JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Wie spreekt er ?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wie spreekt er ?

11 minuten leestijd

Gevraagd is in een artikel in te gaan op de vragen, die zich aan ons voordoen bij het zogenaamde krijgen van woorden of van teksten, waarvan de Heere Zich bedient bij het onderwijzen van Zijn kinderen. Het is geen gemakkelijk onderwerp. Er is grote voorzichtigheid bij nodig en vooral: de lamp van het Woord van God. In dit korte bestek is beperking tot hoofdzaken noodzakelijk.

Betekenis

Met het krijgen van teksten wordt bedoeld, dat gedeelten uit Gods Woord onmiddellijk in ons bewustzijn komen en met kracht toepassing ontvangen op het geloofsleven.

Er behoeft geen sprake te zijn van letterlijk „horen", maar wel zó dat de tekst toch kan worden verstaan, omdat deze in het bewustzijn wordt opgenomen. De tekst kan bijvoorbeeld een waarschuwing of een belofte bevatten.

Het krijgen van teksten wordt soms van zeer grote betekenis geacht voor het geestelijke leven, ja soms van beslissende betekenis. Toch is hierbij het gevaar van doorvloeien niet denkbeeldig en is bezinning nodig. We komen hier namelijk mede op het terrein van het onderbewuste van een mens. Daarin kan zo veel verborgen zijn, dat in het verleden erin opgenomen is en te zijner tijd in het bewuste denken kan terugkeren. Daarom kan het „krijgen van teksten" niet het een en al van hun geestelijk leven uitmaken. Het is bekend dat niet weinigen schermen met al de woorden, die ze krijgen: de Heere zei tot mij enz. enz. Alles wat aan teksten of zelfs aan religieuze woorden in hen opkomt, is van de Heere. Men krijgt zoveel woorden, dat men geen tijd heeft, ermee te worstelen. Een kritische geloofsinstelling is zeer noodzakelijk. De vraag is: voeren ze ons tot Hem Die ze gaf?

Brengen ze verootmoediging en overgave aan Gods wil? Worden we er wat mee of worden we er door vernederd, in spanning gebracht? Past het in de situatie waarin het Woord werd ontvangen? De Heere is ook hierin een God van orde. Zo'n woord van de Heere wekt: vreze Gods, onderwerping, uitzien, werkzaamheid des geloofs. Vroeger werd terecht gezegd: hoe was het ervóór, hoe was het er onder, hoe was het erna? Grote bezwaren moeten we hebben tegen hen, die spreken van nieuwe openbaringen en daarbij de Schrift verlaten. Maar ook als in dit verband teksten beschouwd worden als van de Heere gekregen, in een heel andere betekenis dan ze in Gods Woord hebben. En laten we niet vergeten dat ook de duivel met het Woord zowel kan verschrikken, als kan strelen.

Het Woord als genademiddel

Laten we allereerst stilstaan bij de grote betekenis, die het Woord als genademiddel heeft. De Heere bedient zich bij de toepassing van het heil, dat in Christus is, van het Woord. Het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God (Rom. 10 : 17). Het Woord wordt in de gemeente bediend, maar ook thuis gelezen en onderzocht. Het is aan de gemeente toevertrouwd, die een pilaar en vastigheid der waarheid behoort te zijn. Ze behoort het door te geven en te doen verkondigen. Het is het middel, waarvan Christus Zich bedient in het vergaderen en onderhouden van Zijn gemeente, door de Heilige Geest. Het Woord is dus verbonden aan Christus en de gemeente, aan ambt en bediening.

Het geloof wordt gewekt door het Woord

en gevoed door het Woord en door de sakramenten. Beide: wet en evangelie, de openbaring van Gods wil, alsook de afkondiging van het genadeverbond zijn in het Woord vervat. Daarbij is het geloof geïnstrueerd op , , horen" en het werkt door de liefde. Daarom verlangt ieder, die oprecht leerde geloven, de stem van de Heere te horen, dat Hij tot hen spreken wil: „Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw heil." Hierbij dienen we stelling te nemen tegen het zogenaamde objektivisme, dat aan de voorwerpelijke waarheid genoeg heeft en dit verlangen naar het persoonlijke ontmoeten van de Heere in Zijn Woord als ziekelijk beschouwt.

Woord en Geest

Calvijn schrijft bij de verklaring van Joh. 14 : 26 (Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welke de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren en zal u indachtig maken, alles wat Ik u gezegd heb): ls Christus voorts getuigt dat het eigen werk van de Heilige Geest is, de apostelen te leren, wat zij reeds uit Zijn Woord vernomen hebben, dan volgt daaruit, dat de uitwendige prediking ijdel zou zijn en waardeloos als er de onderwijzing des Geestes niet bijkomt.

God heeft dus tweeërlei manier om ons te onderwijzen. Want Hij laat het door de mond van mensen in onze oren klinken en inwendig spreekt Hij ons toe door Zijn Geest. En Hij doet dit soms op hetzelfde ogenblik, soms op verschillende tijden, al naar het Hem behaagt. Maar Hij brengt in gedachtenis: hetgeen Ik u gezegd heb. Daaruit volgt dat de Heilige Geest geen nieuwe openbaringen schept. Aldus Calvijn. (In dit verband noemt hij al de ingevingen buiten het Woord om, die op rekening van de Heilige Geest gezet worden: diliria = zotteklap).

Hieruit valt onder andere te lezen dat de gekregen woorden schriftgebonden zijn, maar ook dat de Heere het onderwijs vooral onder de verkondiging van het Woord wil schenken. Met klem wijzen we op het gevaar van het voor alles en nog wat, woorden te willen krijgen om daarop te leven, met terzijdestelling van de gewone middelen, waardoor de Heere tot ons (in de prediking enz.) spreekt.

De Heere roept Zijn gemeente niet op in luiheid te zoeken te leven bij invallende woorden, maar te leven bij Woord en sakrament. Anders zijn we verachters van God en Zijn dienst. En die doet Hij in het dorre wonen. Bovendien dient bedacht te worden dat het krijgen van woorden als zodanig dus geen bekeerde mensen maakt. Ook Bileam kende de aanspraak door God. Het ligt als het goed is in het geloofsleven ingebed, in al hetgeen de Heilige Geest in het zieleleven van Gods kinderen werkt. En dat komt openbaar in de ontdekking aan de zonde, de droefheid naar God, het zoeken naar de verlossing, die in Christus is en de noodzakelijke vernieuwing van het leven. Gemeenschap met God in Christus door het levend geloof tekent de ware christen. In dat gemeenschapsleven is opgenomen de onderwijzing en leiding van de Heilige Geest met en door het Woord. Het leven op „teksten en versjes" zonder dat het werk van de Heilige Geest in deze zaken openbaar komt, is op zijn minst verdacht te noemen.

De sprekende God richt Zich tot ons in de schriftuurlijke bediening van het Woord. Daarin spreekt Hij in het bijzonder tot Zijn volk waarbij de Heilige Geest het Woord tot zegen stelt. De diensten des Woords zijn Gods mond bij de gemeente. Christus Zelf legt grote nadruk op het genademiddel van het Woord (Matth. 10:7, Lukas 10 : 9, 16 enz.). Paulus vermaant: et Woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid (Koll. 3 : 16). Daarbij dient de prediking de zuivere toon van de levende bediening aan te slaan. Dan wordt er Schriftuurlijk licht over deze zaken verspreid en het snode van het kostelijke gescheiden. Waar het Voorwep van het geloof, Christus, centraal staat zal Hij door de Heilige Geest gestalte in het hart krijgen en Zijn gemeente in de liefde geworteld en gegrond zijn.

Gave van God

Alle misbruik en dwaling van en bij het krijgen van woorden neemt de ware bediening van de Heilige Geest niet weg. De Heere kan onder de prediking vragen oplossen, noden wegnemen, uitzichten openen, opdrachten verstrekken enz. Maar het persoonlijke leven is daartoe niet beperkt. Nieuwe noden kunnen het besef van het goede in het verleden genoten als het ware afsluiten, zodat we nergens bij kunnen. En het gehoorde of gelezen Woord

kan ons troosteloos laten. De rechtvaardige kan zwaar bestreden worden door de vorst der duisternis, de wereld kan benauwen of bespotten. De zonde kan zich in al haar kracht doen gelden, zodat men in de worsteling tussen de oude en nieuwe mens moe en afgemat is. Uitwendige omstandigheden als ziekten, tegenslag, de nood van verwanten of bekenden, de toestand van land en volk enz. kunnen tot de Heere uitdrijven.

Dan kan de Heere een tekst, gepast voor de nood in die omstandigheden geven. En naarmate ons leven nauwer aan de Schrift, woordbediening en sakrament gebonden is en we ook meer in deze weg van het geloof leven en bediend worden is dit „krijgen van woorden" op zichzelf bezien betrouwbaarder. Al blijven vergissingen mogelijk. „Wat de Heere belooft doet Hij", zei eens een christin, „maar ik ben maar een mens". In het algemeen moet uit het levensresultaat blijken of het „woord" van de Heilige Geest geweest is, al kan het ook niet meer beleefd worden.

We dienen er dan ook op bedacht te zijn bij de toepassing of verklaring van de woorden de Heere niet vooruit te lopen. Toen de Heere Jezus zei dat Lazarus sliep, stelden de discipelen dat hij gezond zou worden. Meer dan eens gaat men twijfelen aan het gekregen woord, omdat men eigen verklaring mede op rekening van de Heilige Geest zet. We zijn in de wegen van de hemel vaak even eigenwijs als onwetend. Dezelfde Geest, Die het Woord geeft, moet Uitlegger zijn, ook in het bepalen van tijd en wijze van de vervulling. Er dienen geen verbanden gelegd te worden, die de Heere niet legt.

De vrucht

De Heere Jezus zegt in Zijn onderwijs: aan de vrucht zult ge de boom kennen. Zo is het ook met de gekregen teksten. Die werken wat uit, zoals hier boven al is aangehaald. De schotse schrijver Gray legt als toetssteen voor de ware geloofsgenietingen, (deze gelden mijns inziens ook voor het krijgen van teksten, die beloften bevatten), de volgende maatstaven aan, die ik hierbij verkort doorgeef.

1. Vernederen u deze genietingen wel, die u ontmoet? Dan zult u laag kunnen bukken in uw eigen gewaarwording. Zie Jes. 6 : 5 (waar Jesaja zich een man van onreine lippen noemt).

2. Zet de genieting die u ontvangt u aan om meer genietingen van God te zoeken? Zoekt ge naar God, als nieuwgeboren kinderen zeer begerig zijnde om te drinken van de onvervalste melk van Zijn Woord? Dat is echt.

3. Welke kracht hebt u door uw genieting tot doding van uw lusten en tot nederwerping van de bolwerken van uw verdorvenheid? Als ze u daartoe niet helpen, moet ge ze verdenken.

4. Verlangt en begeert gij zeer sterk, dat allen die buiten zijn, deelgenoten mogen worden met u van dezelfde genieting? Verlangt en begeert gij zeer sterk, dat deze die veraf zijn, mogen nabij gebracht worden? Dan is het echt.

5. Zijt ge meer opgewekt om aan de Gever van uw genieting te denken, dan aan de gift zelf? Indien het zo is dan hebt ge een merkteken, dat uw genieting echt is. Doch zo ge tevreden neerzit en u vermaakt louter in de genieting, meer dan in Hem, Die de Gever ervan is, dan is het één van beiden, óf uw genieting is niet recht óf ge maakt er geen recht gebruik van. Daarom behoort ge te arbeiden om te onderscheiden tussen uw genietingen die echt zijn en die welke slechts inbeelding en bedrog zijn. Aldus Gray. (derde preek over Joh. 20 : 27 in: e biddende Hogepriester).

Ook Brakel geeft de volgende waarschuwing in zijn Redelijk Godsdienst I, blz. 1086: „Een gelovige kan wel ongeregelde begeerten tot deze of gene bijzondere lichamelijke zaak hebben, die men niet van node heeft in onze standplaats, hetzij dat die zaak in 't eerste schielijk invalt, 't zij dat ze door gelegenheid allengskens vat krijgt. De al te grote begeerte tot die zaak belet de onderwerping en maakt dat wij ons verlossing of verkrijging van een al te grote begeerde zaak verbeelden, die niet van God beloofd is, maar die wij onszei ven beloven; en dan gebeurt het wel, dat een Schriftuurplaats, 't zij wakende, hetzij slapende schielijk inschiet, welk schielijk inschieten men dan aanmerkt,

alsof het een openbaring, of een belofte van God tot ons was. Of men trekt daartoe de een of andere Schriftuurplaats, die wij wel weten, dat bijzonder aan deze of gene personen als Abraham of David, of een anderen gedaan is, en dat in andere bijzondere gevallen; maar door de sterke begeerte eigenen wij ons die toe, alsof ze van God door een bijzonder toepassing aan ons gedaan waren en alsof wij daaruit een gevolg voor onze onordelijke begeerte trekken mochten. Men wordt daarin versterkt, doordien men sterke uitgangen des harten naar God gewaar wordt, in liefde, in levendige erkentenis van Gods goedheid. Men heeft gemeenzame verkering met God, men kan bidden, en oefent het geloof in Christus en men bevindt zich in een godzalige staat, 't zij met of zonder opzicht op die begeerde zaak, ja, men wil die zak niet, zoo 't niet naar den wil Gods was en men is stil en onderwerpt zich; maar de zaak komt wederom boven, en 't is alsof God nieuwe verzekering geeft en Zijn almachtigheid hun levendig voorstelt. Hierdoor raken dezen en genen wel in een strik, die hen jaren bijblijft en hun zeer hinderlijk wordt in hun vrije staat en wandel. Het einde is niet verkrijgen van die zaal en 't zien dat men een belofte zich verkeerdelijk toegepast had door een te sterke begeerte tot de zaak". Tot zover Brakel.

Bovendien geeft Brakel in dit hoofdstuk: Het leven des geloofs op de beloften, rijke lessen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 1984

Daniel | 32 Pagina's

Wie spreekt er ?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 1984

Daniel | 32 Pagina's