JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Er is meer nodig dan historisch geloof

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Er is meer nodig dan historisch geloof

vraaggesprek met ds. J. Driessen over het doen van openbare belijdenis

14 minuten leestijd

Dominee, wanneer begint de voorbereiding voor het doen van belijdenis? Is dat bij de belijdeniskatechisatie of al eerder?

Enerzijds begint dat eigenlijk al bij onze geboorte. We ontvangen immers het teken van de Heilige Doop omdat we op het erf van het verbond geboren worden? Bij de doop beloven de ouders hun kinderen te onderwijzen en te doen onderwijzen in de bijbelse leer. Anderzijds begint de voorbereiding voor het doen van openbare belijdenis zodra onze jonge mensen, meestal op 12-jarige leeftijd, naar de katechisatie gaan. Je wordt toch ook niet alleen in het 5e jaar van de HAVO voor het eksamen opgeleid? De eerst vier jaren dienen daar ook voor. 'k Zou het jaar van de belijdeniskatechisatie eigenlijk meer een afsluitend jaar willen noemen.

Nu we over de katechisatie praten, denken we aan de katechisatiemethode „Met de kerk der eeuwen", waarvan u samen met ds. Golverdingen en de heer Kole de redaktie vormt. Hoe en

waarom bent u tot deze opzet en tot deze uitgave gekomen?

Het werk onder de jongeren heeft altijd mijn belangstelling gehad. M'n belangstelling voor de katechese is met name gewekt toen ik op de Theologische School zat. Ik bezocht toen eens een ambtsdragerskonferentie in de klassis Utrecht, waar wijlen ds. Van Haaren (en je weet: hij was een uitnemende katecheet!) een lezing hield over katechese. Daarin citeerde hij Brakel, die ergens opmerkt, „dat hij niet kan zien hoe een predikant met een goed gemoed kan leven en sterven, die zijn werk niet maakt van katechiseren". Dat heeft me nogal aangesproken. Ik katechiseerde toen zelf in de gemeente Utrecht, waar ik Hellenbroek behandelde. Op zich met veel plezier, maar ik vond dat op deze wijze de jongeren nögal passief waren. In Oostkapelle ben ik begonnen met de behandeling van de katechismus. Iedere week gaf ik toen een stencil mee naar huis met vragen en opdrachten, die thuis moesten worden uitgewerkt. Dat was eigenlijk het

begin van de methode „Met de kerk der eeuwen". Toen ik uit Oostkapelle wegging, was het gedeelte voor de middengroep klaar. In samenwerking met ds. Golverdingen en de heer Kole als redaktiekommissie en enkele andere predikanten zijn toen de deeltjes over de Bijbel (voor de jongste katech is anten) en de vervolgdelen voor de ouderen over de katech ismus erbij gemaakt. We kwamen jaarlijks na afloop van het katechisatieseizoen met de gebruikers bij elkaar om over de ervaringen te praten. We gebruikten toen lessen die ik zelf tikte en die vermenigvuldigd werden in klein offset. (N.B. Je kunt wel horen dat we hier met iemand praten die uit de drukkerswereld afkomstig is, red.) Waarschijnlijk zou het nooit tot uitgave (door Den Hertog B/V.) gekomen zijn als niet verschillende kollega's en kerkeraden hadden gevraagd die lessen ook te mogen gebruiken. Momenteel zijn we bezig met een deeltje over de N.G.B, voor de oudste katechisanten en een deeltje voor de belijdeniskatechisanten. Maar ja, de tijd

Vereist het gebruik van deze methode zelfwerkzaamheid van de katechisanten?

Ja, dat blijkt uit de vragen en opdrachten. Ook is er om de paar weken een herhalingsles, waarin de belangrijkste zaken van de afgelopen 4 a 5 weken aan de orde komen. Trouwens, niet alleen de zelfwerkzaamheid van de katechisanten wordt gestimuleerd, maar ook van de ouders! Toen ik in Oostkapelle eens in een gezin op huisbezoek kwam, zei die moeder: „Domini, de vraegen binne nog a pittig, oor. Me zitte 's zondasaevends mee z'n aoier. rond de taefel om de vraegen op te lossen." En toen dacht ik: kijk, mevrouw, dat bedoel ik nou, dat jullie er met het hele gezin bij betrokken zijn.

Wordt deze methode in veel gemeenten gebruikt?

Nou, gelet op het aantal eksemplaren dat Den Hertog verkoopt, denk ik dat in ongeveer een derde van onze gemeenten deze methode wordt gebruikt. Overigens vind ik het niet zo belangrijk wélke methode wordt gebruikt, als aan de katechese maar alle aandacht wordt gegeven. Van veel belang is ook de medewerking van de ouders.

Is het vanzelfsprekend dat iemand, die jarenlang naar de katechisatie is gegaan, ter afsluiting daarvan naar de belijdeniskatechisatie gaat?

'k Zou zeggen van wel. Doopleden kunnen niet altijd dooplid blijven. De tijd komt dat ze niet meer in hun ouders gerekend kunnen worden. Zij worden zelf voor de keus geplaatst: öf het lidmaatschap krachtens geboorte en doop verbreken door het leven van de wereld te kiezen öf het lidmaatschap bestendigen door het afleggen van belijdenis. Artikel 28 van de Ned.

Geloofsbelijdenis zegt: wie zich niet bij de kerk voegt, doet tegen de ordinantie Gods.

De Heere deed ons geboren worden op het erf van het verbond. Hij heeft dus als het ware gekozen en wij hebben de weg te gaan die Hij wijst. Overigens leert de praktijk, dat jongeren, die de kerk de rug toekeren, over het algemeen al niet meer naar de katechisatie komen als ze een jaar of 17, 18 zijn.

Zou u in een paar woorden kunnen zeggen wat het doen van belijdenis inhoudt?

Ds. Kersten zegt in de Dogmatiek: „de belijdenis des geloofs is een vrijwillige en uitdrukkelijke toestemming aan en belijdenis van de in Gods Woord geopenbaarde waarheden door hen die tot de jaren des onderscheids gekomen zijn".

Soms wordt gesproken over „aannemen van lidmaten" of „bevestigen van lidmaten". Is dat wel goed?

Die uitdrukkingen zijn niet juist. Ze hebben ten diepste een roomse achtergrond, namelijk de konfirmatie of het vormsel. Je doet geen belijdenis om lid te worden, want dat ben je al vanwege je geboorte uit gelovige ouders. Dat wordt bevestigd door de doop. Om echter de rechten van het lidmaatschap te kunnen uitoefenen, is het nodig je door het doen van belijdenis uit te spreken bij de kerk te willen blijven.

Mag je de woorden van de Heere Jezus: wie Mij belijden zal voor de mensen, zal Ik belijden voor Mijn Vader, maar wie Mij verloochenen zal..... enz., ook toepassen op het al dan niet afleggen van belijdenis?

In de Schrift, ook in deze tekst uit Mattheüs, heeft het woord „belijden" de betekenis van geloofsbelijden, belijden dus met het hart. De belijdenis met de mond moet vrucht zijn van het geloven met het hart. Zo behoort ook de openbare belijdenis des geloofs te zijn. Nooit mag de kerk zeggen: belijden van het historisch geloof is wel genoeg. Belijdenis doen is immers het uitspreken van een keus dat we de zijde van Gods volk willen kiezen. Als eenmaal Ruth, die zei: uw volk is mijn volk en uw God is mijn God. En dan vraagt de Heere naar waarheid in het binnenste. Het is immers vreselijk als we ons met ons \z.-woord aan de kerk verbinden en met de daad de kerk de rug toekeren door in de zonde te volharden.

Dat betekent dus dat je bekeerd moet zijn om belijdenis te kunnen doen?

„Het is van groot belang dat ouders er achter staan" (folder voor de ouders bij de methode „Met de kerk der eeuwen").

'k Ga met een andere vraag antwoorden. Mag je tegen iemand, die niet durft zeggen dat hij een kind van God is, dat er genade in z'n leven verheerlijkt is, zeggen: je mag nog geen belijdenis doen? Dat geloof ik niet. De kerkeraad heeft er rekening mee te houden, dat de kerk in haar openbaringsvorm niet bestaat uit enkel levende leden. De zichtbare kerk bestaat uit kaf en koren.

Door belijdenis te doen verandert dit feit niet. De scheiding loopt straks niet tussen de zichtbare kerk en de wereld. Nogmaals: het doen van belijdenis zou door allen moeten geschieden met een levend geloof, maar de praktijk leert dat het niet zo is.

We mogen echter nooit rusten voordat we de dingen die we beloven en belijden ook in een levend geloof verstaan. Een levend geloof is immers noodzakelijk om deel te kunnen hebben aan de heilsweldaden die Christus verworven heeft voor Zijn Kerk. 'k Wil hier nog aan toevoegen, dat er jonge mensen zijn die van harte ernst maken met de dingen van Gods Koninkrijk. Ze durven echter niet te zeggen dat ze de Heere kennen. Nog veel minder dat de Heere Jezus hun Zaligmaker is. Toch is het hun begeerte om te gaan in de weg die de Heere wil dat zij gaan zullen. En uit heel de Schrift is duidelijk, dat de Heere over het gaan in Zijn wegen Zijn zegen wil gebieden.

Hoe bereidt u de belijdeniskatechisanten voor op het afleggen van openbare belijdenis des geloofs?

'k Gebruik op de belijdeniskatechisatie het boekje „Korte lessen over kort begrip" van ds. Kersten met daarbij een stencil met vragen hierover. We praten ook over bijvoorbeeld de plaats van de Gereformeerde Gemeenten binnen de gereformeerde gezindte. Verder over de kerkorde, het kerkelijk leven in het algemeen, enz. Soms laat ik een uittreksel maken van een preek of van een hoofdstuk uit een bepaald boek.

Houdt u met elke belijdenis-kandidaat ook een persoonlijk gesprek?

Dat doe ik tegenwoordig wel. M'n ervaringen daarmee zijn erg positief. Natuurlijk vlot het ene gesprek beter dan het andere, maar soms hoor je verrassende dingen. Centraal in dat gesprek staat de persoonlijke verhouding ten opzichte van de Heere, Zijn dienst, Zijn kerk en alles wat daarmee samenhangt.

Ds. Moerkerken waarschuwt in het boekje „ Gedoopt - wat betekent dat? " tegen veroppervlakkiging van het belijdenis doen (waardoor het een formaliteit wordt en waarvoor het „historisch geloof' voldoende is). Ook waarschuwt hij tegen de opvatting, dat alleen diegene belijdenis mag doen, die voor de kerkeraad verslag kan doen van het werk, dat de Heere in hem werkte. Dan laatje de kerkeraad oordelen over de harten. Wat moet het onderzoek door de kerkeraad volgens u wèl inhouden?

De kerkeraad moet erop toezien, dat er een hartelijke liefde is tot de waarheid Gods en een zo groot mogelijke kennis daarvan. De kerkeraad heeft de nadruk te leggen op het voorwerpelijke. Dat is in de lijn van de Reformatie. Calvijn zegt: „Het is noodzakelijk door onderricht de kinderen te brengen tot de belijdenis des geloofs om het volk in de zuiverheid der leer te bewaren en opdat men de evangelische onderwijzing en leer niet late verloren gaan, maar dat de inhoud daarvan naarstig worde vastgehouden en overgegeven van hand tot hand en van vader op zoon". Het gaat dus om de belijdenis van het geloof van de kerk. Het kennen, verstaan en liefhebben van de rechte leer. En dan is het duidelijk, dat het onderzoek van de kerkeraad ook betrekking heeft op de levenswandel.

Als het een kerkeraad diddelijk is - bijvoorbeeld door onverschillig gedrag - dat een belijdenis-kandidaat niets van zijn openbare belijdenis meent, mag (moet) men dan zo iemand afmanen of weigeren?

In zo'n geval zal er natuurlijk eerst vermaand worden. Maar als dat niet helpt, bijvoorbeeld als de kerkgang erg slordig blijft, heeft de kerkeraad niet alleen het recht, maar ook de plicht om iemand te weigeren openbare belijdenis te laten doen.

Vroeger werd vaak gesproken over, , het toegang vragen tot het Heilig Avondmaal". Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit artikel 61 van de D.K.O., waarin onder meer staat, dat men niemand tot het Avondmaal des Heeren zal toelaten dan die belijdenis der gereformeerde religie heeft gedaan. Ook prof. G. Wisse spreekt in zijn boekje „Mijn belijdenis" over „voor het eerst de toegang tot de dis des Heeren ontvangen". Hoe is dat nu bij ons?

In kerkrechtelijke zin wordt door het doen van belijdenis de toegang tot het Heilig Avondmaal ontsloten. De kerkeraad mag echter niet als eis stellen dat iemand alleen belijdenis mag doen als hij belooft ook aan het H.A. te komen. Je weet, dat dit in sommige kerken gebeurt. Behalve een kerkelijk recht is er ook een goddelijk recht nodig. Het mag geen automatisme worden: belijdenis doen en dûs aan het H.A. Het zou natuurlijk een groot voorrecht zijn als iedere belijdeniskatecbisant belijdenis mocht doen van het geloof dat de Heilige Geest in zijn hart heeft gewerkt. De kerkeraad mag dat echter niet als eis stellen. Het gevolg zal dan in veel gevallen zijn, dat men een historisch geloof met wat emoties en gevoel erbij, gaat houden voor het zaligmakend geloof. We moeten oppassen, dat we de mensen het geloof niet aanpraten.

In een gesprek met jongeren kwam aan de orde, dat er onder ons veel meer aandrang wordt uitgeoefend om belijdenis te doen dan om aan het Heilig Avondmaal deel te nemen. En de vraag werd toen gesteld: is het onwaarachtig doen van belijdenis minder erg dan het onwaarachtig aangaan aan hei H.A.? Wat zou u daarop zeggen?

't Is allebei erg! Want nogmaals: de Heere ziet naar waarheid in het binnenste bij alles wat we doen. De Heere keurt het nooit goed dat een mens onbekeerd is. 't Gaat bijvoorbeeld ook om waarheid als er in het huwelijksformulier sprake is van een godvrezende man en een godvrezende vrouw. Maar ik heb nog nooit meegemaakt dat jonge mensen zeiden: dominee, we durven niet te trouwden, want we durven geen , ja" te zeggen op de vraag waarin staat „gelijk een godvrezend man schuldig is". Een kerkeraad heeft de opdracht opzicht en tucht te oefenen. Dat houdt ook in dat de kerkeraad leden mag stellen in alle rechten van het lidmaatschap van de kerk. Of ook, indien nodig, die mag ontnemen (in geval van censuur). Daarom worden jonge mensen als ze in de bijbelse leer zijn onderwezen en zich onergerlijk gedragen in belijdenis en wandel, door de kerkeraad toegelaten tot het doen van openbare belijdenis. Daardoor zijn ze leden in volle rechten. En kerkrechtelijk is de toegang tot het H.A. ontsloten. Indien zij zich onergerlijk blijven gedragen, kan de toegang niet worden gesloten door de kerkelijke tucht. Dat wil niet zeggen dat er verder geen tucht meer geoefend wordt ten opzichte van het toetreden tot de dis des verbonds.

Wat bedoelt u met die tucht?

Er zijn immers twee sleutels waardoor het hemelrijk ontsloten en toegeloten wordt? De kerkelijke tucht is wel de tweede sleutel, maar de eerste en voornaamste sleutel is de tucht van de bediening van het Woord. En in deze Woordbediening wordt aangewezen wie de genode gasten zijn aan de dis, terwijl afgemaand worden allen die aan het waarachtig geloof vreemd zijn. Nooit mag worden vergeten dat tussen het doen van belijdenis en de avondmaalsgang de waarachtige zelfbeproeving staat. Kortom, strijd om in te gaan door de enge poort. Dat moeten wij niet veranderen in: strijd om aan te gaan. Het is de Heere er altijd om te doen dat we in de nood voor Hem komen. Dat we in die nood Hem nodig krijgen, Die gezegd heeft: Wie Mij

aanroept in de nood, vindt Mijn gunst oneindig groot.

Bent u niet bang dat als reaktie op het zoéven genoemde automatisme in andere kerken, het gevaar ontslaat, dat de openbare belijdenis helemaal losgemaakt wordt van het H.A. ? Dat zou niet in de lijn van de Reformatie zijn. Calvjjn liet bijvoorbeeld het doen van belijdenis plaatsvinden in de week voordat het Avondmaal werd gevierd.

Daar ben ik niet bang voor. 'k Wijs m'n belijdeniskatechisanten wel degelijk op de band die er is. Maar ik wijs er ook op, dat we met onze belijdenis niet aan het Avondmaal des Heeren kunnen aanzitten. Om een „waardige" disgenoot te kunnen zijn, is het nodig bij bevinding kennis te hebben aan de drie stukken die het formulier ons noemt. Overigens leert de ervaring me, dat jonge mensen die in oprechtheid met deze vragen worstelen, in de eerste plaats worstelen met de vraag: hoe is mijn persoonlijke relatie tot de Heere? Of, anders gezegd: hoe krijg ik een genadig God? Dat staat niet los van elkaar. Nogmaals: het is er de Heere om te doen dat we in de nood voor Hem komen.

Wilt u nog een slotopmerking maken?

Jongelui, bedenk de grote voorrechten die je hebt: geboren op het erf van het verbond, door de Heere afgezonderd. De Heere komt tot ons met Zijn Woord. Hij roept ons tot geloof en bekering. Hij werkt middellijk en daarvoor wil Hij ook het middel van de katechese gebruiken. En tegen de ouders zou ik willen zeggen: laat de doopbelofte voortdurend op uw hart gebonden zijn. Aan het begin van een katechisatieseizoen houd ik nu een bijeenkomst met de ouders. Dan wijs ik erop, dat het van zo'n groot belang is voor zowel de katechisant als de katecheet, dat de ouders er achter staan. Verleen daarom alstublieft uw medewerking aan de katechese.

Dominee, nogmaals hartelijk dank voor uw medewerking aan dit vraaggesprek. Misschien zijn niet alle vragen die er leven m.b.t. het doen van belijdenis beantwoord. En misschien heeft een en ander zelfs nieuwe vragen opgeroepen. Maar dat is niet erg, want we hebben ook gehoord waar we met deze vragen en met deze nood naar toe kunnen.

Barneveld/Almelo

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 1984

Daniel | 32 Pagina's

Er is meer nodig dan historisch geloof

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 1984

Daniel | 32 Pagina's