Het hondje
Daar, heel alleen in de donkere nacht loopt een klein hondje. Heel alleen op de donkere weg. Niemand ziet het hondje. Iedereen slaapt lekker in zijn warme bed. Maar het hondje heeft geen baasje. Het had wel een baasje. Maar het baasje had hem weggestuurd, omdat het eten te veel geld kostte.
En nu loopt hij daar in de koude sneeuw. Niemand ziet het hondje. Iedereen slaapt. Maar het hondje kan niet slapen. Het heeft geen mandje om in te slapen.
De volgende dag komt er eèn jongetje uit school. Hij is erg verdrietig. De jongens uit de hoogste klas hebben zijn appel afgepakt. Nu loopt hij een beetje mopperig naar huis. Maar, wat ziet hij daar? Het hondje. Het ligt tegen een struikje aan. Het kon niet slapen en ligt nu te bibberen van de kou. Kees (want zo heet het jongetje) pakt het hondje. O, nu heeft hij eindelijk een hondje. Hij gaat naar zijn moeder om het hondje te laten zien. Moeder ziet wel dat het hondje een zwerfhond is. Ze krijgt medelijden. Ze zegt: „Als je goed voor het hondje zorgt, mag je het hebben." O, wat zijn ze blij. Het hondje omdat het een baasje heeft en Kees omdat hij een hondje heeft.
Dit opstel is geschreven door Martine Eits uit Zoetermeer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 mei 1984
Daniel | 32 Pagina's