Ik heb m’n eigen mening
Als je tegenwoordig optimaal wilt funktioneren in het maatschappelijke leven, dan is het wel noodzakelijk je steeds weer een mening te vormen over allerhande zaken. Meningsvorming is veelal de weg waarlangs men tot besluiten komt. Hoe ouder je wordt, hoe vaker je gevraagd zult worden naar je mening over een bepaalde zaak.
Dat begint al op school. Als je, om maar een voorbeeldje te geven, een boekbespreking houdt, wordt het zeer op prijs gesteld door de leraar en je klasgenoten, wanneer je ook een eigen mening weet te geven betreffende het besproken boek. Dan kun je niet volstaan met opmerkingen als „het was wel aardig" of „het was niet om door te komen". Je zult, hoe moeilijk dat soms ook is, moeten proberen uit te leggen waarom je iets goed of minder goed vindt. Het geven van een goed geformuleerde eigen mening verhoogt menigmaal je cijfer. Het spuien van alleen maar feitjes is niet voldoende.
Onderscheid tussen feiten en meningen
Nu we het toch over feiten hebben, het is in het kommunikatieproces van groot belang steeds een duidelijk onderscheid te maken tussen feiten enerzijds en meningen anderzijds. Je kunt met onbetwistbare feiten een onweerlegbaar bewijs leveren. Zo kun je met het objektieve feit van het sterfjaar van Willem de Zwijger onomstotelijk bewijzen dat hij persoonlijk in 1585 geen veldslag kan hebben gewonnen. Zo kunnen we kontroleerbare cijfers en statistieken opvatten als objektief bewijsmateriaal, al moeten we er in dit verband wel direkt aan toevoegen dat van bijvoorbeeld statistieken niet altijd een korrekt gebruik gemaakt wordt. Er worden nogal eens lichtvaardige konklusies uit getrokken.
Met meningen is nog moeilijker iets te bewijzen. Een mening is geen onbetwistbaar feit, maar een persoonlijk oordeel of gevoelen ten aanzien van iemand of iets. Vandaar dat er zoveel verschillende meningen kunnen zijn: wat volgens de één duur is, is volgens de ander goedkoop. Een mening kan natuurlijk juist zijn, maar evengoed slechts gedeeltelijk juist of geheel onjuist. Dat laatste is meestal het gevolg van verkeerde inlichtingen, selektieve waarneming, wensdromen of vooringenomenheid. Het is dus zaak erg voor-
zichtig te zijn met meningen van anderen, maar ook met die van jezelf.
Zo kan een bewijsvoering heel zuiver lijken, als feiten en meningen zeer snel door elkaar worden gebruikt en je geen tijd of gelegenheid hebt het één van het ander te scheiden. Je bent dan wel genoodzaakt de bewering in haar geheel te aanvaarden of af te wijzen. Kritisch leren luisteren naar anderen is derhalve geen overbodige zaak. Maar ook zelfkritiek is nodig.
Enerzijds is het een goede zaak wanneer je eigen meningen verkrijgt en die op z'n tijd verdedigt. Het hoort trouwens bij de opvoeding: zelfstandig en kritisch leren zijn. Anderzijds is het gevaar groot dat we onze eigen mening als de enige ware gaan koesteren en niet eens meer de moeite nemen naar de mening van anderen te luisteren. Eveneens moeten we oppassen met het veroordelen van anderen, als we zelf een bepaalde mening ontwikkeld hebben. We moeten derhalve leren niet koste wat kost aan eigen meningen vast te houden, wanneer blijkt dat die op vrij losse schroeven staan. Ten aanzien van eigen meningen leven we, zo kunnen we nu al wel konkluderen, in een spanningsveld: enerzijds een goede en zelfs noodzakelijke zaak om een eigen mening te kunnen uiten, anderzijds zullen we ook moeten leren die meningen te relativeren.
Diskussies en vergaderingen
Al met al is het een feit, dat in deze tijd steeds meer naar je mening gevraagd wordt. Dat heeft vanzelfsprekend te maken met het grote aantal vergaderingen en diskussies in onze samenleving, niet in de laatste plaats ook in het kerkelijke leven. En is bij de diskussie meningsvorming doel, bij een vergadering is ze een belangrijk middel om tot besluiten te komen en tot afspraken over de uitvoering van die besluiten. Tegenwoordig komen veel meer dan vroeger, tallozen bijeen in groepen van allerlei aard om bepaalde doelstellingen na te streven. In feite zijn diskussies en vergaderingen in welke vorm en met welk doel ook niet meer weg te denken uit onze maatschappij. Vrijwel iedereen wordt er, meer of minder frekwent mee gekonfronteerd.
Nu kun je je afvragen waarom er tegenwoordig zoveel meer wordt vergaderd dan vroeger, waarom je zelfs wel, zo ongeveer sinds de jaren zestig kunt spreken van een diskussie-en vergaderrage. In het kader van dit artikel kunnen we op deze vragen niet uitgebreid ingaan. Toch wil ik een paar dingen noemen. De schaalvergroting van het hele maatschappelijke leven heeft alles gedifferentieerder en komplekser gemaakt. Ook vrijwel alle organisaties in de maatschappij hebben de gevolgen daarvan ondervonden. De behoefte aan onderling kontakt is daardoor gegroeid. Eenmansbeslissingen zonder voorafgaand overleg komen steeds minder voor. Ook de steeds verder gaande specialisatie op vrijwel elk gebied dwingt tot koordinatie, dus tot kommunikatie. Specialisatie zonder overleg en samenwerking zou immers het isolement bevorderen, wat niet aan te bevelen is. Bij dit alles voegt zich dan nog de huidige demokratiseringsbehoefte op nagenoeg alle terreinen van het leven. Men voelt zich tegenwoordig meer betrokken en wil ook betrokken zijn bij alles wat vroeger als vanzelfsprekend gebeurde of van bovenaf werd opgelegd. Men aksepteert niet meer klakkeloos wat wordt voorgeschreven.
Een minister kan nog niet dat zeggen of de kranten staan vol en het Binnenhof staat bol. Men wenst inspraak en medezeggenschap.
Demokratisering en specialisatie
Dat die verregaande demokratiseringstendens zich in de afgelopen twintig jaar heeft gemanifesteerd, is natuurlijk niet louter toeval. Je voelt het wel aan, het heeft ook en vooral te maken met de verregaande sekularisatie op vrijwel elk gebied. De gezagsverhoudingen zijn daardoor drastisch gewijzigd. Gods Woord echter is ongewijzigd gebleven en dat Woord spreekt heel duidelijk over gezag en gezagsrelaties. Zo zegt ons het vijfde gebod: „Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft". Zondag 39 van de Heidelberger Catechismus werkt dat als volgt uit: „Dat ik mijn vader en mijn moeder, en allen die over mij gesteld zijn, alle eer, liefde en trouw bewijze, en mij hunner goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpe, en ook met hun zwakheid en gebreken geduld hebbe, aangezien het Gode belieft, ons door hun hand te regeren". Als wij dus menselijk gezag verwerpen, hangt dat in wezen samen met het verwerpen van God en Zijn geboden. De vorst der duisternis zal ons altijd weer trachten te verleiden tot ongehoorzaamheid en gezagsondermijning. Altijd weer heeft hij de chaos op het oog.
Jouw mening en die van je ouders
Maar hoe zit dat nu met die eigen mening van je, die wel eens haaks kan staan op die van bijvoorbeeldje ouders? Ik denk dat zo'n situatie echt niet onoverkomelijk hoeft te zijn. Wanneer er een vriendelijke en vertrouwelijke omgang bestaat met je ouders, zul je toch niet bij voorbaat monddood gemaakt worden. Dan moet er toch een mogelijkheid zijn tot een open gesprek. Doe dat echter met de eer, de liefde en de trouw die wij onze ouders verschuldigd zijn.
Van enige zelfverloochening, van een onderwerping aan degenen die boven je gesteld zijn, zul je echt niet minder worden. Slechts wanneer zij iets van ons vragen wat tegen de wil van God ingaat, mogen wij zelfs onze ouders niet gehoorzaam zijn. In dit verband mag er ook wel op gewezen worden hoe groot de verantwoordelijkheid is van de ouders.
Zij staan immers nooit vrij tegenover hun kinderen. In het prachtige boekje De Plichten der Ouders van Jac. Koelman is daarover meer te lezen. Koelman wijst er trouwens ook op dat het als ouders aanbeveling verdient goed naar de kinderen te luisteren: „Luister soms eens naar de goede raad die uw kinderen, mits niet ontijdig en op een behoorlijke wijze, u geven. Dat zal hen ook van harte gewillig maken om zich te onderwerpen aan uw rechtvaardige geboden. Zo luisterde Terah naar de raad van zijn zoon Abraham om vanuit Ur in Haran te gaan wonen. Zo luisterden ook Rachabs ouders naar haar raad, door naar haar huis te gaan, toen Jericho door Jozua werd belegerd".
Het is dus wel wat te simpel gedacht als je ervan uitgaat datje in een gezagsrelatie niets mag of moet zeggen. Kom rustig naar voren met je eigen mening, maar doe dat steeds op een gepaste wijze. En nogmaals, wees erg voorzichtig met het zo strak vasthouden aan de eigen mening, tenzij deze duidelijk gebaseerd is op Gods Woord. Bedenk dat ons verstand verduisterd is. Gods Woord zegt ons immers: „Want wij zijn van gisteren en weten niet".
Intussen komen we anno 1984 talloze mensen tegen met meningen over van alles en nog wat. Aan zulke mensen heeft onze tijd — ook op het kerkelijk erf — geen gebrek. Ik denk dat we eerder een gebrek hebben aan mensen die aan de weet gekomen zijn het niet meer te weten. Mensen die met al hun meningen en standpunten, met al hun ongerechtigheden en eigengerechtigheden, voor God niet meer kunnen bestaan. Mensen die het gaan inleven: „Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand, en ik heb geen mensenverstand: en ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend". Maar juist voor zulke onvernuftigen is er nu uitzicht, namelijk uitzicht op een wetenschap, die alle verstand te boven gaat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 april 1984
Daniel | 32 Pagina's