoals hij in Gesur beloofd had. Maar inmiddels waren er spionnen uitgezonden naar alle delen van het land: denk er om, als de bazuin zal slaan, dan moet er geroepen worden: „Absalom is koning". Alles wordt koning David aangezegd. En dan moet die koning van dat grote rijk vluchten. Want hij weet wat hem te wachten staat. Naar de wet van het oosten zal het oude koningshuis gelikwideerd worden. En de nieuwe koning zal plaats nemen op de troon. Met zijn getrouwen trekt David over de beek Kidron. Richting woestijn. David gaat met het hoofd omwonden barrevoets, ten teken van rouw. En dan komt de vraag van de mannen rondom hem: „Wie zal ons het goede doen zien? " Allerwege is er dreiging. Hun leven staat op het spel. Een desolate toestand.
Buigen onder de oordelen
En dan loopt daar ook nog een zekere Simei'. Hij loopt aan de andere kant van de weg. Waarschijnlijk is er een ravijn tussen: „Ga uit, gij belialsman", roept hij. Ga weg nietsnut, waardeloze, betekent dat. Zo
wordt Gods gezalfde koning ten diepste in zijn ambt beledigd. „Mijnheer", zegt Abisaï, een van Davids getrouwen, „zal ik overgaan en die vloeker zijn kop wegnemen? " Dat is natuurlijk het allergemakkelijkste als je een tegenstander hebt om zijn kop weg te nemen. Maar dat wil de koning niet. In ootmoed buigt hij in deze toestand en zegt: „De Heere heeft gezegd: vloek David". Dat is wat om zo te buigen onder Gods wil! Zo moeten wij ook leren buigen onder Gods wil, onder de oordelen die zich samenpakken. Dat is onze eer te na, jongelui, om ons niet te verzetten tegen onze tegenspoeden. Tegen onze pech, zoals we dat noemen. We moeten leren buigen. Ook in deze tijd: Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.
Een verkeerde vraag
Hoe begrijpelijk de vraag „Wie zal ons het goede doen zien" ook is, het is een verkeerde vraag, een zondige vraag. Het is een horizontale vraag. Want deze WIE dat is de mens. Dat WIE is een geladen woord. Geladen met twijfel, verdenking en ongeloof. En jullie weten uit het katechetisch onderwijs dat ongeloof juist de grootste zonde is. Want juist daarin zijn onze voorouders gevallen. Adam en Eva geloofden God niet meer, maar de verleider. Ongeloof is de wortel van alle kwaad. Hieruit spruiten alle andere zonden in mijn en jouw hart voort.
„Wie zal ons het goede doen zien". Die vraag wordt ook in 1984 gesteld. Onrust. Beroeringen. Oorlogen en geruchten van oorlogen. Inleveren. Honger. Er was een hoogtepunt in onze konjunktuur en nu moeten we weer naar beneden. Werkloosheid.
En hoe is dat met jou persoonlijk? Wat zie jij als het goede? Verwacht je het van je kennis? Verwacht je het van je sollicitatiebrief? Luister je naar de linkse propaganda van vandaag? Wat heb je in een stil uur op je kamer? Een transistor met popmuziek? Of een opengeslagen Bijbel? Gelukkig zijn er ook vandaag nog jongelui die hun knieën buigen bij het geopende Woord. Die zeggen: „Heere wil mij hieruit het goede doen zien". Ja, dat goede wil Hij ook jou schenken in je jonge leven. En hoeveel keer bepaalt Hij je niet bij het goede? Denk aan je Schepper in de dagen van je jeugd. Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden. Klein en groot. Er staat niet: die Mij vroeg zoeken, hebben een kans om Mij te vinden. Dan zou het geen Evangelie zijn. Die Mij vroeg zoeken zullen Mij vinden. Vele jonge mensen die hun leven aan Hem hebben toebetrouwd, zijn niet beschaamd uitgekomen. Je mag tot Hem komen: Heere, ik ben een jongen, een meisje, met een totaal verdorven hart. In Adam ook gevallen in ongeloof. Zou U dat willen veranderen? Zou U mij een nieuw hart en een nieuwe geest willen schenken?
Een middellijke weg
De Heere heeft in Zijn Woord gezegd dat Hij geen lust heeft in de dood van een zondaar, maar daarin dat hij zich bekeert en leeft. Het is waar dat bekering Gods werk is. Maar God heeft die bekering aan een middellijke weg gebonden: aan Zijn Woord. Het is dwaas om te zeggen dat moeder geen levensmiddelen in de winkel meer behoeft te gaan kopen, omdat God toch besloten heeft of ik van de honger sterven zal of niet. Het zou dwaas zijn om geen geneesmiddelen te gebruiken als we ziek zijn en zeggen: als het niet voor me besloten is om te sterven aan deze ziekte, doe ik dat niet.
Zo heeft de Heere ook genademiddelen gegeven. Maar als je die genademiddelen niet gebruikt, zal de Heere zeggen: „Je hebt niet gewild. Ik heb toch gezegd: zoek Mij en leef? " Dat staat in het Woord, maar daar zijn wij van nature blind voor met ons verduisterde verstand. Maar ook dat mag je nu tegen de Heere zeggen. Zeg niet tegen elkaar: „Ik kan me niet bekeren", want dat komt niet uit een eerlijke bron, maar omdat we er gewoon geen zin in hebben. Maar zeg wel tegen de Heere: „Heere ik kan me niet bekeren, maar wilt U het doen. En wilt U ook in
mijn leven de leiding nemen, bij mijn sollicitatie, bij mijn studie, bij alles wat ik te doen heb".
Het goede
Wie zal ons het goede doen zien. Wat is het goede voor jou? Je gezondheid? Een goede baan? Een fijne vriend of vriendin? Alles wat je hier hebt op aarde? Maar dat is niet het goede. Temidden van al het twijfelmoedige vragen, mag David zijn hoofd opheffen: „Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere".
Het is genade als je dat mag doen, temidden van al het twijfelmoedige, van al het negatieve, ondanks alle vragen en problemen waar je mee worstelt.
Nogmaals: daar hebben we geen recht of aanspraak op. Dat is genade. Als je zo naar boven mag blikken, al is het maar bij ogenblikken, dan begint daar het goede. Dan zal de Heere ook in jouw leven bevestigen, zoals Hij dat aan David gedaan heeft, dat er in Hem onbegrensde mogelijkheden zijn. Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere. Maar kan dat wel? Kan die heilige, rechtvaardige God, in Wiens ogen, zoals Job zegt, de sterren niet zuiver zijn, Die een ontoegankelijk licht bewoont, Die met de zonde geen gemeenschap kan hebben, Zijn aanschijn verheffen over een zondig mens? Ja! Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave. Die heilige en rechtvaardige God is in Jezus Christus nabij ons gekomen. Dat is nu Gods vriendelijk aangezicht Jezus Christus. Hij is op aarde gekomen om het menselijk leven te leven. Niet alleen geestelijk, maar ook lichamelijk. Hij heeft alle stadia van het leven doorleefd. Van kind tot man van 33 jaar. Daarom kunnen we ook met alles bij Hem terecht.
Durf jij ook temidden van alle moeiten, spanningen en teleurstellingen naar boven te blikken en te vragen: „Heere verhef Gij over mij het licht Uws aanschijns? "
Als je dat mag doen heb je genade ontvangen. Want als we maar een stap durven doen in Zijn richting, heeft Hij al naar ons omgezien. Hij heeft al naar je omgezien in de prediking waar je naar mag luisteren. Iedere rustdag wordt een beroep op je gedaan om Hem te zoeken. En in de Heere Jezus is de mogelijkheid om dat te doen, ontsloten. Hij heeft het goede doen zien. Op de heuvel Golgotha staat een kruispaal opgeheven. En als ik daarnaar mijn ogen wend, wordt al mijn schuld vergeven.
O Heere, geef mij een plaats aan de voet van dat kruis. Wilt u mij maar het laagste plaatsje geven. Want nooit heeft iemand zoveel kwaad tegen zoveel goed bedreven. Dat is het goede.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1984
Daniel | 32 Pagina's