JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

In Zijn Naam

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

In Zijn Naam

7 minuten leestijd

Door de nacht rijdt een lange goederentrein. Twee lokomotieven trekken meer dan veertig wagons een lage heuvel op. Uit de voorste en achterste wagon straalt licht, de rest van de wagons is in het donker gehuld. Dat is heel normaal, 't is immers een goederentrein. Niet gewoon is het dat in de eerste en laatste wagon soldaten zitten, wel veertig in elke wagon. Er wordt vast een belangrijke lading vervoerd. Wapens misschien of, wie weet: goud! Nou, nee, dat laatste niet. Goud vervoer je in hermetisch gesloten wagons en deze zijn van hout, die gesloten zijn door middel van een lange ijzeren staaf, die door een stuk of zes verroeste ringen is gestoken. In het oosten gloort de zon, nog een uurtje dan zal ze boven de heuvels uitkomen en alles in een gouden gloed te zetten. In volle vaart passeert de trein een grote stad. Even moet hij zijn snelheid wat minderen. Tientallen lijnen kruisen elkaar en er liggen vele wissels. Buiten het station voert de machinist de snelheid weer op. Een grote fabriek doemt op. Zzjjtt, weg is hij. Een dorpje komt in zicht. Zzjjtt, weg is het. Twintig, dertig kilometer voorbij dat dorpje loopt langzaam de vaart uit het stalen monster. Zijn wielen ratelen over enkele wissels. Op een zijspoor, verborgen onder hoge bomen en achter dichte bossen staat de trein hijgend stil. De deuren van de voorste en achterste wagon rollen open en de soldaten springen eruit. Ze lopen elkaar tegemoet, bij elke wagon blijven er twee staan, het geweer in aanslag. Er.moettoch wel iets heel belangrijks in die trein zitten. Of.... en dat zou best kunnen iets heel gevaarlijks. Deuren worden opengemaakt, bevelen klinken. Langzaam alsof het hun grote moeite kost, springen uit elke wagon tientallen mannen naar buiten. Sommigen moeten geholpen worden. De soldaten steken geen hand uit, ze schreeuwen alleen dat het wat sneller moet. Maar die mannen kunnen niet vlugger. Uren en uren hebben ze gestaan, dicht tegen elkaar. Degenen die aan de kanten stonden, zijn verstijfd van de kou. Als er niemand meer naar buiten komt, gaat er in elke wagon een soldaat naar binnen. Soms wordt er een bevel geschreeuwd. Dan moeten er twee mannen de wagon in en als ze er weer uitkomen, dragen ze iets tussen hen in. Dat iets is een mens. Een mens die de lange treinreis niet overleefd heeft. Zijn naam wordt van een lijst geschrapt en zijn lichaam wordt in de harde grond begraven. In het bos krijgen de mannen brood en een kroes koffie. Er mogen vuren worden gemaakt. Sommigen lopen al kauwend op het harde brood wat rond, anderen proberen wat te slapen, zomaar op de grond zo dicht mogelijk bij het vuur. En boven de heuvels komt de zon, alles in een gouden gloed zettend, de stad, de fabriek, het dorpje. Maar de trein kan ze niet bereiken, de mannen ook niet. Die zijn verborgen onder de hoge bomen en achter de dichte bossen. Waar zouden al die mannen naar toe gaan? Waarom reizen ze 's nachts? En waarom niet in een gewone trein?

Het einde van de spoorlijn

Nog drie nachten raast de trein door het land. Elke morgen, voorde dag aanbreekt, zoekt hij een zijspoor op, ver van de bewoonde wereld. En elke avond gaan er weer minder mannen de wagons binnen. De derde morgen is er geen zijspoor, want de spoorlijn houdt hier op, zomaar middenin een groot bos. Als het straks weer zomer wordt, zullen honderden mannen de lijn verder doortrekken, vele kilometers

verder. Nu in de winter is de grond te hard om bewerkt te worden. Het is hier ook niet meer mogelijk om de mannen die deze nacht zijn gestorven te begraven. De vorst zit te diep in de grond. Maar dat is geen bezwaar, er is hier hout genoeg en een vuur is snel gemaakt.

De vrachtwagens

Twee dagen en nachten blijven de mannen, streng bewaakt door de soldaten, op een grote, open plaats in het bos. De trein is teruggereden, één wagon is blijven staan, die doet dienst als keukenwagen. Er is zoveel mogelijk hout verzameld. De mannen hebben er een wal van gebouwd om wat beschut te zijn tegen de harde noordoosten wind. Grote vuren moeten voor warmte zorgen, maar velen sterven ondanks het vuur, van de kou. Op de derde dag komen er vrachtwagens. Grote, sterke auto's met open laadbakken. En de tocht gaat verder. Ronkend zoeken ze hun weg en verslinden kilometer na kilometer. En in de laadbakken hurken de mannen bijeen, hongerig, moe en verstijfd van de kou.

„Dan heb je veel te weinig"

In de voorste wagen, met z'n rug tegen de hoge cabine en zo beschut tegen de felle oostenwind, zit Slavomir Pavlov. Naast hem hurkt een kleine, niet meer zo jonge man. Hij ziet er slecht uit, zijn ogen staan diep in de kassen en er zijn donkere kringen onder. Om zijn sterk vermagerd lichaam slobbert een veel te wijd geworden gevangenispak. Hij huivert van de kou. Slavomir is een ruwe, onverschillige kerel. Zonder enig medegevoel sjouwde hij zijn gestorven reisgenoten uit de wagens, vloekend groef hij in de harde grond hun graf. Lachend warmde hij zich bij het vuur dat de dode lichamen van zijn medegevangenen verteerde. „Dat zal mij nooit overkomen", had hij gepocht, „ik laat me niet zomaar onder de grond stoppen. Ik zal wel zorgen dat ik het overleef." Hij heeft tijdens een vechtpartij twee mensen gedood en daarvoor 25 jaar strafkamp gekregen. „Ik ben niet van plan te sterven van de kou", had hij gegromd. En hij had er voor gezorgd om tijdens de treinreis niet aan de buitenkant te staan, maar middenin de groep, zodat hij warm bleef. Hij stal het brood van zijn lotgenoten en zijn koffie was altijd heet en zijn kroes boordevol. Als die kleine, magere man door een soldaat naast hem wordt geduwd, bekijkt Slavomir hem van top tot teen. „Zo makker, jouw laatste uur is geslagen. Jij leeft morgen niet meer, zo te zien. Waarom ga je eigenlijk niet meteen dood? Dan ben je van alles af. Hoe heet je en hoe lang heb je en wat heb je gedaan? " De kleine man kijkt hem aan. „Ik heet Stephan Komenos", zegt hij vriendelijk, „ik heb tien jaar gekregen." Hij zwijgt even. De vrachtwagen trekt net op en het is onmogelijk boven het geronk uit te komen. „Ik ben dominee", zegt hij dan. „Dominee? " Slavomir probeert wat opzij te schuiven. „Dominee? " Hij vloekt. „Dan heb je veel te weinig!"

„Ga jij maar in die hoek!"

Over het grote strafkamp is de avond gevallen. Uit de vele barakken die in drie rijen zijn geplaatst, straalt geen licht. Dat komt niet doordat er geen ramen in zitten, maar om acht uur gaat het licht al uit en daarom is het zo aardedonker. De enige opening die er in de houten gebouwen zit, is de deur. En die is dicht, dicht om de kou buiten te houden. Het vriest zeker 30 graden. In barak 54 slaapt iedereen. Rondom het deurtje van de grote, vierkante kachel is een flauwe gloed. Achter dat deurtje knapt en knettert het zachtjes. De kachel ligt tot bovenaan vol met dikke houtblokken. Als je er vlakbij ligt, heb je er 's nachts ook nog warmte van, maar als je aan het eind van de barak sl aapt, bevries je bijna van de kou. Daar jaagt de wind door de kieren heen en is je deken 's morgens wit van de sneeuw die naar binnen is gewaaid. Dicht bij de warme kachel ligt Slavomir. Hij heeft er wel voor gezorgd dat hij de beste plaats kreeg. Toen Stephan zijn dunne matras en dito deken in een krib naast hem legde, smeet Slavomir ze er met dezelfde vaart weer uit. „Ga jij maar in die hoek daar, dominee", wees hij. „Dan kun je ongestoord bidden. Vraag maar aan je God of Hij het daar warm wil maken. Hij kan immers alles heb je gezegd. Nou laat Hij dat dan maar bewijzen." Vandaag heeft ieder zijn werk toegewezen gekregen. Stephan is in de barak terechtgekomen waar ski's worden gemaakt. Het is er warm en het werk is niet zwaar. Slavomir is ingedeeld bij één van de vele ploegen die buiten het kamp bomen moeten kappen en in stukken zagen. Alleen de sterksten kunnen dat op den duur volhouden. Maar Slavomir is sterk, zo sterk als een beer.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 1984

Daniel | 32 Pagina's

In Zijn Naam

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 1984

Daniel | 32 Pagina's